Rozen kozen

Je zou de nieuwe verhalen van Paul Biegel nooit en te nimmer geloofd hebben, als je ze niet met eigen ogen had gelezen.

Na ruim vijf jaar is er weer een echte nieuwe Biegel: Laatste verhalen van de eeuw.
Het schrijven van een kort verhaal voor kinderen is een kunst die weinigen machtig zijn en Paul Biegel is vast en zeker één van hen. Negentien verhalen bundelde hij, zoals zo vaak binnen dit genre uiteenlopend van lengte en aard, maar allemaal onmiskenbaar des Biegels.
Ze gaan over reuzen, heksen, kabouters en rovers, over wandelende tafels en ruziënde kikkers, over speelgoed dat op het middernachtelijk uur tot leven komt en over de onmogelijkheid van de liefde.
Kinderen die zuchtten bij het maken van een opstel, hield Biegel wel voor hoe eenvoudig het bedenken van een verhaal is: ‘Je loopt naar school en er springt een poes de weg over. Dan hoef je je maar twee dingen af te vragen: waar komt-ie vandaan en waar gaat-ie naartoe? Hij is geschrokken omdat er een piano van het balkon viel en dan kun je eindeloos over die piano doorgaan. Of er is een oude mevrouw die hem elke dag melk geeft en daar holt hij naartoe. Waarom doet die vrouw dat?’
Aan sommige van zijn nieuwe verhalen is het 'verzin-gemak’ van de auteur af te lezen. Ze zijn te lang, rollen moeiteloos van de ene episode in de andere en het einde komt op een willekeurig moment. Andere daarentegen laten overtuigend de beide kanten van Biegels meester-vertelkunst zien: de malligheid, de humor en het avontuur naast de melancholie over de vergeefsheid van het bestaan. Dat is Biegel, auteur voor kinderen in leeftijd en voor kinderen in de geest.
Een dolle boel is het bij volksvlo Piet, die Madame Zizi - gewezen danseres in het vlooientheater - leert dat de propvolle lijn 171 de beste plek is om bloed te zuigen. En dat je moet zoeken naar dikke, ongewassen types en altijd moet beginnen op de heupen. Met stijgend plezier schetst de auteur des mensen vleselijkheid, waarna hij zijn heldin nog een mooie dood op de bühne gunt. Erotiek kleurt de geschiedenis van de kabouter die in de tuin de rozenknoppen laat ontluiken door ze te omhelzen en Hans Christian Andersen resoneert mee in het aangrijpende verhaal over de onmogelijke liefde van een oude schoenmaker voor een beroemde zangeres, die onder haar feestjapon een zeemeermin blijkt te zijn.
Dat alles wordt opgedist alsof de schrijver herinneringen ophaalt aan wat hem overkomen is of ter ore kwam, gevat in bij de mondelinge traditie horende formules: 'Ik zou het nooit en te nimmer geloofd hebben, als ik het niet met mijn eigen ogen had gezien.’ De taal vertoont zoals altijd biegeliaanse schitteringen. Een matroos verlangt ernaar zijn mooie, in een jurk met 'friddels en diddels’ gehulde lief 'vreselijk te beslurpen’ en de kabouter is na een nacht rozen kozen 'verstard van kou en kleum.’
Zorgvuldig uitgegeven, met mooie vignetten van Fiel van der Veen.