Rudi van dantzig

‘MET MIJN BOEK Voor een verloren soldaat werd ik in ÇÇn klap tot schrijver gebombardeerd. Niet door mezelf overigens. Ik heb altijd gezegd: pas als ik niet meer put uit mijn herinneringen maar uit mijn fantasie, durf ik een beetje te zeggen dat ik schrijver ben. In de schrijverswereld heb ik me nooit willen laten opnemen. Naar het Boekenbal ga ik niet. Ik zou me er doodongelukkig voelen. Ik kan niet tegen verzamelingen mensen. Idioot natuurlijk, als choreograaf, die ook nog de naam heeft dat hij graag met grote groepen aan de slag gaat.

Ik ben het gelukkigst met de dansers in de studio. In de zaal zitten en tussen het publiek rondlopen heb ik altijd vermeden. Het liefst zou ik ongezien ergens gaan zitten en mensen bestuderen. Dat heeft met het schrijven te maken.
Ik ben nu bezig aan een toneelstuk voor De Appel. Aanvankelijk hadden ze me gevraagd een stuk te komen regisseren. Ik las een aantal stukken om te kijken wat bij me zou passen en dacht: ik kan niets met de wereld van anderen. Omdat ik gewend was mijn eigen werelden te maken. Toen heb ik geopperd zelf iets te schrijven. Dit speelde zich af in de tijd van de varkenspest, wat me verschrikkelijk emotioneerde. Die terminologie, “dieren vernietigen”, “ruimen”, ik werd er gek van. En ik dacht: nu zijn het de dieren, maar zo vergaat het ons straks ook. Eigenlijk is het al bezig. Nee, een vrolijk stuk wordt het niet.
Ik vind het moeilijk, voor theater schrijven. De mensen van De Appel zeggen: we kunnen goed merken dat je een choreograaf bent, want het is heel monumentaal. Je schrijft weinig huisje-boompje-beestjedialogen. De mensen zijn in sferen getekend. Er gebeurt weinig tussen hen.
Ik heb ooit eerder een toneelstuk geschreven. Toen we met Het Nationale Ballet net in de Stadsschouwburg zaten, zag ik daar een jonge acteur die ik heel goed vond. Hij stond altijd wat achteraan en - dat is typisch mijn karakter - ik wil graag mensen die achteraan staan een kans geven. Het was geen erg origineel stuk, erg Bruid in de morgen, en het is nooit opgevoerd.’
‘ALS KIND WIST ik absoluut niet wat ik wilde worden. Het enige wat ik kon, was tekenen. En in opstelletjes was ik wel goed. We woonden aan de overkant van het IJ, heel kleine huisjes, zonder douche. Ik was enig kind en waarschijnlijk heeft dat me wel parten gespeeld. Ik kon slecht met kinderen opschieten, bijna alleen met meisjes - heel veelzeggend. Toen ik tien was, werd mijn broertje geboren. We hebben weinig aan elkaar gehad. Hij was totaal anders dan ik. Ik was een heel gezeglijk kind, al morde ik misschien wel van binnen. Alles wat mijn ouders deden, deed ik ook: zij rookten niet, ik rookte niet; zij dronken niet, ik ook niet. Zij waren, ontdekte ik later, communistisch, dus uit solidariteit stond ik aan die kant.
Na de oorlog zat ik verschrikkelijk in de knoop door dat hele verhaal dat ik in De soldaat beschreven heb. Ik kon er niet met mijn ouders over praten. Mijn broertje had alle aandacht nodig. Ik stond volkomen in de kou. Toen zag ik de film De rode schoentjes en ontdekte de dans, een taal waarin je zonder woorden gevoelens als geluk en verdriet kon uitdrukken. Niet dat ik toen al dacht dat dansen iets voor mij was - zoiets leek me onbereikbaar voor een arbeidersjongetje - maar ik begon er veel over te lezen en praatte over niks anders. Mijn ouders zagen het met verbazing aan, maar waren gelukkig dat ik eindelijk iets wilde.
Voor mij is ballet zo essentieel geweest omdat ik er al mijn energie, al mijn emoties in kwijt kon. En omdat ik er sociaal door werd. Ik ben al vrij snel balletten gaan maken en heb het altijd heerlijk gevonden om met mensen te werken, ze te bezielen. Maar de wereld van het ballet is een emotionele, weinig volwassen wereld, waarin weinig wordt nagedacht over wat er daarbuiten gaande is.
Misschien hield ik daarom die grote behoefte aan lezen. Literatuur heeft me altijd geboeid en met een enorm ontzag vervuld. Het kwam niet in me op dat ik dat ooit zou kunnen, maar het heeft wel altijd als een soort wens in me geleefd. Ik begon artikelen te schrijven voor dagbladen. Later ben ik dansboeken gaan recenseren. Ik denk dat schrijven een soort vlucht was. Want choreografie‰n maken en artistiek leider zijn vergde ontzettend veel van mijn zenuwstelsel. Het achtervolgde me tot diep in de nacht, zelfs tot in de vakanties. De soldaat heb ik kunnen schrijven omdat Gerardjan Rijnders bij ons Bacchanten maakte en daar de hele groep bij nodig had. Opeens vond ik overal gaten in de tijd, zodat ik kon schrijven, zelfs op kantoor. Toen waren ook net een paar pijlers onder mijn bestaan weggevallen - mijn moeder en de vader van het gezin in Friesland - dat heeft me ertoe gezet dat verhaal op te schrijven. Dansers zagen me bezig en vroegen wat ik toch zat te doen. Ik ben een boek aan het schrijven, zei ik. Terwijl ik dat zei dacht ik: hoe weet je dat? Je bent aan het schrijven, maar of het een boek wordt, moet je nog maar afwachten. Het werd dus een boek. Het verscheen in de tijd dat Het Nationale Ballet van de Stadsschouwburg naar het Muziektheater verhuisde, wat voor mij heel emotioneel was. Opeens belde de uitgever: over een maand komt je boek uit. Toen pas drong het tot me door: nu kan iedereen het lezen. Het liefst had ik het onder de grond weggestopt. Ik wilde het dan ook niet komen halen. Ze zijn het komen brengen, met een bosje bloemen.
Er is een groot verschil tussen dansen en schrijven. Een choreografie maken doe je met een heleboel mensen samen in de studio. Die mensen zijn meteen ook je publiek: aan hun expressies, hun manier van werken, zie je hoe ze het vinden. Dat maakt je ook overgevoelig, want als iemand tijdens de repetitie gaapt of op zijn horloge kijkt, denk je: o god, ze willen naar huis, ze vinden er geen bal aan.
Schrijven doe je totaal alleen. Wat dat betreft woedt er een grote tegenstrijdigheid in mij. Ik verlang naar alleen zijn, maar als ik helemaal alleen ben, grijpt het me naar de strot. Als er dan een uitnodiging uit het buitenland komt om een werk van me in te studeren, weet ik niet hoe snel ik die moet accepteren.
Nu gaat in het Muziektheater mijn ballet Romeo en Julia, maar ik heb me er heel bewust niet mee bemoeid. Omdat ik weet dat als ik daar naar binnen ga, toch mensen me aanklampen en ik me er weer te veel mee bezig ga houden. En ik moet dit toneelstuk eind april af hebben. Dan ga ik weer voor twee maanden op reis.’
'DE OVEREENKOMST tussen schrijven en het maken van een choreografie is het componeren. En het stileren van emoties. Wat dat betreft ben ik toch een theatermens gebleven. Al mijn werk is heel theatraal en sterk gebed in emoties of onderdrukte emoties. Maar in dans kun je niet echt in details treden. Je geeft meer sferen aan, schetst een veel globaler portret van de figuren. Het boeiende van schrijven vind ik dat je zo dicht op iemands huid kunt kruipen en hem tot in heel kleine details kunt bespioneren en neerzetten.
Je hoopt, tegen beter weten in, iets teweeg te brengen met wat je schrijft. Het besef dat er iets moet veranderen. Niet alleen in de wereld, maar ook in het klein. Er is veel onrecht, veel stommiteit. Niemand wordt als misdadiger geboren. Er zijn omstandigheden. Je moet kinderen, wat ze ook gedaan hebben, een kans geven om mens te worden.
Sinds ik ben gaan schrijven maak ik minder choreografie‰n. Eigenlijk was ik van plan de dans echt te gaan afbouwen. Ik word vijfenzestig en ik heb niet een makkelijk lichaam. Mijn knie‰n en mijn rug doen pijn. Maar ik wil alles voordoen, zelf voelen hoe een emotie in mijn body aanvoelt. Zelfs als ik een ballet instudeer, ben ik afgepeigerd. Ook omdat ik me verschrikkelijk met de mensen bezighoud en me voor iedereen, juist de minder begaafden, volledig inzet. Dat vergt zoveel energie dat ik daarna niet veel meer over heb om te schrijven.
Toch merk ik dat ik niet buiten de dans kan. Als ik alleen maar zou schrijven, zou ik verpieteren. Ik kan weken thuis zitten, bijna niemand spreken. Even een boodschap doen en gauw weer naar huis: schrijven! Ik begrijp wel waarom schrijvers behoefte hebben aan de kroeg. Maar een kroeg zegt me niks. Vriendschappen onderhoud ik slecht. Als ik aan de bel trek, ben ik welkom, maar ik heb gauw het gevoel mensen tot last te zijn.
Ik zou meer w¡llen schrijven, maar altijd is er die redeloze benauwdheid voor het alleen zijn.’