Ruitenwisserpamflettiste

Tegen de rand van een stoep zie ik een A4’tje verdrinken. Eén kwart heeft zich al volgezogen uit een regenplas. De rest klappert in de wind, smekend om redding. Mijn aandacht is ook getrokken doordat er een joekel van een rood verkeersbord op is geprint. Ik hurk neer en lees, in comic sans:

Dit is een verkeersbord.

Het betekent: ‘Verboden in te Rijden.’

Moeilijke hè, verkeersregels?

Zeker je rijbewijs op Internet ‘gekocht’ ;)

Iemand moet dit velletje vanmorgen met een diepe zucht onder zijn ruitenwisser vandaan hebben gegrist terwijl, zo stel ik me voor, de afzender stond te loeren door een kier in de gordijnen achter een van de hoger gelegen ramen – vermoedelijk dat met het autozijspiegeltje ernaast.

‘Zie je al wat, Wim?’

‘Sst… Hij komt er net aan.’

‘Wat zal die opkijken!’

‘Snel, doe het licht uit!’

‘Hihi. Wat zal die ópkijken…’

‘Hij staat er nu mee in z’n handen.’

‘Is-tie al bij… bij dat van dat rijbewijs?’

‘Vast wel.’

De man boort zijn fonkelende ogen in mij en vraagt: ‘Of is dit soms jóuw auto?’

‘Had ík bedacht hè?’

De aandoenlijke gewichtigheid van briefjes op straat. Een paar dagen eerder zag ik een handgeschreven vel hangen aan een puincontainer in een chique Haagse laan. ‘Goedemorgen Heren, wanneer had u gedacht deze container te laten ophalen? Wij zouden niets liever willen dan onze auto weer voor de deur parkeren.’

Vooral dat ‘niets liever’ hield me even bezig. Wie waren dat toch, die begenadigde stervelingen voor wie de diepste levensvoldoening was gelegen in drie vierkante meter trottoirklinkers voor de deur?

Ik wandel verder in de smalle eenrichtingsstraat, en dan ontwaar ik verscheidene van die verkeersbord-prints, eentje op de stoep, eentje nog onder een ruitenwisser en aan de overkant weer eentje onder een ruitenwisser. Meteen is het patroon me nu duidelijk: elke auto die met z’n neus de verkeerde kant uit staat, gaat op deze zelf geknutselde bon.

Nu de omvang van het briefjesprotest zich plotseling vergroot heeft, komt het ook in een ander licht te staan. Het enkele briefje had vooral iets komisch, maar nu kantelt het tafereel in de richting van het tragische. Wie stelselmatig zijn verbetenheid op deze manier ventileert, moet wel een of ander onpeilbaar leed met zich mee dragen; een ontvoerde dochter, een onthoofde hond of zo mogelijk nog erger – wat weten we nu eigenlijk van wat er werkelijk in het hart van een ander omgaat? Gerard Reve verbaasde zich er eens over dat Nederlandse schrijvers zo graag de hele wereld afreisden in hun boeken, terwijl er in hun eigen straat bij wijze van spreken wel drie Madames Bovary woonden. (Maar ja, zie die koetsscène maar eens te verplaatsen naar een Renault Clio.)

In dit straatje woont in elk geval een goede Mrs Dalloway of Mrs Doubtfire of hoe heten die kattenvrouwtjes? Haar pamfletten zijn een soort acupuncturele ingrepen in de verkeersstroming in deze straat, een stamelend protest tegen onze onvolkomenheid.

Het komische en het tragische ontmoeten elkaar in schepsels als deze ruitenwisserpamflettiste en dat geeft haar als personage reliëf. Hoe is ze zo geworden? Ze is weliswaar gek maar niet compleet van lotje. Ze lijdt maar verweert zich kranig. Haar tragische geschriften krijgen onbedoeld het milde schijnsel van het komische, zonder welke zij pathetisch en eendimensionaal zou blijven.

Ik loop verder, denkend aan haar terminale cavia en nog onstelpbaarder leed, als er ineens een boom van een man met een kale schedel op de stoep opduikt. Hij draagt een pak A4’tjes onder z’n arm. Hij wijst naar een verkeerdom geparkeerde Renault Clio, en roept naar iemand aan de overkant: ‘Hier nog één, of had jij die al gehad?’

Aan de overkant is iemand met hetzelfde postuur en kapsel aan het flyeren.

‘Nope. Die is er ook bij’, klinkt het verlekkerd, vanachter de bloeiende voorjaarstakken. De man frommelt een papier onder de ruitenwisser, boort dan zijn fonkelende ogen in mij en vraagt: ‘Of is dit soms jóuw auto?’

Moeilijke hè, verkeersregels? lees ik.

‘Nee hoor, ik heb zelfs geen rijbewijs’, lieg ik.

‘Houwe zo’, complimenteert de ander.

‘Ik koop hem wel een keer op internet.’

Ze lachen, en ik ben vergeten waarover ik liep na te denken. Met zulke vrienden heb ik geen romanpersonages meer nodig.