Ruggegraat

De structuur van het witte tafellaken kruipt nagenoeg in een zelfde korrel de gepleisterde muur op. Hier en daar overgaand in dofwit gelakt kozijn en deur, waar op meerdere toonhoogten sappige geluiden doorheen klinken, die toegang geeft tot de keuken.

Wit is de zwaarste tint hier. Maar zou geen aanspraak mogen maken op zo'n vertoon als daar niet nog, snel gerekend, tweeentwintig elementen waren die zich daarin ongepast voornaam overeind houden. Stoelen die zich dames wanen. Stijve rugjes, spinnerige poten. Een bolle zitting in dezelfde fratsen gedessineerd als het lapje stof om tegen aan te leunen. Het spekgladde wit tegenover de uit louter uitsteeksels bestaande hulpstukken. Alweer iets wat enigszins gedroomd overkomt.
Terug naar law & order. Nummer 91 belooft veel, zo niet alles. De beschrijving lezend denk je uit de kiebelton te moeten snoepen. In nog beter dagen dan deze, onmisbaar meubel in de restaurantkeuken. Waar alles in ging wat de klant, die toen nog niet eens de last van ‘gast’ had te dragen, op zijn bord liet liggen. Wat hij niet lustte of wat bij nette mensen hoort over te blijven. Harnas van garnaal en ruggegraat van vis. Ellepijp van Thompson’s gazelle, wishbone van de Grote beflijster.
Allemaal naar de varkens. Die maken daar het beste spek van. Een seconde na de bestelling begint het achter de deur alweer te sissen. Voordat je de gelegenheid kan grijpen om je gedachten tegen iets anders aan overeind te zetten is hij al weer terug met een metalen nap vol varia. Waarvan het meeste gelukkig ook uit buurt- en nabijwit bestaat.
Wat drijft daar? Het is van inktvis en garnaal, visbiscuit en varkensbonbon, kachelhoutjes van promenadewit, loof van paksoi en rokken van winterui. Zo wit als de vuile was. Aan alle zijden in blank en anoniem glad sap gedoopt. Mocht er iets teveel Ve-tsin in zitten, zal ik straks weer van een obscure Franse hond dromen. Steevast kwaad en dreigend. Een bijtende poedel die alleen met grote moeite valt af te schudden.