Buitenland

Ruïneland

Vraag: wat moeten westerse landen met een kapotgeschoten land waar een vreselijk regime zit, waar nog oorlog is, waarvan de burgers hierheen gevlucht zijn, en waar honderden miljarden euro’s aan opruim- en bouwopdrachten liggen, en tal van economische concessies? Dat is geen hypothetische kwestie. Al deze zaken mengen zich op een onfrisse wijze in de nieuwe diplomatieke fase waar de oorlog in Syrië in is beland. De diplomatie van de oorlog is voorbij: daarin hebben westerse landen jarenlang gezwalkt, hebben Turkije en Saoedi-Arabië verloren, en hebben Rusland en Iran aan het langste eind getrokken. Nu begint een nieuw hoofdstuk, dat we de diplomatie van de wederopbouw kunnen noemen. Met dezelfde pijnlijke vragen voor Nederland en andere westerse landen – over het aanblijven van Assad, over immigranten, over de burgers van Syrië zelf. En ook over de cynische vraag: wie profiteert?

Precies een jaar geleden veroverde het Syrische regeringsleger Aleppo, voor de oorlog de grootste stad van Syrië. Daarmee werd ook het hart uit de Syrische opstand gerukt. Sindsdien proberen Assads regime en zijn vrienden op het wereldtoneel de indruk te wekken dat de oorlog voorbij is, en de wereld voorbij de oorlog te laten kijken. Dat is wat voorbarig, want veel strijdgroepen (en ook IS) zijn nog lang niet definitief verslagen, en officieel eisen westerse landen nog steeds het vertrek van president Assad.

Achter de schermen zijn de zaken echter aan het schuiven. Vorige week werd er bijvoorbeeld weer in Genève onderhandeld over de toekomst van Syrië. Niet meer op de agenda: Assads vertrek. Een paar weken eerder stapten acht onderhandelaars van de Syrische oppositie op, omdat er naar hun zeggen ‘grote druk’ op hen werd uitgeoefend om compromissen te sluiten. Want de wereld kijkt nu naar andere vragen dan Assads toekomst. Het nieuwe item: het opruimen en opbouwen van Syrië, en de economie van het land daarna.

Duidelijk is wie de opbouw niet gaat betalen: Syrië

Er is werk genoeg. De helft van alle stedelijke gebieden in Syrië is volgens ngo Pax zwaar beschadigd, de Wereldbank denkt dat een vijfde van alle Syrische huizen onbewoonbaar is, volgens de VN is een derde van alle scholen geraakt en functioneert minder dan de helft van alle medische centra nog. Hoogopgeleide Syriërs zijn vaak weg. En alle industrie en bedrijvigheid was een doelwit voor vernietiging of smokkel. Alleen al wat puinruimen betreft levert dat ongelooflijk veel werk op. Grote delen van Syrische steden zijn bedekt met miljoenen tonnen ‘conflictrommel’: een mengeling van puin, afval, metaal, maar ook explosieven en chemicaliën. Spul dat een mogelijke bron van inkomsten is, maar ook soms levensgevaarlijk en giftig, met name in industriegebieden. Raqqa en andere steden liggen vol mijnen. Nog een veel grotere klus is het opbouwen van alles wat nu kapot is, en het creëren van een infrastructuur voor de naoorlogse economie. De Zweedse Italiaan Staffan de Mistura, de VN-gezant in Syrië, schat dat alles bij elkaar het zeker in de richting van 250 miljard euro gaat.

Het is niet duidelijk wie dat gaat betalen, wel wie het níet gaat betalen: het Syrische regime, zelf verantwoordelijk voor de meeste vernietiging. Want dat regime zit diep in de schulden, heeft nauwelijks inkomsten en heeft overvloedig aangetoond dat het niets om het lot van de eigen burgers geeft. Dat creëert een probleem voor andere landen: als zij niets doen aan het puin en de wederopbouw laten zij de Syrische bevolking ermee zitten. Doen zij het wel, dan helpen zij daarmee ook het regime van Assad.

Maar er speelt ook eigenbelang. Als Syrië herbouwd wordt, en er komen weer woningen en banen, kunnen ook de vluchtelingen terug die zo’n weerslag hebben in de Europese politiek.

Ten slotte heeft de regering-Assad geen geld, maar wel een maagdelijk economisch veld om vrij te geven. In 2016 nam het regime een reconstructiemodel aan waarin de socialistische elementen in het vorige staatsmodel werden vervangen voor – u raadt het al – liberalisering en privatiseringen. De eerste deals zijn al beklonken, met de vrienden van het regime: een mega-order aan Russische bedrijven voor een miljard euro, met Chinese bedrijven voor twee miljard. Bedragen waardoor westerse landen al snel ‘realistisch’ tegen de zaak aan willen kijken.