Recensie Elisabeth Maria Post

Ruisende beekjes en kristalheldere rivieren

Mijn landelijke lier. Poëzie en proza van Elisabeth Maria Post,
verzorgd en ingeleid door Bert Paasman.
AUP Amazone-reeks, 172 blz., € 15,50

Een grote naam in de Nederlandse literatuur is Elisabeth Maria Post (1755-1812) nooit geweest, en het zal niet de bedoeling van deze uitgave zijn daar verandering in te brengen. De titel komt mij al niet echt wervend voor en de informatie op de achterflap accentueert vooral het historische karakter van het onderwerp: de eerste bloemlezing in tweehonderd jaar – hoeft niet meteen een aanbeveling te zijn, «kind van de gevoelige Verlichting» – niet het meest courante type Verlichting tegenwoordig, «neemt zij een geheel eigen plaats in» – een uitdrukking die in de praktijk nogal eens opduikt als er sprake is van «interessant, maar». En om eerlijk te zijn kan ik er ook niet echt mee weglopen.
Interessant is Post zeker. Haar leven is al een mooi, beetje droevig verhaal: een meisje van stand (in de inleiding van Paasman wemelt het van de freules), een vader die bankroet gaat (een ramp en een schande) en daarop een jarenlang verblijf in een «somber, oud en verlaten huis» in het gehucht Emminkhuizen, waar het gezin moest zien rond te komen van «landbewerking en huisvlijt» (zouden ze echt helemaal geen meid meer gehad hebben?). Maar na acht jaar volgde rehabilitatie, en materieel was er sindsdien weinig meer aan de hand. Haar romans (Het Land. In brieven, 1788; Reinhart, of Natuur en Godsdienst, 1791-1792) hadden behoorlijk succes en Post kreeg ook erkenning van de literaire incrowd, al kon ze daar, alleen al vanwege het feit dat ze een vrouw was, nooit helemaal bijhoren. Ook trouwde zij, en gelukkig naar het schijnt. Maar de gewenste kinderen kwamen niet en het leven van domineesvrouw ervoer zij, met haar talenten en ambities, toch als een opoffering. Er waren depressies en (astmatische?) «benauwdheden», die uiteindelijk leidden tot een relatief vroege dood. Maar toch ook vriendschappen (zij het misschien niet allemaal zó ideaal als die ze in Het Land had geschetst) en een open oog voor de nagenoeg ongeschonden natuur om haar heen, plus alle gelegenheid om daarvan ook te genieten. En daarbij een misschien niet rotsvast, maar toch onverwoest geloof in Gods goedheid bij de aanblik van alles wat ogenschijnlijk niet in de idylle paste.

Al met al toch niet een geheel ónbenijdenswaardig leven, en zelfs Bert Paasman, die van haar houdt, laat ons een voorzichtig vraagteken zetten bij Posts «in onze ogen misschien wel buitenproportionele» heimwee naar Gelderland (p. 17) als ze haar man is gevolgd naar Noordwijk, «waar maagre duinhelm slechts aan ’t dorre zand ontspruit» (p. 168). Maar het was zo: ze werd ziek daar aan de kust. De stille bossen en ruime heiden wilde ze terug, de ruisende beekjes en kristalheldere rivieren. En zo gebeurde het ook: haar laatste jaren woonde ze opnieuw aan de rand van de Veluwe, in Epe. Minder dan Paasman verbaast het mij dat zij, die zo naar afzondering en contemplatie verlangde, in het dagelijks leven eerder als «kwiek en zelfs enigszins driftig» werd ervaren (p. 13). Ze kreeg het niet cadeau.

Het wordt allemaal mooi verteld in de inleiding. En de bloemlezing die erop volgt stelt niet teleur. Het is inderdaad een ongemeen interessant oeuvre, met vormexperimenten die zeker in de dichtgenootschappen waar Post (honorair) lid van was geen gemeengoed waren: bijzondere metra, rijmloze verzen, prozagedichten. Ook wijst Paasman op het «realisme» van haar natuurimpressies: ze beschrijft, volgens Paasman zelfs als eerste auteur in Nederland, de natuur zoals ze die waarneemt, en niet volgens literaire tradities. Of dat nu altijd tot «realisme» leidt, is misschien een wat academische kwestie: de natuur is (dat zegt Paasman ook) bij Post toch altijd nog heel sterk een afspiegeling van Gods grootheid, bedoeld om de mensenziel te imponeren. En «tortels die klagen en vleiend vragen» enzovoort (p. 158) lijken mij trouwens ook nog behoorlijk traditioneel. Maar zo’n zwaluw die «met volgeladen kropje» vliegt «naar ’t kunstig kleien nestjen», zonder dat daar direct een embleem in wordt gezien, een knorrende bruine zeug, vergezeld door zachtjes meeknorrende blanke biggen (p. 142): dat zijn inderdaad plaatjes waarbij men, mét Paasman, best wel eens aan de Tachtigers wil denken (p. 26).

Maar ja. Wie gaat het verder allemaal lezen? Een gedicht over de sneeuw dat begint met «Gij prachtig luchtverschijnsel» (p. 94) – het is inderdaad opmerkelijk «empirisch» taalgebruik voor een gedicht uit die tijd en er is geen woord van gelogen, maar het lijkt mij toch maar het beste dit soort poëzie bij scholieren en balorige studenten uit de buurt te houden. En dan al die woorden als Stil, Ontzettend, Aaklig – van die instant-poëtische termen waarvan het effect inmiddels toch wel geheel is uitgewerkt. Nee, het is goed dat deze bloemlezing er is – er worden nog altijd veel te weinig van dit soort boeken gemaakt: honderd ervan op een rij nemen niet meer dan één meter kast in beslag en wat heb je dan niet een schat aan materiaal en informatie bij de hand. Maar ik vraag me af hoeveel mensen er nog echt door geraakt worden.

Had Haydn er maar muziek bij geschreven. * Ton van Strien doceert zeventiende-eeuwse letterkunde aan de Vrije Universiteit