Alain de Botton en Rob van Essen

Rücksichtslos romantisch

Alain de Botton

Proeven van liefde

Vertaald door Harry Pallemans

Contact, 232 blz., € 10,-

Rob van Essen

Engeland is gesloten

Atlas, 191 blz., € 17,50

Albert Camus opperde dat we op mensen verliefd worden omdat ze van buitenaf gezien zo heel lijken, zowel lichamelijk heel als emotioneel volwassen, waar wijzelf ons zo verward en verbrokkeld voelen. Omdat we een samenhangend verhaal missen, een evenwichtige persoonlijkheid, een vaste richting, een thematische eenheid, begiftigt onze fantasie de ander met zulke kwaliteiten. Alain de Bottons Proeven van liefde (oorspronkelijk Essays in Love, 1993, onlangs opnieuw uitgegeven in het Nederlands als Pandora Pocket) staat vol met dit soort wetenswaardigheden, genummerd en wel. Deze ditjes en datjes vormen het kader waarbinnen de verhouding tussen de verteller en zijn Cloé zich ontrolt, en leveren tegelijkertijd het ironische commentaar op de bijbehorende verrukkingen en verschrikkingen. Hun liefdesgeschiedenis doorloopt de voorspelbare stadia van ontkieming, bloei en neergang.

Aan het eind van zijn relaas, als hij zich ondanks de opgelopen kwetsuren opnieuw dreigt te verliezen in de ogen van een vrouw, komt de verteller tot de conclusie dat het een fictie was te denken de liefde te kunnen beheersen door haar te analyseren. De zucht naar analyse levert alleen maar een onmachtig soort ironie op. Ondertussen is dat precies de reden waarom Proeven van liefde eigenlijk zo’n vervelend boekje is, en de liefdesgeschiedenis die Rob van Essen opdist in zijn nieuwe roman Engeland is gesloten in al zijn «naïviteit» zo ontwapenend. Zonder dat het met zo veel woorden wordt gezegd, levert Van Essen de perfecte illustratie bij de stelling van Camus.

Als Thomas in Amsterdam de Engelse Iris tegen het lijf loopt, wordt hij door hun verliefdheid opgetild uit zijn eigen zwabberende bestaan. We schrijven de jaren tachtig, de tijd van woongroepen, kraakpanden, zwarte kleding, punkmuziek en Milan Kundera’s De ondraaglijke lichtheid van het bestaan. De tijd ook dat véél fout, zoniet fascistoïde was, of het nu ging om het burgerlijk gehoorzame gebruik van de strippenkaart of om het rijden op een fiets waarvan het licht het deed. Op dit soort verschijnselen wordt in deze roman met milde ironie gereflecteerd, door de inmiddels ook alweer ruim twintig jaar ouder geworden Thomas. Die reflectie vindt plaats in gesprekken met de postbode, die dagelijks even halt houdt voor de deur waar Thomas eeuwig en altijd aan zijn fiets aan het sleutelen is. En passant komt de geschiedenis met Iris weer bovendrijven, zijn eerste grote liefde, met wie hij eindeloze weken in bed doorbracht, op hun eigen eiland met hun eigen taal, met de gaskachel aan en de gordijnen dicht. In een aanval van rücksichtslose romantiek reisde Thomas toentertijd zijn liefde achterna, om in een rijtjeshuis in Birmingham op een groenfluwelen bank te belanden. «Een van de honden kwam naast me zitten, het was een zandkleurige newfoundlander. Hij legde zijn kop op mijn schoot en keek me met opgetrokken wenkbrauwen aan.» Heel lang duurt hun gelukzaligheid dan niet meer. Er moeten boodschappen worden gedaan, televisie gekeken, de honden moeten worden uitgelaten. In de keuken staat moeder met een schort voor die elke dag wil weten wat voor weer het in Amsterdam is. Tegen de tijd dat Iris haar oude droom gaat verwezenlijken, werken in een kibboets, heeft Engeland zich nog niet echt tot een nieuw vaderland voor Thomas ontpopt. «Het is niet anders», om met de postbode te spreken.

Al eerder, met name in zijn roman Troje (2000), bewees Rob van Essen verrassend onderhoudend over vergankelijkheden en misverstanden te kunnen schrijven. Uit de alledaagsheid van zowel zijn personages als de omgeving waarin hij ze rond laat modderen, weet hij een origineel verhaal te peuren met een authentiek eigen toon. Opmerkelijk is vooral dat hij te midden van alle relativering, ironie en kleine geestigheden, de sensatie van een liefde, voorbij en wel, in al zijn hevigheid weet op te roepen. «Het zou kunnen dat de herfst een mooier jaargetijde is om iemand te missen, maar het was lente, daar kon ik verder ook niets aan doen.» Die ondertoon voorziet Engeland is gesloten net van iets schrijnends en doet de roman uitstijgen boven een nostalgische terugblik, én boven de verzamelde onmachtigheden van De Botton.