Interview: Charles Aznavour

«Rug recht, kruin omhoog»

Charles Aznavour (80), de man van honderd levens en duizend liederen, publiceerde vorig jaar zijn memoires. «Naar de dood verlang ik niet, maar als hij komt zal ik hem hoffelijk bejegenen.»

Ils sont tombés pudiquement, sans bruit,

Par milliers, par millions, sans que le monde bouge,

Devenant un instant, minuscules fleurs rouges

Recouverts par un vent de sable et puis d’oubli.

(…)

Ze zijn gevallen, stil, bij duizenden, miljoenen, in de bloei van hun leven

en zonder dat de wereld bewoog. Ze zijn van goed en have weggevoerd

Ze zijn, gelijk minuscule bloemzaadjes, door de woestijnwinden ontvoerd

En begraven in het zand van de vergetelheid.

(uit: Ils sont tombés, 1975)

Terwijl mondain Parijs om hem heen wervelt, straalt de tachtigjarige zanger en acteur Charles Aznavour een ontspannen sereniteit uit. Hij be stelt een thee infusion Moroccon Ruby, die hij gedurende het gesprek echter nauwelijks aanraakt. Zijn rechterarm hangt losjes over de lederen clubzetel in het luxueuze art-decohotel Plaza Athenee aan de boulevard Montaigne, waar het decor wordt bepaald door olieverfschilderijen van de zeventiende-eeuwse meester Claude Gelee, beter bekend als «Le Lorrain», ingebed in nissen zo diep dat mensen er werkelijk in kunnen gaan zitten. De zanger is hier merkbaar op zijn gemak, en ook het hotelpersoneel lijkt niet van zijn apropos gebracht door de aanwezigheid van de Franse vedette, die door het blad Time enkele jaren ge leden nog tot «entertainer van de eeuw» werd uitgeroepen.

Vóór ons, in de langgerekte, met somptueuze tapijten ingerichte Galerie des Gobelins, klinkt het getik van porseleinen kopjes die voorzichtig van hun schoteltjes worden getild en teruggezet. Het beheerste geroezemoes van de cliëntèle vermengt zich met het sierlijke geluid van een harp.

Aznavour gaat gekleed in een grijsgestreept pak en een purperrode blouse met oranje stropdas. Even bestudeert hij aandachtig de menukaart, een leesbril op het puntje van zijn neus. Dan legt hij de kaart neer. De appetijt ontbreekt, zegt hij, omdat hij nogal in beslag is genomen door de opnamen van een tv-film die zopas van start zijn gegaan in Puteaux, een stadje in de Hauts de Seine. Ennemi public zal de film gaan heten, en Richard Bohringer is Aznavours voornaamste tegenspeler. Het script is gebaseerd op een waar gebeurd verhaal, en gaat over de poging van een ontsnapte delinquent om uit handen te blijven van de politie, «maar meer kan ik u er op dit moment niet over vertellen».

Is het acteren voor u even belangrijk als het zingen?

Charles Aznavour: «Je zou het als volgt kunnen formuleren: met het chanson ben ik getrouwd, maar de film is mijn maîtresse. Ik houd van allebei, maar in de eerste plaats ben ik een tekstdichter, die zijn verzen met muziek vertolkt. Pas daarna ben ik ook acteur. Toen ik klein was (de zanger grijnst), wel, dat ben ik natuurlijk nog steeds, ik bedoel toen ik als jonge knaap lessen volgde op de Ecole du Spectacle, toen had ik maar één doel voor ogen, en dat was om acteur te worden bij een professioneel toneelgezelschap. Omdat er op het podium ook wel eens gedanst moest worden, volgde ik als bijvakken piano en solfège. Dat de bijvakken van toen uiteindelijk mijn hoofd beroep zijn geworden, zie ik als een ironische wenk van het lot. Natuurlijk maak ik als zanger tijdens mijn voordrachten gebruik van mijn ervaring als acteur. Sommige van mijn chansons zijn eigenlijk kleine toneelstukjes, die het niet kunnen hebben van het zingen alleen.»

In uw memoires, ‹Le temps des avants›, die vorig jaar zijn verschenen, haalt u prachtige herinneringen op aan uw familie, uw jarenlange oponthoud in de entourage van Edith Piaf, de moeizame weg naar de top, uw amoureuze veroveringen en gebroken huwelijken, de dood van uw aan pillen verslaafde zoon Patrick, uw banden met het Armeense volk. Maar over het ontstaan van uw talloze lied teksten en chansons komt de lezer bitter weinig te weten. Heeft u dit onderwerp bewust vermeden?

«Maar dat is toch ook nauwelijks interessant. Ik ga zitten aan mijn werktafel, neem een pen ter hand, wat papier, en begin te krabbelen. Dan probeer ik er passende muziek bij te verzinnen. Wat is daar nu poëtisch of boeiend aan? Je suis un tâcheron, ik ben een schrijnwerker die met woorden hakt en melodieën in plaats van met steen. Het geheim van het vak is gelegen in de arbeid zelf. De uren dat je aan de slag bent. Ik verbaas me altijd over diegenen die vertellen: ‹Ik liep in die en die straat, zag een meisje lopen bij de metro-ingang, en plots kreeg ik toen de ingeving om dit bewuste lied te schrijven.› De muze is niet lui, maar werkt zich noodgedwongen in het zweet. Brassens sloot zich op in zijn kelder, waar zijn orgeltje voor hem klaar stond. Cocteau trok zich iedere middag na de lunch terug in zijn werkkamer. Trenet ging iedere ochtend zitten krabbelen aan zijn werktafel. Brel zei het zo: ‹Talent bestaat niet. Alleen luiheid bestaat…›»

In uw boek komt u over als iemand die uiterst vastberaden te werk is gegaan en zo min mogelijk aan het toeval heeft overgelaten.

«Laat ik het zo zeggen: de successen die ik gekend heb, zijn me niet in de schoot geworpen. Er waren zo veel handicaps die ik moest zien te overwinnen dat ik voor ieder stapje voorwaarts twee of drie keer zo hard moest knokken als sommige van mijn collega’s, zoals Gilbert Becaud of Yves Montand. Mijn doorbraak heeft lang op zich laten wachten. Het was vooral een kwestie van doorzettingsvermogen. Je kunt in dit vak niet gaan liggen wachten tot het lot je een juiste wind in de rug blaast.»

Wat verklaart uw gedrevenheid?

«Ik heb altijd gedacht, vanaf het prille begin, dat ik, als immigrantenzoon, beter moest presteren dan de meesten om toch gewaardeerd te worden. En dat ik, als ik wilde slagen in het artiestenleven, ook echt een hoofdprijs in de wacht moest zien te slepen: alles of niets. Het zal ook wel te maken hebben met mijn ouders, die ook artistieke ambities koesterden maar nooit de kans hebben gekregen daar iets van te realiseren in die moeilijke jaren twintig en dertig, toen er keihard ge werkt moest worden om de mondjes van hun kinderen te voeden. Daarbij was er de handicap van de taal, die mijn ouders maar moeilijk onder de knie kregen. Hun zware accent maakte een fatsoenlijke loopbaan hoegenaamd onmogelijk. Ik besef terdege dat ik als artiest een leven leid waar mijn ouders alleen maar van konden dromen. Mijn motivatie heeft beslist hiermee te maken. Alleen al jegens hen kan ik het me niet permitteren om er in dit vak met de pet naar te gooien.»

Heeft u gedurende uw carrière veel hinder on dervonden van uw geringe lengte (1,61 me ter), of heeft deze beperking u wellicht gesterkt in uw ambitie?

Charles Aznavour (glimlacht, terwijl hij met een lepeltje in zijn infusion roert): «Suggereert u nu dat ik beroemd wilde worden vanuit de motivatie om aan mijn geringe postuur te ontstijgen? Dat lijkt me nu wel erg cru gesteld. Ik heb daar nooit zo bij stilgestaan, mijn lengte is geen bron van frustratie voor me geweest. Ik heb er wel altijd rekening mee gehouden dat ik op allerlei gebieden een achterstand had goed te maken, en daarom ook extra kritisch door anderen zou worden beoordeeld. Vooral in het begin is het een harde leerschool geweest. Alles aan mij leek wel een sta-in-de-weg voor wat ik wilde bereiken. Behalve dat ik klein was bezat ik nog andere kenmerken die niet in mijn voordeel waren. Ik had een uitheemse Kaukasische kop met een kanjer van een neus, een stem die niet aan de mode van die tijd voldeed. Voorts had ik een naam die de Fransen maar moeilijk in de oren klonk en die dus ook voortdurend verkeerd werd gespeld. Allemaal zaken die het er voor een beginnend artiest die naamsbekendheid probeert te verwerven niet makkelijker op maken. De twijfel, de ontmoediging, het gevoel niet begrepen te worden of niet de kans te krijgen die ik verdiende, hebben me vaker verslagen dan ik wilde. Zaaleigenaren verklaarden me voor gek dat ik ben doorgegaan. Ik heb fluitconcerten over me heen gekregen. Er zijn bierflesjes naar me gegooid, er is met geld naar me gesmeten om me te doen ophouden met zingen. Over mijn stem deden de wildste geruchten de ronde. Bruno Coquatrix, de directeur van de Olympia in Parijs, vermoedde dat ik keelkanker had. Gelukkig heb ik me nergens iets van aangetrokken. Ik ben gehard te voorschijn gekomen uit de strijd. Men zegt wel: karakter is bestemming. In dat opzicht zijn mijn moeilijke en magere jaren (‹ces premières années de vaches maigres›) geen vloek voor me geweest. Want ze hebben ervoor gezorgd dat ik er nu, als tachtigjarige, nog altijd sta. Je suis toujours la, en haut de l’affiche. Ik heb afgelopen jaar een nieuw album uitgebracht, en van de zomer begin ik aan een tournee door Canada en de Verenigde Staten.»

Bent u trots op wat u in uw leven hebt bereikt?

«Ja en nee. Ik ben een fier mens met een sterk gevoel voor eigenwaarde. Maar ik ben ook erg veeleisend voor mezelf. Ik ben eigenlijk nooit echt helemaal tevreden over wat ik doe. Er is altijd wel iets wat me niet bevalt, en waarin ik naar mijn eigen maatstaven tekortschiet. Ik heb het gevoel dat elk lied, elke uitvoering, elk album, altijd nog beter kan klinken. Of anders aangepakt moet worden. Ik blijf mijn liederen eindeloos arrangeren zoals u weet, en geen enkele versie is volmaakt. Ik ben misschien ijdel, maar ik zal nooit wegzinken in voldoening om wat ik gepresteerd heb. Het nadeel is dat ik wat nukkig of chagrijnig kan overkomen. Het voordeel is dat de machinerie nooit stilvalt.

In mijn geval zou ik, als ik op mijn lauweren ging rusten, al gauw creperen van verveling. Ulla (Aznavours Zweedse vrouw Ulla Thursell – svd) zou me beslist het huis uit jagen. Ik ben nu al niet te doen als ik een tijdje niet meer heb opgetreden.»

U zit nu ruim zestig jaar in het vak, en hebt zo’n duizend liederen op uw naam staan. Heeft u het gevoel dat uw chansons in de loop van de decennia in een bepaalde richting zijn geëvolueerd? Tussen ‹Au creux de mon epaule› uit 1950 en ‹Mon ami, mon Judas› uit 1980 schuilt een wereld van verschil in melodische, ritmische en tekstuele complexiteit.

«Ik denk eerlijk gezegd dat de muziek niet het cruciale element is in mijn artistieke werk. Ik gebruik de muziek als vehikel voor mijn teksten. Zoals ik ook mijn stem gebruik. Maar eigenlijk zijn het mijn verzen die moeten zingen, dat is de uitdaging waaraan ik elke keer weer opnieuw probeer te voldoen. Natuurlijk genereren gedichten of liedteksten vanuit zichzelf ook muziek, via het metrum, de herhaling, het rijm, de klank van de woorden et cetera. Het is dus logisch dat ik passende melo dieën en muziek bij mijn verzen pleeg te bedenken. Een componist in de klassieke betekenis van het woord ben ik zeker niet. Het gaat mij om het lied in de uitvoering, niet om de partituur. Irving Berlin was ook zo iemand als ik, die vooral liederen schreef. In tegenstelling tot Gershwin, die de wereld verbaasde met de complexiteit van zijn partituren, zoals bijvoorbeeld An American in Paris. Voor het publiek is dit alles niet van belang, want of een chanson nu vanuit de tekst of de partituur tot stand is gebracht, het resultaat is hetzelfde.»

U heeft nooit een geheim gemaakt van uw Armeense afkomst; in 1988 heeft u een stichting opgericht, Aznavour pour l’Armenie, die humanitair werk verricht in de door armoede, oorlog en aardbevingen getroffen regio. Ook heeft u zich openlijk solidair verklaard met de Armeense voorhoede die strijdt om erkenning door het Franse en Europese Parlement van de genocide uit 1915 en 1916. In Armenië wordt u daarom op handen gedragen, u geldt als een icoon van de Armeense diaspora, en vorig jaar is in Jerevan zelfs een standbeeld voor u opgericht. Voelt u zich inmiddels meer Armeniër dan Fransman?

Charles Aznavour: «Ik ben een Fransman van Armeense origine. En dus voel ik me zowel het een als het ander. Ik ben van top tot teen Fransman, ik spreek en denk en eet Frans. Maar van huis uit ben ik Armeens, mijn vader was het, mijn moeder, mijn grootouders. Dat ik me inzet voor de erkenning van de genocide is logisch, want ik ben opgegroeid in de schaduw van die tragedie, waarbij de hele familie van mijn moeder is uitgemoord maar waar thuis nooit direct over werd gepraat. Ik denk dat atrapiden en hun kinderen, mensen die uit hun vaderland zijn gevlucht, altijd sterk verbonden blijven met hun land en cultuur van herkomst. We dragen een wonde met ons mee. Men heeft ons moedwillig weggerukt van onze bakermat, en wel twee maal. Eén keer tijdens de genocide in 1915, en vervolgens tijdens de sovjetperiode. Ik vind het belangrijk om sterke banden te houden met de cultuur en taal van mijn ouders en voorouders, om dat niet verloren te laten gaan.»

Turkije ontkent nog altijd dat zij voor de genocide op de Armeniërs verantwoordelijk is. Vindt u dat de EU de Turken hierop zou moeten aanspreken? En hoe staat u tegenover de wens van uw president om Turkije lid te laten worden van de Europese Unie?

«Ik wil geen gezworen vijand zijn van het Turkse volk, mijn droom is juist alsnog eens het geboorteland van mijn moeder te bezoeken, maar… maar… maar… Voorlopig kan daar geen sprake van zijn. De Turken zijn duidelijk nog altijd niet met hun imperialistische en nationalistische verleden in het reine gekomen, zoals de Duitsers dat wél is gelukt na de oorlog. Militaire en politieke massamoordenaars als Enver en Talat van de Jonge Turken, die samen met Djamal Pacha deel uitmaakten van het triumviraat van 1913, die de uitroeiing van de Armeniërs op hun geweten hebben, worden in Turkije nog altijd gezien als nationale helden die grootse daden hebben verricht. Kunt u zich voorstellen dat er in het Duitsland van vandaag nog esplanades of scholen zouden worden vernoemd naar Adolf Eichmann of Joseph Goebbels?»

En wat betreft het standpunt van Chirac?

«Ik heb daar inderdaad gemengde gevoelens over. Wat me niet bevalt is dat de president iedere kritiek op Turkije als niet opportuun bestempelt. Chirac is als de dood dat de Franse kiezers het referendum in mei over de Europese grondwet wel eens zouden kunnen misbruiken om hun afkeuring uit te spreken over het toetreden van Turkije tot de EU. Ik weet wel dat la raison d’etat in de politiek zwaarder weegt dan de grieven van deze of gene bevolkingsgroep, maar niemand kan de moord op anderhalf miljoen mensen als een bagatel van tafel vegen. Als Frans burger kan ik begrip hebben voor de toenaderingen tot Turkije, maar waarom de erkenning van de genocide niet evengoed een voorwaarde voor toetreding laten zijn als bijvoorbeeld de erkenning door Ankara van Cyprus?»

In 2002 speelde u de hoofdrol in de speelfilm ‹Ararat› van de Canadees/Armeense cineast Atom Egoyan. U vertolkte het personage Edouard Saroyan, een cineast die probeert een film te maken over de sporen die de Turkse genocide in het heden heeft nagelaten. Uw personage is een politieke activist die een granaatappel meeneemt overal waar hij gaat, en er iedere dag op theatrale wijze een zaadje uitpulkt ter herinnering aan de talloze volksgenoten die zijn afgeslacht of uitgehongerd. Was dit uw idee?

«Het gaat om een cinemarol. De radicale regisseur van Armeense afkomst die ik speel in de film lijkt niet op de persoon die ik in werkelijkheid ben. Ik ben geen politieke activist, en ook niet radicaal. Veeleer gematigd. Ik reken op de dialoog en niet op de harde confrontatie of de doelbewuste provocatie om een erkenning van de genocide door Turkije te bewerkstelligen. Turkije heeft daar alles bij te winnen. De jongere generatie kan de morele plicht om de feiten te erkennen niet eeuwig voor zich uit blijven schuiven. Eens zal ze met haar verleden in het reine moeten komen. Mijn hoop is niet op de oudere generaties gericht. Maar misschien dat de jeugd de moed zal hebben om het revisionistische beeld van de Turkse geschiedenis te corrigeren. En zich te distan tiëren van de misdaden die de oude machthebbers op hun geweten hebben. Zoals ook veel jeugdigen in Frankrijk zich openlijk distantiëren van het racisme van Le Pen en het Front National en soms ook van hun eigen ouders. Het is hoopvol dat zo veel jeugdigen de moeite nemen zich zo duidelijk tegen het virus van het ressentiment en de vreemdelingenhaat te weer te stellen. Het is hoopvol dat ze beseffen hoezeer het gebinte van de Franse maatschappij wordt aangetast door al die angst- en haatgevoelens waar mensen zich aan overgeven.»

De rol van diplomaat voor de Armeense zaak ligt u goed. Ziet u het zelf ook als een roeping?

«Het is een rol die ik nooit specifiek heb geambieerd, maar die mij vanwege mijn bekendheid in mijn schoenen is geschoven. Bij mij thuis praatte men nooit over de genocide, we spraken alleen wel eens over de martelaren. In vage termen. Ik vernam van de genocide via de tranen van mijn moeder, die haar hele familie in de slachtingen is kwijtgeraakt. Toen ik enigszins bekend begon te raken, een naam verwierf als artiest en acteur, begonnen steeds meer mensen, en niet alleen Armeniërs, mij artikelen toe te sturen, getuigenissen, teksten, een gedicht van Max Jacob over de genocide. En nog steeds sturen mensen van over de hele wereld mij artikelen toe die op de volkerenmoord betrekking hebben. Ik ben een soort van aanspreekpunt geworden.»

Is de onmiskenbare melancholie in zovele van uw chansons ook terug te voeren op uw Armeense achtergrond? Wie de Armeense muziek een beetje kent, van Komitas tot Djivan Gasparijan, wordt direct getroffen door de onderliggende triestheid.

«Mijn chansons gaan uiteindelijk altijd over wat de tijd met iemands leven doet. Hoe hij of zij zich teweerstelt of niet, en over de pogingen van mensen om ondanks alle miserie toch te profiteren van het leven. Ze gaan ook over de spijt die resteert als de dingen voorbijgaan. Vandaar die melancholie in zoveel nummers. Toch hoop ik ergens dat de tijd mij in essentie niet veranderd heeft. Dat ik ondanks alle succes, en ondanks alle jaren, toch nog voldoende trouw ben gebleven aan mezelf. Het is daarom ook dat ik geregeld oude interviews met journalisten teruglees. Ik wil weten wat ik destijds heb gezegd. Ik wil niet dat de man die ik nu ben, verzaakt aan de man die ik vroeger was.»

Wat is de invloed die Edith Piaf op uw eigen professionele carrière heeft gehad?

Charles Aznavour: «Nou, haar invloed op mij was gigantisch. Voor mij heeft ze enorm veel betekend. Ik heb acht jaar lang in de entourage van Piaf doorgebracht, ben haar overal trouw mee naartoe gevolgd, en haar vriend gebleven tot het einde van haar leven. Voor een jonge zanger en tekstdichter zoals ik was het een fantastische gelegenheid om haar iedere avond te zien optreden. Ik hielp met de instellingen van het licht, het testen van de microfoon, alles. Ik was niet echt haar privé-secretaris, maar wel een bevriende jongeling die haar hielp haar zaken waar te nemen. Edith Piaf heeft me helpen inzien dat ik op ieder podium mezelf moet proberen te blijven, dat ik tijdens het zingen niet moet pretenderen een ander te zijn dan ik in werkelijkheid ben. Dat ik gewoon mezelf moet zijn en moet blijven. Natuurlijk voer je een act op als je voor het voetlicht treedt, in een zaal met publiek. Maar door Piaf heb ik tenminste geleerd me vrij te voelen op een podium, zoals ook zij zich duidelijk vrijer en na tuurlijker dan andere vakgenoten op de bühne uit kon drukken. Van haar heb ik geleerd dat ik niet moest proberen iemand anders te imiteren, maar mijn eigen persoonlijkheid zonder schroom of mani erisme tot uitdrukking diende te brengen.»

Is uw liefde voor het vak na al die jaren, al die albums en al die tournees verminderd of veranderd?

«Het is en blijft een magnifiek beroep, zanger zijn, maar ook erg lastig omdat je er zo verdomd alleen voor staat. Je gaat moederziel alleen het podium op, en je komt na afloop van het concert altijd weer terecht in een kil zwart gat waarin je aan je eigen demonen bent overgeleverd. Een zanger moet een soort evenwichtskunstenaar zijn die te allen tijde zijn présence weet te bewaren, die zich nooit van zijn stuk laat brengen, nooit struikelt, en wiens stem nimmer faalt. Je staat constant onder druk, je succes wordt van dag tot dag op de hitparades gepeild en kritisch gemeten en vergeleken, en een hele equipe van belanghebbenden is voortdurend bezig om op allerlei suggestieve manieren je succes van gisteren te rekken tot morgen of overmorgen. Cinema is wat dat betreft een veel socialer beroep: je werkt een hele tijd hecht samen in een groot team dat lief en leed met je deelt.»

Heeft uw leeftijd uw houding ten opzichte van de dood veranderd?

«Als immigrantenzoon ben ik groot gebracht met het besef dat ook de dood deel uitmaakt van het leven; ik ben blij dat ik nog leef, maar de dood jaagt me op zich geen schrik meer aan. Ze is iets natuurlijks en organisch geworden, een beetje als een ver familielid die je kent van de verhalen en waarvan je weet dat ze bestaat, ook al heb jij haar nog niet ontmoet. Ik praat erover, en maak er grapjes over. Ik werp wel af en toe een blik over mijn schouder, en probeer dan het pad te zien dat ik tot heden heb afgelegd, het geluk te vatten dat ik ondanks alles in dit leven deelachtig ben geworden. De laatste jaren heb ik geleerd om minder aan bepaalde dingen en mensen te hechten, om afstand te nemen van de zaken die me vroeger volledig in beslag namen. Ik lees minder kranten en tijdschriften, kijk minder naar de televisie. Alleen de radio blijft me echt bekoren, vooral de praatprogramma’s, raar genoeg. Weet u, hoewel ik verschillende malen de wereld rond ben gereisd met mijn optredens heb ik nog altijd het gevoel dat ik maar een fractie van deze planeet heb gezien. Ik ben nu tachtig, toch voel ik me niet oud of bejaard. Ik heb behoorlijk wat ringen verzameld rond de stam, dat is alles. De bast is uitgedijd, de boom is dezelfde. Klein maar fier, hij staat er nog. Dat is het belangrijkste. De rug recht, de kruin omhoog. De levenslust is nog dezelfde als toen ik aan de voet van de berg stond. Ik weet niet of het enkel mijn verdienste is, maar een feit is het wel: de Charles in deze kleine meneer Aznavour is intact gebleven.

Naar de dood verlang ik niet, maar als hij komt zal ik hem hoffelijk bejegenen. Voorlopig heb ik hem met een stille grijns op afstand weten te houden. Ik sidder niet meer bij de gedachte dat ik er morgen wellicht niet meer zal zijn. The readiness is all, schrijft Shakespeare in Hamlet. Maar bedoelde hij bereid zijn of paraat zijn? Paraat ben ik wel, maar er is me nog te veel dierbaar om de handdoek zomaar in de ring te gooien. Waarom zou ik het Magere Hein zo gemakkelijk maken? Als hij me per se wil hebben, moet hij er wel wat moeite voor doen. Un homme debout ne se couche que pour mourir heeft mijn collega Leo Ferré eens gezegd. Wel, u kunt schrijven dat deze kleine oude meneer zich nog steeds niet te rusten heeft gelegd. Dat hij nog steeds weet hoe hij recht moet staan. En dat het voor hem weliswaar laat is geworden, maar nog steeds geen bedtijd is.»

Charles Aznavour geeft aan dat het wat hem betreft genoeg is geweest, en steekt als af scheid zijn hand naar me uit.