Rozen in de hel

Natalie Babbitt, Des duivels sprookjesboek. Uitgeverij Fontein, 154 blz., f27,50
In eigen land is de Amerikaanse Natalie Babbitt al lang een schrijfster van naam. Bij ons is ze sinds twee jaar bezig aan een inhaalmanoeuvre met Eeuwig en altijd Tuck (1975) en Op zoek naar lekker (1969). Uit haar werk spreken affiniteit met de traditie van sprookjes, sagen en mythen, gevoel voor humor en zorgvuldige, klassieke formulering.

De zojuist verschenen verhalenbundel Des duivels sprookjesboek past uitstekend in dat beeld. Het is een samenvoeging van de The Devil’s Storybook (1974) en The Other Devil’s Storybook (1987). Op de ouderwets gedecoreerde rode omslag zit de duivel - zijn pijlstaart bevallig om de poten van een ongemakkelijke stoel gedrapeerd - zichtbaar te genieten van het (eveneens rode) boek op zijn schoot. De geamuseerde grijns op zijn hoofd is begrijpelijk, want in de twintig verhalen is een aangenaam vileine rol voor hemzelf weggelegd. Voor de aardse sterveling is het boek bovendien informatief wat betreft de gang van zaken in de hel en het karakter van de hoogste baas ter plekke.
Onvermoeibaar loert de duivel op een kans om ‘boven’ moeilijkheden te maken, waartoe hij beschikt over tassen vol vermommingen. Er wolkt zwavel uit zijn oren en hij knarst veel met zijn tanden. Hij heeft de pest aan brave kinderen, walgt van de liefde - 'wat zouden we daar nou mee moeten’ - en is dol op een kunstenaar die werk 'van onvergelijkelijke slechtheid’ produceert.
Schitterend is het verhaal over het wat sentimenteel uitgevallen onderduiveltje dat zo graag een rozentuin wil. Daar komt natuurlijk niets van in: giftig bilzekruid, dolle kervel en dodelijke nachtschade horen in de hellehof. Het stiekem geplante rozenstruikje verraadt zich door zijn geur. 'Het duiveltje had niets afgeweten van die geur. En nu rook dat hele deel van de hel naar rozen. Daar verhief de duivel zich van zijn troon, snuffelend als de reus van Klein Duimpje…’ De kleine zondaar redt zich eruit door te verklaren dat de roos slechts bedoeld is voor de doornenproduktie. De duivel merkt fijntjes op dat een cactus dan rendabeler zal zijn.
Met groot gemak zet de schrijfster de vooral binnen de sprookjeswereld vaststaande opvattingen over Goed en Kwaad op zijn kop en speelt ze met het in kinderboeken even eeuwige gegeven van ondeugd en inkeer. Met satanisch genoegen heeft ze zich ingeleefd in de wereld van haar held. Bovendien weet ze aan de meest malle verzinsels binnen enkele bladzijden de vorm van een volwaardige vertelling met een pointe te geven. Een openingszin als 'Er zijn geen kamelen in de hel’ doet de lezer vermoeden dat hier een autoriteit aan het woord is naar wie hij nog maar even verder moet luisteren.
Babbitt vertelt in een laconieke, tongue- in-cheek-stijl, met een rijke woordkeuze die Huberte Vriesendorp bij haar vertaalwerk zichtbaar plezier verschafte. Toch schuilt er onder alle grappen en merkwaardige gebeurtenissen een soort levenswijsheid die je ook in de volkssprookjes aantreft. Bij Babbitt heeft die alleen meer met betrekkelijkheid dan met onwrikbare waarheden te maken en daarmee doen haar verhalen soms even denken aan de bij de joodse traditie aansluitende sprookjes die Isaac Bashevis Singer in de jaren zestig schreef.