BABYLON: MYTHE EN WERKELIJKHEID

Ruïnes van hoogmoed

Op de tentoonstelling Babylon: Myth and Reality in het British Museum is te zien hoe de reputatie van het vergane Babylon als stad van vermaan en verleiding doorwoekert.

‘KOM AAN’, zeiden zij, ‘laat ons voor ons eene nieuwe stad bouwen en eenen toren, welks opperste in den hemel zij; en laat ons een naam voor ons maken, opdat wij niet misschien over de gansche aarde verstrooid worden.’ Die stad werd ‘Babylon’ en de toren die van ‘Babel’, althans in het spraakgebruik dat zich vele eeuwen nadien nog van hun overgeërfde reputaties bedient. De spraakverwarring der veeltaligheid, die er volgens de oudtestamentische overlevering begon, ligt kennelijk al opgetast in hun fundamenten, ja, in de blauwdrukken. Men bouwde een stad en een toren om zichzelf van een naam te voorzien. Als de ware taal van Europa, naar de boutade van Umberto Eco, de vertaling is, dan ontsprong de geest van Europa in wat heden ten dage Irak is. Babel, de kribbe van de tolkencabine, dat symbool van Europa’s rijkdom en onmacht.
Het plan was nog ambitieuzer dan een bouwplan: bouw en naamgeving, zij gingen blijkbaar gelijk op en hadden hetzelfde oogmerk, namelijk een centrum aanbrengen, een referentiepunt. ‘Babel’ (Hebreeuws, Oude Testament) alias ‘Babylon’ (Grieks, Nieuwe Testament), het werd het embleem van ambitie die tot hoogmoed opzwelt en het dientengevolge af moet leggen: er zijn passages in het eerste bijbelboek, Genesis, die minder verbluffend een millennium of wat op de gebeurtenissen vooruit lopen.
‘En de ganse aarde was van eenerlei spraak en eenerlei woorden’, begint Mozes, de mythische auteur van de eerste vijf bijbelboeken, zijn verslag van de stedenbouwkundige plannen en de daar onvermijdelijk uit voortkomende narigheid te Babel. Eén taal en een gemeenschappelijk idioom, dat lijkt toch al verduiveld veel op de strekking van Thomas Friedmans ode aan de globalisering van drie jaar terug, The World is Flat.

Het is knap lastig om na de gebeurtenissen van 11 september 2001 bij lezing van het verhaal niet onmiddellijk aan die twee andere torens te denken, in elk geval aan de appreciatie die Mohammed Atta en zijn kornuiten dienaangaande koesterden. ‘Kom aan, laat ons nedervaren, en laat ons hunne spraak aldaar verwarren, opdat een ieglijk de spraak zijns naasten niet hoore.’
Had nou niet één van die talrijke Amerikaanse televangelists even de moeite kunnen nemen daar tijdig op te attenderen? De spraakverwarring van toentertijd heet inmiddels clash of civilizations en horen kunnen partijen elkaar inderdaad niet meer, laat staan verstaan. Daar is de precieze formulering nog een kwestie van vertalerslef – terwijl dat ‘nedervaren’ toch tamelijk accuraat gebleken is. Bij Babel, dat wil zeggen: bij de hoogmoed die mensen ertoe verleidt niet enkel sociaal te willen stijgen, begint de bestraffing. ‘Daarom benoemde men haren naam Babel, want aldaar verwarde de Heere de spraak der gansche aarde, en vandaar verstrooide ze de Heere over de gansche aarde.’ Het is intrigerend dat Mozes hier stelt dat die naam pas achteraf aan de stad van de toren werd toegekend. Hij suggereert dat die naamgeving de bevestiging van het onheil is dat daar geschied was, alsof de plaats voorafging aan de naam en het die naam was die van de plek een lieu de mémoire moest maken.
Dat is dan in elk geval wél gelukt, want een pleisterplaats voor de herinnering in de grote culturen die erop volgden, de joodse, de Griekse, de Europese, is Babel, Babylon, beslist geworden. Op de tentoonstelling die onlangs in het British Museum in Londen open ging – zij was eerder in licht afwijkende vorm in Berlijn en Parijs te zien – en die nu eens terecht de wat slome ondertitel Myth and Reality draagt, is te zien hoe de stad, ruïnes van de toren incluis, mettertijd onder het zand verdween, maar haar reputatie van vermaan en verleiding tegelijkertijd bleef doorwoekeren.
Ontegenzeggelijk is het Oude Testament lange tijd de opvallendste antieke bron geweest voor enkele saillante momenten uit de Babylonische geschiedenis. Behalve het verhaal over die halverwege spaak gelopen torenbouw zijn er de verwijzingen naar de Babylonische ballingschap van het joodse volk, de lotgevallen van de profeet en schrijver Daniël (leeuwenkuil, vrienden ongedeerd in het vuur, droomuitleg; eigen bijbelboek), de tragische val en de psychopathische razernij van koning Nebukadnezar (gras eten, on all fours; verscheidene auteurs) en het hopeloos verlopende diner van koning Belsazar (schrifttekens op de muur, mene, mene, tekel, ufarsin; wederom Daniël). Daar heeft het Nieuwe Testament nog talrijke verwijzingen naar ‘de hoer van Babylon’ aan toegevoegd (Openbaringen), maar dan is het zinnebeeldige karakter van de belevenissen van de Babyloniërs al een feit. ‘De hoer van Babylon’ is een symbool, geen op halfuurbasis betaalde sekswerkster.
Had het bestaan en, zo ja, was daar nog wat van terug te vinden, tussen de Eufraat en de Tigris? Vanaf de Renaissance inspireert die vraag een aanzwellende stoet reizigers om een kilometer of tachtig bezuiden het huidige Bagdad poolshoogte te nemen. Zowel Herodotus, de historicus, als Ctesias, een arts wiens wederwaardigheden aan het hof van de Koning van Perzië door Diodorus geboekstaafd waren, bood in de verslagen van wat te Babel was voorgevallen steun aan de bijbelverhalen. Herodotus suggereert dat hij er zelf geweest is, vijfde eeuw voor Christus, Ctesias geeft zedenschetsen. Beiden verhalen van de legendarische koningin Semiramis en berichten van de hangende tuinen die ze aanmerken als een der zeven wereldwonderen.
Daar hebben opeenvolgende generaties avonturiers en archeologen overigens nog geen dor blad van teruggevonden, al heeft er op de site van Babylon tot 1875 een wonderlijke, vereenzaamde tamarisk gestaan, die door de Britse romanticus Claudius Rich voor laatste overlevende van die hangende tuinen werd gehouden. De schetsen van wat er van de stad zelf restte, de puinhopen van haar toren en haar paleizen, worden, na wat slordige berichten uit de late Middeleeuwen, serieus vanaf het moment dat de Italiaan Pietro della Valle de ruïnes is gaan bezoeken, begin zeventiende eeuw. Hij was ook de eerste die voorzichtig begon te piekeren over wat er op die massieve ondergrond had gestaan, die de dan al rijkelijk bloeiende mythologie is gaan paren aan het traceerbare stadsplan.
En dat was nog niet eenvoudig, want zij hebben uitzonderlijk goed gebouwd, die Babyloniërs – en dat wil terzake de archeologie zeggen: veel achtergelaten. De bijbelschrijver zegt het al, ‘laat ons tichelen maken en wél doorbranden’, redeneerden de Babylonische bouwmeesters. Dat laatste is zo goed gelukt dat talrijke generaties na de val van Babylon het bouwpuin opnieuw hebben gebruikt als bouwmateriaal; zelfs een van de dammen in de Eufraat, in de nieuwste tijd, is er nog van opgetrokken.
Pas als de Deutsche Oriënt-Gesellschaft, gedurende de eerste decennia van de twintigste eeuw, de resten van geglazuurde tegels uit de grond peutert en daar in Berlijn de onvergelijkelijke Ishtar Poort uit reconstrueert, valt er enig licht op de ongekende grootsheid van het antieke Babylon. Die poort is alweer driekwart eeuw in zijn geheel in Berlijn te zien, compleet met oprijlaan. Individuele reliëfs van een leeuw en een fabeldier zijn voor de tentoonstelling naar Londen overgebracht.
De geschiedenis van de archeologie van Babylon, zijn herontdekking en interpretatie, is de geschiedenis van Europa’s worsteling met zichzelf in een prisma gevangen. Zij is verkaveld tussen Britten, Duitsers en Fransen, wat verklaart waarom er musea uit die drie landen nodig waren om de huidige tentoonstelling te maken. En zij oscilleert tussen opgetogen en soms zelfs hysterische verbeeldingskracht enerzijds, en moeizame ontcijfering van talrijke inscripties in spijkerschrift en de reconstructie op basis van een eindeloze verzameling scherven anderzijds.
Midden vorige eeuw had die reconstructie echter het aanzien gekregen dat zij nu heeft: Babel was zo groots als zijn reputatie, de realiteit kon zich meten met de mythe. Daarmee viel een nieuw en dikwijls amusant licht op die eindeloze reeks verbeeldingen, die vooral de beeldende kunst van Babel, zijn toren en zijn hoeren, zijn dromen en zijn hovaardij, had achtergelaten. Want als de mythe realiteit was geweest, wat is dan de status van het vermaan?
Het is heel moeilijk om niet in al die revitaliseringen van de Babel-metaforiek door de tijd heen even zovele commentaren te zien op de tijd waarin zij ontstonden. Uit de vijftiende en zestiende eeuw zijn veel verbeeldingen van de onvoltooide toren overgeleverd. Ik denk dat die van Pieter Brueghel de Oude de bekendste is – taps toelopende toren, met ommegangen, de onvoltooide kruin al in de wolken – maar het thema is dan kennelijk bij uitstek een geliefkoosd motief in de Nederlanden. Zou het met de haarkloverijen van de Reformatie te maken hebben, de spraakverwarring omtrent het enige ware geloof en het verlies van een centrum?
Daar is de late twintigste eeuw het minst dubbelzinnig over. Met het paleis dat Saddam Hoessein op de hoogten bij de archeologische Fundgrube van Babel liet bouwen, plaatste hij zich open en bloot in een traditie die zijn Irak in rechtstreeks verband moest brengen met de machtige wereldrijken van Nebukadnezar en Belsazar. Het gebouw is op zichzelf fantasieloos, maar nauwkeuriger inspectie onthult dat hem vermoedelijk een archeologische reconstructie van een Babylonisch paleis voor ogen moet hebben gestaan. Hij zou zijn dagen in een kelder eindigen, zijn eigen hoofdstad Bagdad evenzeer in puin als Babel.
De hedendaagse Amerikaanse beeldend kunstenares Julee Holcombe is er evenmin ambigu over. Haar fotofantasie Babel Revisited visualiseert wat Mohammed Atta geloofd moet hebben, heel Manhattan op een kluitje gedrongen als een ziggurat, omhoog reikend om het eerste het beste vliegtuig op te vangen. Het is heldere, te heldere beeldtaal, bijna even naïef en moralistisch als de uitgebreide cinematografie van Babylon. Veel Hollywood en dus evenveel uitdrukking van het puriteinse ongemak waarmee de Amerikanen hun eigen weelde hebben gadegeslagen.
Dan is Belsazars feest van onze oer-Hollandse Rembrandt een stuk subtieler. Verbijsterd kijkt hij naar de lettertekens aan de wand, in oudtestamentisch Hebreeuws, de feestkleding aan die wij van veel van Rembrandts schilderijen kennen, de tulband met een kroon erop. Op tafel staat een enscenering van lekkernijen die van een zeventiende-eeuws vanitas-schilderij afkomstig kon zijn. In Babel begint het laaglandse onbehagen met de overvloed, in de verleiding ligt het vermaan besloten.
Daar zou je in Londen graag wat meer over hebben willen leren. Tekende het ijdele idealisme van de jaren zestig van de twintigste eeuw zijn eigen vonnis toen een kunstenaar zijn maatschappelijke illusies Nieuw Babylon noemde? En werd met de stichting van het allerluguberste gebouw van een aan lugubere gebouwen niks te kort komende stad als Den Haag, het nabij het Centraal Station gevestigde Babylon, niet een naargeestig perspectief geleverd op de toekomst van juist die stad? In het perspectief van de traditie van omgang met mythe en werkelijkheid van het oude Babylon is het van duivelse dubbelzinnigheid. In de ogenschijnlijk speelse baldadigheid schemert de hoogmoed.
Michael Lassel schilderde, vlak voor 11 september 2001, een trompe l’oeil waarop de toren bestaat uit een stapel schoenen, bekroond met portretfoto’s. Die schoenen herinner ik mij inderdaad, van de dagen erna. Die foto’s ook.

British Museum, Londen, tot 15 maart