Arjen Duinker

Ruimten rondom

In Vrij Nederland van 21 oktober las ik een interview met Marcel Möring. Met een van de passages (blz. 28) in het achterhoofd ging ik vervolgens naar buiten zitten kijken: «Ik was voor een boekenbeurs met Connie Palmen in Edinburgh. We zaten te praten aan het ontbijt en ze zei onomwonden: ‹Ik praat niet met mensen die niet intelligent zijn.› Ik was zó opgelucht. Dacht: waarom handel ik daar eigenlijk ook niet naar? Mensen met een gemiddelde intelligentie die een baan hebben bij een bank, die niet lezen, geen kennis hebben van de meest elementaire natuurkunde, aan elkaar hangen van de kantooropmerkingen, mijn hekel daaraan gaat zó ver dat ze voor mijn voeten op straat dood neer kunnen vallen en dat het me geen zier doet.»

Na een tijdje keek ik niet meer naar buiten. Ik zat op een stoel en keek naar het zeil van mijn kamer. Van het zeil gingen mijn ogen naar een rolletje plakband, toen naar een vel postzegels van tachtig cent, toen naar een geschenk van de opticien, het «Ogenblikje», vandaar naar een stapel bankafschriften. En verder keek ik, naar een lichtschakelaar, een stopcontact, een vrolijk glas, een batterij, een paar veters, een al geadresseerde envelop.

Ik vroeg me niet af of ik intelligent was, ik vroeg me niet af hoe Marcel Möring mij zou karakteriseren, vroeg me niet af of ik iets wist van elementaire natuurkunde enz. Ik vroeg me niet af hoe de geciteerde passage uit het interview met Möring het kijken had beïnvloed of zou beïnvloeden. Ik zag een boekje van Georges Perec liggen, Ruimten rondom, dat ik erg mooi vind. Ik bladerde erin en las dit stukje: «In beginsel is het altijd mogelijk van de ene kant van de straat naar de andere te gaan, door beschermde voetgangersoversteekplaatsen te gebruiken die automobilisten niet dan met uiterste oplettendheid mogen passeren. De aanwezigheid van zulke oversteekplaatsen wordt op tweeërlei wijze aangegeven, hetzij door twee parallelle, loodrecht op de as van de straat geplaatste rijen metalen spijkerkoppen, met elk een diameter van ongeveer twaalf centimeter (de oversteekplaatsen heten dan ‹suggestiestroken›), hetzij door brede strepen witte verf die evenwijdig aan de as van de straat en over de hele breedte van het wegdek zijn aangebracht (de oversteekplaatsen heten dan ‹zebrapaden›). Dit systeem van met nagels of witte strepen gemarkeerde voetgangersoversteekplaatsen lijkt tegenwoordig niet meer zo doeltreffend als het waarschijnlijk eens was, en vaak is het nodig het aan te vullen met een systeem van verkeerslichten in drie kleuren (rood, oranje en groen) dat, nu het zich alom heeft verbreid, ongehoord complexe synchronisatieproblemen in het leven heeft geroepen, aan de oplossing waarvan onafgebroken wordt gewerkt door computers die tot de krachtigste ter wereld behoren en door wiskundigen die worden beschouwd als de meest briljante geesten van onze tijd.» Ik zette de televisie aan, zocht de uitslagen van het WK rugby league, en zag dat Tonga met 66-18 van Zuid-Afrika had gewonnen. Daarna zag ik mijn kantoor als een ruimte.