Ruigoord

Toen Michiel Louter mij vroeg voor een interview met enkele andere Ruigoorders, wilde ik daar niet aan meewerken. In een kleine samenleving bestaan uiteraard verschillende en soms tegengestelde opvattingen. Voor ons is dat geen probleem, wij leven daar al vijfentwintig jaar mee. In onze bedreigde situatie leek het mij echter weinig zinvol daar uitgebreid op in te gaan.

‘Wat zijn dat dan voor verschillen?’ vroeg Louter terloops. Ik meende dat een verslaggever van De Groene te goeder trouw zou zijn en legde uit dat een van de betrokkenen mij onlangs op stang had gejaagd met opmerkingen als: 'Als ze die haven gaan graven neem ik een baan als graver.’ Dit gesprekje tussen Louter en mij duurde niet langer dan enkele minuten. Verder heb ik de man niet gesproken.
Tot mijn verbijstering heeft hij deze vertrouwelijke mededeling tot de kern van zijn artikel 'Requiem voor Ruigoord’ gemaakt (De Groene van 9 juli). Daarin doet hij het voorkomen alsof ik uitgebreid met hem heb zitten leuteren en legt hij mij een groot aantal uitspraken in de mond die ik nooit heb gedaan. Zo zou de betreffende bewoner illegaal varkens fokken en zouden die 'boeren’ parasieten zijn die hier niet thuishoren. Zijn leugens doen aan een hetze denken. Ik draag geen 'palestijnenshawl’, ben twee maanden geleden met hasjroken gestopt en stook ’s zomers geen houtkachel. Hij is nooit bij mij thuis geweest.
Een paar dagen later trof Louter mij toevallig aan bij de tent van een vriendin met privéproblemen die niemand iets aangaan. Ik heb hem daar weggestuurd, maar hij bleef rondhangen. Louter schildert vervolgens een gefingeerd tafereel waarin ik iets stotter over Belgische heksen en er een huilend meisje de tent uit rent. Dit soort fantasieën verwacht je niet in De Groene. De woorden die hij mij in de mond legt, zijn doortrapter dan leugens omdat ze lijken op iets wat ik gezegd zou kunnen hebben. Mijn vriendenkring dacht dan ook dat ik gek was geworden, omdat deze 'uitspraken’ zeer schadelijk zijn voor onze zaak.
Op straat zei Louter tegen mij dat hij een 'ander soort stuk’ over Ruigoord wilde schrijven. Kennelijk was deze journalist hier gekomen met het vooropgezette idee de 'mythe van Ruigoord’ door te prikken. Hij heeft het over junkies, misdadigers en 'een strijd tussen hippies en boeren’. Toen die strijd niet bleek te bestaan, heeft hij dat conflict geconstrueerd. Daarvoor heeft hij gebruik gemaakt van oude interviews en artikelen uit allerlei bladen om het beeld te scheppen van een Ruigoord dat ten onder gaat aan innerlijke conflicten.
Zelfs al zou ik ruzie hebben met de door Louter met name genoemde medebewoner, wat niet zo is, dan nog blijkt uit uitspraken van anderen dat er in Ruigoord geen problemen zijn. Van de anderen hoorde ik dat hij het gesprek steeds weer in de richting van 'het conflict’ probeerde te sturen, maar bot ving. Er spelen geen conflicten tussen de bewoners, zeker geen conflicten die het voortbestaan van ons dorpje bedreigen, zoals de tendentieuze kop boven het artikel suggereert. De dorpsbewoner met wie ik ruzie zou hebben, reageerde na het lezen van het artikel met de uitspraak dat deze journalist hem niet voor de voeten moet lopen, omdat hij hem dan een kopje kleiner zal maken.
Buitengewoon pijnlijk vind ik dat Louter zonder mijn toestemming een ongepubliceerd, verkeerd geciteerd gedicht van mij afdrukt. Ik ervaar deze haatzaaiende journalistiek dan ook als een dolkstoot in de rug. Ruigoord, HANS PLOMP