Rozen en doornen

En? Heeft u Henny Thijssing-Boer, Annie Oostbroek-Dutschun, Gerda van Wageningen en Mien van ‘t Sant gezien op het boekenbal? Nee? Terwijl zij toch bij uitstek de auteurs zijn die in het 'Panorama Nederland’ thuishoren. Zij zijn de schrijvers van de streekroman, het genre dat het zo goed doet in de vaderlandse bibliotheken. In deze boekenweek-Groene: de streekroman toen en nu. Over hedendaagse streekromans: kinky seks in een oude wereld. Over bibliotheken die mensen ervan willen weerhouden streekromans te lezen. Over Herman de Man, schrijver van de oer-streekroman ‘Het wassende water’. En over professor Joep Leerssen, auteur van een postmoderne roman, spelend in het Limburgse land. ..LE EEN SOMBERE boerenhoeve in een uitgestrekt landschap van goudgele korenvelden, bloeiende bongerds en grazige weilanden. Een oude boer met een getaand, rimpelig gelaat waarin twee helblauwe ogen priemen, en zijn zonen, net als hij reuzen van kerels, noeste werkers, mannen van weinig woorden. Opgewekte boerendochters met gezonde blozende wangen en blonde paardestaarten. Levens die heen en weer worden geslingerd tussen teleurstelling, hoop en het geluk dat altijd triomfeert. Want na een reeks van tegenslagen volgt steevast de troost.

Ik had nog nooit een streekroman gelezen, maar dit zouden, zo dacht ik, de ingredi‰nten ervan zijn.
Bij de V&D - in de meeste boekwinkels zijn ze niet te vinden, je kan ze krijgen bij de boekenclub, of bestellen via een telefoonnummer dat onder de flaptekst staat vermeld - kocht ik een stapel streekromans. Ze staan apart in een hoek en zijn geschreven door schrijfsters als Henny Thijssing-Boer, Annie Oostbroek-Dutschun, Gerda van Wageningen, Mien van ’t Sant, Margreet van Hoorn en Anke de Graaf.
Dikke, gebonden boeken zijn het, omnibussen en dubbelromans vaak, getooid met een glimmend omslag waarop een realistische tekening van, veelal, Reint de Jonge, die veel over het genre vertelt. Meestal zie je een ouderwets soort boerderij in een weids landschap staan. Soms zie je koeien grazen, soms staat een paard achter een hek. Graag priemt op de achtergrond een kerktoren de lucht in. Op de voorgrond staat een boer met een emmer tussen de koeien, of een landarbeider die in blauwe werkkleren met een schep in de weer is. Altijd wordt je aandacht het eerst getrokken door een jonge vrouw, die dan wel vaak boerenkleding draagt - een de benen bedekkende rokkenvracht, een schort, een omslagdoek om de schouders -, maar er verder uitziet als een pin-up. Mysterieuze donkere ogen die je aanstaren, lang bruin golvend haar, en een rank nekje dat duidelijk maakt dat onder al die kleren heus het lichaam van een mannequin schuilt.
De boodschap is duidelijk: al speelt het boek op het platteland, het gaat bovenal over de liefde.
JE ZOU DENKEN dat de streekroman, met de toenemende industrialisatie en verstedelijking van Nederland, een uitstervend genre is. Of dat de Heimat-literatuur die de streekroman is, in de eerste plaats vooral heimwee-literatuur is geworden. Heimwee naar een verdwenen Heimat zogezegd. Dat is ook zo. De streekroman doet zich voor als Hollands, oer-Hollands, maar in feite laat het een Nederland zien dat al lang niet meer bestaat. Een spierwit Nederland waarin voor multiculturaliteit geen plaats is, waarin de sociale verbanden nog nauw zijn, waarin stabiliteit, zekerheid en orde heersen. De personages van de streekroman zijn blond en blauwogig en dragen namen die zo Hollands zijn als het maar kan. Geertrui Zonneberg heten ze, of Auke Wieringa, of Renko Renkema, Fenne Folgersma, Frederik Hoekzema, Marie Musch, Dina Kleinsmidt en Barend Bergsma. Ze wonen met de hele familie - boer en boerin, boerenkinderen en kleinkinderen - samen op het boerenerf.
Er worden Hollandse deugden in bezongen als eerlijkheid, degelijkheid, bescheidenheid, ijver, dienstbaarheid, eenvoud en pretentieloosheid. En godsvrucht, vooral veel godsvrucht. In de streekroman gaat het namelijk over ‘christenmensen’ in een 'christenwereld’, die als het moeilijk wordt steunen op Gods woord en voor wie de zondagse kerkgang het hoogtepunt is van de week. Zoals Jaap van Marle in Het geslacht Van Marle zegt: 'A’ j’ zo geleuven kunt, wat bi j’ dan rieke.’
De streekroman speelt in een dorpsgemeenschap, met alle sociale controle van dien. Bij bruiloften en begrafenissen loopt het dorp uit. Hoe minder geliefd de huwenden of doden zijn, hoe meer dorpsbewoners er aan de kant van de weg zwijgend staan te staren naar de stoet. Er is sprake van naastenliefde en burenhulp, maar meer nog van kwaadaardige dorpsroddel. Van 'mensenpraatjes’ en 'mensengeklets’, zoals het bij Annie Oostbroek-Dutschun heet, of van 'koffiepraatjes’, zoals Mien van ’t Sant het noemt.
NATUURLIJK wordt de sociale orde in de streekroman voortdurend ondermijnd. Maar veel van de problemen waar de personages mee worstelen, bevestigen alleen maar dat de streekroman een nostalgisch genre is. Het zijn veelal problemen die al decennia geen problemen meer zijn, die vooral laten zien hoe overzichtelijk en ordelijk de wereld nog was toen die problemen nog bestonden. In alle streekromans die ik las, is standsverschil het grootste struikelblok. Dat gaat zo: de boerenzoon, de beoogde meester van de hoeve, wordt verliefd op een eenvoudige deerne: de meid die op de hoeve dient of een simpele daggeldersdochter. De boerenvader, trots en koppig van nature, verzet zich daartegen.
In alle streekromans wordt wel een meisje voor het huwelijk zwanger geschopt. Vaak treedt er een boze, meestal 'stadse’ man op die de boerendochter verleidt, terwijl hij, zonder dat zij dat weet, thuis een moedertje en kinderen heeft zitten. De stad staat hoe dan ook voor het kwaad. Het is vast geen toeval dat de boerendeernes die zich lichtzinnig met het stadse inlaten dikwijls tragisch aan hun einde komen. Daarbij sterft er altijd wel een vrouw in het kraambed en valt er anders wel een miskraam te betreuren. Alle vrouwelijke hoofdfiguren worden geplaagd door de angst dat ze 'overblijven’, 'een uitgedroogde oude vrijster’ worden.
De streekroman is een conventioneel en conformistisch genre dat een nogal dubieuze moraal bevat. 'Rozen en doornen, zo is ’t leven’, schrijft Annie Oosterbroek-Dutschen en dat is meteen een bondige samenvatting ervan. Het dubieuze is dat de streekroman een genre door vrouwen voor vrouwen is, vandaar dat de levenslessen vooral aan de vrouwelijke personages zijn opgehangen. De voornaamste levensles is heel eenvoudig: hoe groot de tegenslagen ook zijn, als je maar blijft hopen en dienstbaar en nederig blijft, volgt Gods beloning vanzelf. Als de man van wie je stilletjes houdt, ziet wat voor goed hartje je hebt en het huwelijk eindelijk is gesloten, verdwijnen alle problemen als sneeuw voor de zon. Juist als je jezelf kunt wegcijferen, zal grote en diepe liefde je deel zijn.
ER WORDT WEL over de streekroman gezegd, althans vooral door de schrijfsters ervan, dat deze, anders dan de romannetjes uit de Bouquetreeks, realistisch is. De streekroman gaat over heel gewone, herkenbare mensen in een heel gewone, herkenbare omgeving en niet over gefortuneerde graven en gravinnen in romantische kastelen. Toch is er, als je de streekroman door de tijd bekijkt, iets met dat realisme aan de hand.
De eerste streekroman die ik las, Het geslacht Van Marle van Annie Oostbroek-Dutschun, is een zesdelige romancyclus uit 1950 die zich in de buurt van Zwolle, in de IJsselstreek afspeelt, op de kapitale boerderij 'Het Over’. Aan het begin van het eerste deel staat de Tweede Wereldoorlog op uitbreken. Het is kortom duidelijk waar en wanneer de geschiedenis plaatsvindt.
Deel ÇÇn bevat de gebruikelijke problemen van de streekroman. Boerenzoon Jaap van Marle is verliefd op de frisse blonde Marrigje, dochter van Zuup Berend, een aan lager wal geraakte alcoholist. Jaap bezwangert haar voor het huwelijk. Boerendochter Mieke legt het aan met de knappe stadse militair Van den Heuvel, die in de boerderij gelegerd is; ze moet die liefde voor de getrouwde luitenant met de dood bekopen. Boerendochter Geertrui Zonneberg houdt van Jaap van Marle en is bang over te blijven. Maar als Jaaps liefde voor Marrigje is gesleten - 'Wie treurt om een meid, is z'n hersens kwijt’ - ziet hij in dat zij de ware is. Als hij haar zijn vroegere zonde heeft opgebiecht, dat van dat bezwangeren, staat niets hun geluk meer in de weg.
Het geslacht Van Marle zit barstensvol tragiek. Behalve standsverschil, bigamie, voorhuwelijkse zwangerschap en alcoholisme lees je ook nog over een miskraam, kinderloosheid, kroeggevechten, zwarthandel, onderduikers in de oorlog, en een boerenzoon die tegen de wil van zijn vader naar zee wil. Erg realistisch is dat natuurlijk niet, vooral niet omdat alles uiteindelijk goed afloopt. Slechte tijden, goede tijden, dat is het natuurlijke ritme van de streekroman. Maar toch geeft Annie Oostbroek-Dutschun wel degelijk ook inzicht in een wereld die nog bestond toen zij haar kloeke boek schreef. De personages spreken het dialect van de streek, wat de dialogen redelijk natuurgetrouw maakt. Je krijgt iets te zien van de boerenzeden en -gebruiken van weleer. Als een knaap zich bijvoorbeeld op een boerenbruiloft onder de tafel drinkt, moet het bruidspaar hem naar de hooiberg dragen waar hij zijn roes kan uitslapen. Laten ze hem vallen, dan mag het paar niet meer naast elkaar zitten. Je krijgt een beeld van de status van de welgestelde boeren, alleen al door de beschrijving van hun zondagse goed. Bij de boeren rust de gouden horlogeketting op hun vest; de boerinnen dragen witte mutsen, rijk bewerkte jakken en antieke sieraden.
Iets soortgelijks geldt voor de Aukeshof trilogie van de populaire Mien van ’t Sant (jarenlang stond zij nummer ÇÇn in de uitleen-toptien van de openbare bibliotheken; ze heeft een oeuvre van ruim honderd titels op haar naam staan). De trilogie stamt uit 1967 en speelt in een Gronings dorp van ongeveer 1950 tot in de jaren zestig.
Het is wederom van hetzelfde laken een pak. In het eerste deel, Deining op de Aukeshof, wordt boerendochter Martha verliefd op knecht Wiert Lenstra. De andere boerendochter, die niet voor niets naar de wufte naam AngÇlique luistert, wordt in Parijs door een getrouwde man verleid, ze wordt zwanger, wil het kind houden, maar sterft in het kraambed. Een schoondochter krijgt een miskraam. De boerenzoon wil niet buigen voor de wet van zijn koppige vader en begint een eigen boerderij in de Noordoostpolder. Net als Het geslacht Van Marle is de Aukeshof trilogie niet direct realistisch - daar zijn de verwikkelingen en het eind-goed-al-goed te ongeloofwaardig voor -, maar je hebt het idee dat er een wereld wordt opgeroepen die nog bestaat.
DE MEESTE BOEKEN die tegenwoordig als streekroman worden verkocht, stammen ofwel uit de jaren vijftig en zestig - het is een genre dat eindeloos wordt gerecycled -, of ze zijn geen streekroman meer. Het zijn familieromans geworden, of beter: 'gezinsromans’, waarin de entourage van het platteland en boerenleven verdwenen is. Of waarin het plattelandsleven zijdelings aan bod komt, zoals in Loudy van Anke de Graaf, waarin de vrouwelijke hoofdpersoon op zoek gaat naar de Friese wortels van haar vader en een familiegeheim.
Alleen bij Henny Thijssing-Boer is dat anders. Henny Thijssing-Boer wordt wel 'de koningin van de streekroman’ genoemd. Sinds ze in 1976, toen haar jongste kind uit huis ging, haar eerste boek, De tijd was rijp, publiceerde, verschenen zo'n zestig titels van haar. Drie boeken per jaar schrijft ze en veel daarvan zijn heuse streekromans met boerenhoeves, stuurse boerenzonen, bevallige dienstertjes, standsverschil, ongehuwde moeders en al. Ze staat nu al jaren stijf bovenaan de uitleen-toptien van bibliotheken, zo'n twee miljoen boeken van haar worden jaarlijks uitgeleend.
Die echte streekromans van haar zijn uiterst merkwaardig. Ze gaan over een Nederland dat voorgoed voorbij is. Ze weet dat verdwenen dorpse leven niet tot leven te wekken, nee, het is een wezenloos onbestaanbaar Nederland dat uit haar boeken oprijst. Het begint al met het wezenloze Nederlands van haar boeken, Nederlands dat plechtiger is en boerser dan dat van de oudere streekromans van Mien van ’t Sant en Annie Oostbroek-Dutschun. Moeders heten er altijd 'moeke’ in en meisjes 'wichtje’, 'meidje’ en 'deerntje’. Als de meidjes het lastig hebben, gaan ze zitten 'prakkizeren’. Jongeren worden 'jongvolk’ genoemd en mensen van dezelfde stand van het 'arbeiderswicht’ 'haar eigen volkje’. De personages dragen oer-Hollandse namen en die namen worden voortdurend gebruikt. Dat is soms nogal potsierlijk, bijvoorbeeld als de liefde als volgt wordt verklaard: 'Ik hou van je, Doede Renkema.’ 'Ik ook van jou, Fenne Folgersma, lief klein boerinnetje van me.’
DE BOEKEN VAN Henny Thijssing-Boer zijn vooral zo wezenloos omdat ze geen duidelijke tijd en plaats hebben. Als je bijvoorbeeld begint in Als dauwdruppels op het land en je leest weer over standsverschil en een toornige boer die de meid niet als schoondochter wil accepteren, waan je je in de jaren vijftig. Maar dan gaat het opeens over een huwelijk via contactadvertenties, een rijkeluiszoontje dat een seksmaniak blijkt te zijn, over pikant ondergoed dat hij bij een postorderbedrijf voor zijn vrouwtje bestelt, en je snapt er niks meer van. Speelt de roman toch in het heden?
De streekroman is een hybride genre geworden. Ze speelt in een archaãsche wereld en verkondigt een archaãsche moraal, maar tegelijk spelen alle mogelijke moderne problemen een rol. Van verkrachting binnen het huwelijk tot homoseksualiteit, van zelfmoord tot kinky seks. Zelfs het taboe op incontinentie wordt doorbroken.
Nieuwe problemen in een oude wereld, het levert vaak een idiote gespletenheid op. In Als dauwdruppels op het land wordt bijvoorbeeld over seksualiteit niet geschreven, een man 'heeft zijn vrouw soms ’s nachts nodig’, dat is het. Tijdens haar verkering met de boerenzoon is het dienstertje 'opeens’ zwanger, terwijl ze in het boek echt alleen nog maar met elkaar hebben gepraat. Maar als ze later met de seksmaniak is getrouwd, krijg je als lezer opeens van alles over seksuele aberraties te lezen.
Eigenlijk is die gespletenheid hoopgevend. De streekroman is 'probleemroman’ geworden. Hoe graag de schrijfsters ervan ook zouden willen, het veilige, stabiele, ordelijke Nederland laat zich niet meer schrijven.