4 augustus 1933 - 19 januari 2012

Rudi van Dantzig

Rudi van Dantzig bleef altijd die jongen op het kruispunt van naïeve schuld en volwassen onschuld. Niet alleen in zijn balletten, ook in zijn literaire werk.

DENKEND AAN RUDI zie ik mannen met opgeheven torso ver naar achteren hellen en vrouwen kronkelen op spitzen. Ze logenstraffen klassiek ballet en toch bewegen zij zoals alleen klassieke dansers dat doen. Ze zijn levende paradoxen, tegen een oplaaiende hemel, op een stille straathoek. Beeldschone jongelingen op van God verlaten plekken. Een vrouw in vlammend rood wijst de verworpenen der aarde de weg.
Denkend aan Rudi zie ik flitsende sabels in renaissancepraal, verkrampte vingers, smachtende blikken, getergde ruggen, gespannen dijen, ontrollende en samenpakkende kluwens van ledematen. Een Jezus aan het kruis in pofbroek, een robotstewardess met een verbandtrommel, een gigantische schooljuf op stelten met ballonboezem. Bange schooljongetjes, langnekkige giechelmeisjes. Een doodsengel sluipt toe als een panter, met vier liefdesparen in zijn kielzog, op weg naar het einde.
Denkend aan Rudi zie ik die dertiger in de jaren zestig, op wie tijd zelfs dertig jaar later maar geen vat lijkt te krijgen. Zelfs als tijd hem met chemokuren zijn blonde aureool ontneemt, zijn ruggenwervels doet kraken, houdt hij zijn absolute leeftijd: de jongen op het kruispunt van naïeve schuld en volwassen onschuld, hardnekkig trouw aan zijn passie voor misdeelden en mishandelden. ‘Wir setzen uns mit Tränen nieder’, zingt het hele gezelschap, van solisten tot secretariaat, uit volle borst. Hoe kreeg hij het voor elkaar, hoe haalde hij het in zijn hoofd, wie zal het hem ooit nadoen?
Halverwege de jaren vijftig verruilt Rudi van Dantzig de Kunstnijverheidsschool voor de balletschool van Sonia Gaskell, een Russische jodin uit Parijs met snauwend dialect en bliksemende ogen. Als 'mevrouw’ hem in 1955 de kans geeft als choreograaf te debuteren grijpt hij die aan om zijn gewetenswroeging te etaleren. Met benen en armen als tentakels drukken zijn jonge collega’s de hunkerende hoofdpersoon de neus op de grond. Na Nachteiland wordt de eenzaamheid ook een minder abstracte realiteit op het podium gegund. Van Dantzig bekent wat hem ook overdag opjaagt: zijn radeloos makende verlangen naar de Canadese soldaat die hem op elfjarige leeftijd in 1945 op de dijk bij zijn Friese onderduikadres heeft ontmaagd. Pas vele jaren later schrijft hij het ook in woorden van zich af, in de roman Voor een verloren soldaat.
Wie het pathetische simplisme, het sociale engagement, de hang naar uitersten en de mate van mateloosheid in de verzamelde balletwerken van Van Dantzig wil doorgronden, ontkomt niet aan de drie jaar jongere Toer van Schayk. Deze beeldend kunstenaar-choreograaf voelt hem haarscherp aan en zet dat neer in honderden toneelbeelden. Hun zielsverwantschap verleent aan Van Dantzig een extra zintuig, een boei op wie hij tot het allerlaatst blijft varen. Op ongekende wijze durven zij het aan om het danstheater van de humanist Kurt Jooss, het dramatisch expressionisme van Martha Graham aan het academische ballet te koppelen. Ernst wordt in dit oeuvre meer de stuwende kracht dan humor. Vooral subtiele details moeten voor een zuchtje verlichting zorgen.
In 1964 vertolkt Toer de hoofdrol in Monument voor een gestorven jongen, een internationale doorbraak, omdat homoseksualiteit in een benepen gezin indringend en niet zonder pathos wordt aangesneden. Terwijl helden als Kennedy, King en Guevara vermoord worden en op straat de lokroep van pop en provo aanzwelt creëren zij in 1967 hun eerste avondvullende klassieker, Romeo en Julia, die tot op heden standhield.
Van Dantzig is nog maar amper artistiek leider of de extravagante danser Rudolf Nureyev valt hem als een komeet voor de voeten. Rudi en Rudolf halen bij elkaar het bloed onder de nagels vandaan, maar respecteren ook elkaars tegengestelde allure. Toch zal de weerbarstige schoonheid van nog niet ontdekt talent Van Dantzig zo mogelijk nog meer prikkelen, en dat brengt hem in de koesterende rol van een meester-vader-minnaar-repetitor. In het eigenzinnige talent en onhandelbare temperament van Clint Farha legt hij als het ware zijn eigen proeve van bekwaamheid. In Reinbert Martijn ziet hij de onschuld van zijn verloren jeugd.
Als opvolger van Gaskell tornt hij niet aan haar visie, maar legt hij wel een tegengesteld idee over leiderschap aan de dag, met meer gelijkwaardigheid en altijd een open deur. De tijd van de drie 'Vans’ als huischoreografen breekt aan, met spektakels in Carré, toezegging door rijk en gemeente van faciliteiten op internationale maat, buitenlandse tournees, en de kweek van jonge choreografen.
In de overgang naar no nonsense-management in de jaren tachtig zijn knievallen naar oprukkend populisme, commercialisme en consumentisme hem een gruwel. Het paradijs onder handbereik in de schouwburg aan het Leidseplein verandert in een wespennest in het aanstaande muziektheater aan het Waterlooplein. Zijn te vroeg aangekondigde vertrek leidt tot een slepende opvolgingsaffaire en het lukt hem niet balletdanser Henny Jurriëns als zijn uitverkorene aangesteld te krijgen. Hoezeer hij in hem geloofde, blijkt uit zijn brief aan het bestuur in 1986: 'Ik voelde dat ik hem kon vertrouwen en hij heeft mij bewezen een autoriteit te zijn die andermans autoriteit, waar dat nodig is, kan verdragen, begrijpen en waarderen. Ik denk dat dat de kenmerken zijn van de ware leider.’
In die onbarmhartige periode krijgt hij vele soorten martelaarschap uit zijn balletten zelf te verduren. Van Dantzig reageert met massale, steeds heftiger creaties, gedrenkt in gitzwart pessimisme. Maar ook zoekt hij vertroosting in verdraagzamer literair werk. Hiermee doet hij hem inspirerende grootheden als Rudolf Nureyev, Willem Arondeus, Sonia Gaskell historisch recht. En ook in dat schrijverschap toont hij zich een bevlogen kunstenaar met gevoel voor historie.