Profiel Donald Rumsfeld

Rumspeak

De politieke leiding van Amerika is in staat standpunten en leugens te verkondigen die niet door de beugel kunnen, maar die desondanks haar geloofwaardigheid niet aantasten. Zie de Cuba-crisis, de Iran/Contra-affaire, en nu de oorlog in Irak.

«Hoe is het mogelijk», vroeg de Amerikaanse journalist Theodore Draper zich in 1991 af in een artikel in de Los Angeles Times, «dat een handjevol nauwelijks bekende functionarissen vrijwel geheel de controle overneemt over belangrijke onderdelen van het Amerikaanse buitenlandbeleid?»

Draper doelde op de Iran/Contra-affaire van de jaren tachtig, waarin Witte Huis-medewerker kolonel Oliver North in het diepste geheim wapens verkocht aan Iran en de winst naar de Contra-guerrilla in Midden-Amerika sluisde. Zijn antwoord was tweeledig. Ten eerste zijn operaties van inlichtingendiensten zoals deze nu eenmaal geheim, zodat de verantwoordelijke functionarissen zich tot op zekere hoogte kunnen onttrekken aan controle door de wetgevende macht. Daarnaast was de Iran/Contra-operatie zo opgezet dat de verantwoordelijke politici er zo weinig mogelijk van wisten.

Voor deze vorm van compartimentalisering, waardoor de politieke leiding een operatie op elk gewenst moment kan ontkennen zonder haar geloofwaardigheid te verliezen, heeft het CIA-handboek sedert de jaren vijftig een standaardterm: «plausible deniability», met een lelijke Nederlandse vertaling «geloofwaardige ontkenbaarheid». Het is een vorm van geheimhouding die zich niet alleen uitstrekt tot de vijand, maar ook tot de eigen wetgevende macht en publieke opinie. De CIA ontwikkelde het concept in de jaren vijftig in de context van de Koude Oorlog. De nucleaire bewapening maakte het noodzakelijk dat de grootmachten hun eigen acties in het openbaar konden ontkennen teneinde niet te worden meegesleept in een woordenstrijd die binnen de kortste keren kon ontaarden in een prestigegevecht of zelfs een militaire confrontatie. Het was een techniek van conflictbeheersing die zijn waarde onder meer bewees tijdens de Cubaanse rakettencrisis.

Maar de toepassing van plausible deniability ging al gauw zo ver dat ook presidenten en ministers over menige operatie in het ongewisse werden gelaten. Het beruchtste voorbeeld was de mislukte CIA-invasie van 1961 in de Cubaanse Varkensbaai. De net geïnaugureerde president John Kennedy werd pas van het plan op de hoogte gesteld toen de operatie in volle gang was. De Iran/Contra-affaire bewees dat de bewoners van het Witte Huis niets hadden geleerd van dergelijke schandalen uit de jaren zestig en zeventig. North handelde op gezag van zijn directe chef, nationale veiligheidsadviseur John Poindexter, die op zijn beurt geen verantwoording hoefde af te leggen aan het Congres. In nauw overleg met Poindexter besloot North de CIA, het leger en zelfs de president onkundig te laten. «Ik heb bewust het besluit genomen om de president niets te vragen», zei North naderhand in een hoorzitting in het Congres: «Zo verschafte ik de president een mogelijkheid van ontkenning voor het geval het mocht uitlekken.»

Het is een gangbare mening onder politieke wetenschappers en commentatoren dat plausible deniability niet werkt omdat het grote publiek er niet intrapt, althans niet op de lange duur. Als bewijs wordt steevast verwezen naar de illegale praktijken van president Richard Nixon die tijdens de Watergate-affaire stuk voor stuk boven water kwamen, hoewel ze zonder uitzondering stoelden op dit principe. De opdrachten aan Nixons «klusjesmannen» werden telkens buiten de officiële kanalen om gegeven. Ondanks het 1250 pagina’s tellende rapport van de Watergate Commissie uit 1974 (waarin de zaak tot op de bodem uitgezocht heet te zijn) staat nog altijd niet vast wat Nixon, zijn minister van Justitie John Mitchell en andere vooraanstaande stafleden precies wisten. Niettemin werd «tricky Dick» tot aftreden gedwongen en werden enkele van zijn medewerkers veroordeeld.

Dezelfde vraag die Draper dertien jaar geleden stelde, rijst vandaag wederom naar aanleiding van het kleine groepje beleidsmakers, geconcentreerd op het ministerie van Defensie van Donald Rumsfeld en geleid door diens naaste medewerker Douglas Feith, dat praktisch op eigen houtje de invasie van Irak heeft weten af te dwingen. In een manoeuvre die sterk doet denken aan Nixons «klusjesmannen» of het optreden van North bediende Feith zich van een eigen «inlichtingendienst» die onafhankelijk van de CIA werkte. Feith cum suis betrokken hun informatie van het Iraaks Nationaal Congres, een door de Republikeinse partij opgezette Iraakse oppositiebeweging in ballingschap onder leiding van Achmed Chalabi, een zakenman die al tientallen jaren de ambitie koestert Saddam op te volgen als president van Irak. Hoe is het mogelijk dat dit groepje zijn opzet en werkwijze, die inmiddels wijd en zijd bekend zijn, hardnekkig kan ontkennen zonder zijn geloofwaardigheid bij het grote publiek te verspelen?

Moderne auteurs wijzen erop dat plausible deniability inmiddels een tweede leven heeft gekregen. In de (Amerikaanse) politieke praktijk gebeurt het steeds vaker dat een formele ontkenning van onaanvaardbaar overheidshandelen gelijkstaat aan de informele bevestiging ervan. Het is een manier om ervoor uit te komen zonder het te moeten toegeven. De informele bevestiging komt tot stand doordat het grote publiek weliswaar weet dat de autoriteit liegt, maar daar eigenlijk niet om maalt. De toehoorders erkennen het meesterschap van de autoriteit die zo slim is geweest «ontkenbaar» te handelen. En hoe luider de ontkenning wordt uitgesproken, des te duidelijker wordt het voor de toehoorders dat de autoriteit schaamteloos achter de onaangename feiten staat.

Dankzij deze participatie van het publiek wordt plausible deniability een manier om indirect taboes te doorbreken en standpunten te verkondigen die moreel en juridisch niet door de beugel kunnen, maar intussen wel de ware drijfveer achter het overheidshandelen zijn. Het is, aldus politicologe Kathleen Jamieson, een «dubbele boodschap» die aanvechtbaar overheidshandelen bevestigt en tegelijk de handelende gezagsdrager quasi-onaantastbaar maakt voor de gevolgen daarvan (Dirty Politics, 1992). Bij wijze van vroege voor loper van deze publieksmedeplichtigheid verwijst Jamieson naar een roemrucht tv-spotje van de Democratische presidentskandidaat Lyndon Johnson uit 1964, dat tot de klassiekers van het genre behoort omdat het naast alle formele componenten van plausible deniability ook gebruikmaakt van de suggestieve kracht van beelden.

Door een gewiekste montage wekte het betreffende spotje bij veel kijkers de indruk dat Johnsons Republikeinse tegenstander Barry Goldwater een onverantwoordelijke man was die de wereld in een atoomoorlog zou storten. Het spotje begint met het idyllische beeld van een meisje dat in een weiland bloemetjes plukt en daarbij telt: «Vier, vijf, zes, zeven…» Vervolgens wordt de tel overgenomen door een mannenstem (dezelfde die destijds op televisie de raketlanceringen vanaf Cape Canaveral begeleidde) die onheilspellend terugtelt: «Acht, zeven, zes…» Bij «Nul» zoomt de camera in op de pupil van het meisje waarin het beeld van een atoomexplosie is gemonteerd. De payline is Johnsons omfloerste stem die zegt: «Dit is de inzet. Een wereld scheppen waarin al Gods kinderen kunnen leven. Of afdalen in de duisternis.»

De harde kern van Republikeinse oud gedienden uit de jaren zeventig en tachtig zoals Paul Wolfowitz en Donald Rumsfeld heeft niet alleen de organisatieprincipes, maar ook het taal- en beeldgebruik van plausible deniability verinnerlijkt. Het grote publiek, wijs geworden door de Vietnamoorlog, de CIA-hearings van de jaren zeventig en de Iran/Contra-hearings van de jaren tachtig, heeft dat ook gedaan. Het resultaat is dat de «haviken» tegelijkertijd op twee niveaus tot het Amerikaanse publiek spreken. Het eerste niveau is het formele, het niveau van de letterlijke boodschap die door ministers en woordvoerders wordt verkondigd. Het tweede niveau is dat van de heimelijke verstandhouding met het publiek, dat heel goed weet welk maskerend taalgebruik de gezagdrager hanteert en wat hij daarmee maskeert. Daardoor is de regering-Bush meer dan enige voorganger in staat zijn ware motieven en denkbeelden aan het publiek mee te delen zonder deze bij de naam te noemen.

Wie denkt dat het team rond George Bush junior de wereld en de eigen bevolking heeft voorgelogen omtrent Irak en de ware redenen om dat land binnen te vallen, doet er goed aan dit taalgebruik aan nader onderzoek te onderwerpen. Op het oog is de hele zaak zo klaar als een klontje. Voorafgaand aan de inval werden nimmer bewezen banden tussen Saddam Hoessein en Osama bin Laden gesuggereerd en werd onophoudelijk gezinspeeld op Saddams «mas sa vernietigingswapens» waarvan inmiddels is vastgesteld dat ze destijds al ontmanteld waren. Omdat die veronderstellingen in de loop van het afgelopen jaar zijn weerlegd, is de rechtvaardiging voor de inval gaandeweg verschoven naar de dictatoriale aard van Saddams regime en de noodzaak om democratie te introduceren in het hart van het Midden-Oosten.

Omdat hij schoon genoeg had van deze terugtrekkende bewegingen gaf de Democratische afgevaardigde Henry Waxman zijn medewerkers opdracht een verzameling aan te leggen van alle uitspraken van de president en zijn voornaamste adviseurs over Irak en Saddam die aantoonbaar onjuist of prematuur waren geweest. Ze kwamen tot een lijst van maar liefst 237 «misleidende verklaringen» van Bush, Rumsfeld, vice-president Dick Cheney, minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell en nationale veiligheidsadviseur Condoleezza Rice. Het opmerkelijke aan de meeste van die verklaringen is dat ze in letterlijke zin niet onjuist of misleidend waren, maar dat er in de context van de «oorlog tegen het terrorisme» en de aangekondigde oorlog tegen Irak een misleidende suggestie van uitging.

De uitspraken zijn zo geformuleerd dat de spreker achteraf met recht kan zeggen dat hij zich baseerde op «destijds beschikbare inlichtingen» en niet meer deed dan zijn gerechtvaardigde zorg uiten over Irak en Saddam Hoessein. Neem de volgende uitspraak van Donald Rumsfeld die in het rapport van Waxman apart naar voren wordt gehaald. Op 14 november 2002 zei Rumsfeld in een radio-interview: «Verplaats je eens een jaar vooruit, twee jaar, een week of een maand, en bedenk eens dat Saddam Hoessein zijn massavernietigingswapens zou overdragen aan al-Qaeda en dat al-Qaeda op de een of andere manier een aanval op de Verenigde Staten zou uitvoeren, dan praat je niet over driehonderd of drieduizend potentiële slachtoffers maar dertigduizend of honderdduizend menselijke wezens.» Er ging een grote dreiging uit van die woorden, maar ze waren (en zijn nog altijd) niet controleerbaar. Rumsfeld deed geen feitelijke uitspraken over Saddam, zijn massavernietigingswapens of zijn eventuele samenwerking met Osama bin Laden. Hij vroeg de luisteraars enkel zich voor te stellen wat er kon gebeuren als het zover zou komen.

De enige concrete (en dus weerlegbare) claim aangaande het bestaan van Saddams massavernietigingswapens was de stelling dat de Iraakse leider in het voorjaar van 2001 een partij van zestigduizend aluminiumbuizen wilde aanschaffen. Het bewijs was in zoverre tastbaar dat een deel van deze zending daadwerkelijk in Jordanië werd onderschept. De president en zijn woordvoerders verklaarden dat de «overheersende consensus» onder inlichtingenexperts luidde dat de buizen geschikt waren voor de productie van hoogwaardige splijtstoffen, niettegenstaande het feit dat hun eigen ministerie van Landbouw binnen 24 uur aantoonde dat ze dat niet waren, een oordeel dat korte tijd later werd onderschreven door het Internationaal Atoomagentschap in Wenen.

Nu de onderzoekingen van de inlichtingencommissie van de Senaat en de 9/11-commissie hebben uitgewezen dat er nimmer zo’n «overheersende consensus» is geweest, verdedigen functionarissen als Rumsfeld en Rice zich door te verklaren dat zij niet op de hoogte waren van «onenigheid» binnen de inlichtingenwereld over de buizenkwestie en derhalve naar eer en geweten hebben gehandeld. Dat is goed mogelijk, aangezien ze in veel gevallen slechts kennis namen van informatie die hun vooropgezette oordeel ondersteunde. Rumsfeld heeft al eens in een goed gespeeld moment van «zwakte» laten weten dat hij tal van CIA-rapporten «ongelezen in de prullenmand lazert». Ook Rice heeft de plausible deniability tot organisatiebeginsel verheven. Na het buizendebacle liet zij officieel weten dat het niet tot haar taak behoort «inlichtingenrapporten te evalueren en onenigheden in de inlichtingengemeenschap te beslechten». Als dat niet tot haar taak behoort, schreef The New York Times, waarvoor hebben we dan een nationale veiligheidsadviseur?

Rumsfeld is het meest bedreven in het uitwissen van zijn sporen, ook al wekt hij tijdens zijn optreden in het openbaar graag de indruk van een mannetjesputter die niets te verbergen heeft. Zijn uitspraken gaan bijna altijd vergezeld van kwalificaties die de inhoud ongrijpbaar of oncontroleerbaar maken. Een typisch Rumsfeld-antwoord op een lastige journalistenvraag naar de feitelijke juistheid van een bewering luidt: «I believe that would be the case, yes.» Het woordje «yes» suggereert onomstotelijke zekerheid, maar de voorafgaande woorden ontkrachten die juist. De Nederlandse vertaling die het dichtst in de buurt van «would be» komt, is «is waarschijnlijk». Gevoegd bij de aanhef «Ik geloof» drukt de zin een valse bescheidenheid uit die in werkelijkheid dient als ontsnappingsweg. Deze formulering wordt in toenemende mate ook door Amerikaanse tv-journalisten gebezigd als bewijs van rumsfeldiaanse doorkneedheid in de kunst van de «geloofwaardige ontkenning».

Op Rumsfelds initiatief is ook de Amerikaanse behandeling van krijgsgevangenen geheel opgezet volgens de regels van plausible deniability. Deze gevangenen zijn gespreid over een onoverzichtelijke en grotendeels geheime Gulag van instellingen en verzamelpunten in alle uithoeken van de wereld, tot en met containers en dichtgelaste caravans in de bergen van Oezbekistan toe. Tegelijk is de zorg voor hen uitbesteed aan uiteenlopende ministeries, legeronderdelen, inlichtingendiensten en particuliere veiligheidsdiensten die weliswaar in opdracht, maar niet op bevel van Rumsfeld werken. Derhalve is de politieke en juridische verantwoordelijkheid voor hun lot volledig zoek.

Zo kon het gebeuren dat Rumsfeld eind vorige maand bij het verschijnen van twee rapporten van zijn eigen ministerie over de mishandelingen in de gevangenis van Abu Ghraib een toespraakje hield waarin hij de rapporten prees om hun volledigheid en tegelijk hun voornaamste conclusies ervan onderuit haalde. Zonder dat iemand hem kon of durfde tegenspreken, zei de minister met een grijns naar de kijkers in de huiskamer die net als hij wel beter weten: «Er is geen enkel bewijs gevonden dat gevangenen tijdens hun verhoren zijn mishandeld.» De essentie van de zaak is natuurlijk dat de mishandelingen plaatsvonden voorafgaand aan de verhoren. Daarbij kwam nog de praktische overweging dat – zelfs als de minister die mishandelingen moreel aanvaardbaar zou vinden – de verhoren uit een oogpunt van inlichtingenwerk onbetrouwbaar waren.

Niettemin waren volgens Rumsfeld «alle kranten en alle tv-zenders die hebben geprobeerd een verband te leggen tussen mishandelingen en de verhoren in Irak in het ongelijk gesteld». De boodschap was dezelfde die op tal van reactionaire radiozenders en websites dagelijks valt te vernemen: «Wat zullen we ons druk maken over die islamieten, terroristen en Saddam-aanhangers? Laat ze wegrotten in hun cellen, ze hebben erom gevraagd.» Van alle prominente leden van de regering-Bush is Rumsfeld de enige die zichtbaar geniet van zijn eigen, bij tijd en wijle geniale dubbeltaal die in de wandelgangen van Washington niet voor niets «Rumspeak» wordt genoemd. Een berucht voorbeeld is zijn persconferentie van 11 april vorig jaar over de massale plunderingen die na de Amerikaanse invasie in Irak waren uitgebroken.

Daarbij werden onder meer rond 170.000 kunststukken en archeologische objecten gestolen uit het Nationaal Museum in Bagdad. Het beeld van een plunderaar met een vaas op zijn nek ging de hele wereld over, evenals een opname van de museumdirectrice die huilend door de lege gangen van haar museum doolde. Het was de slechtste pr die Washington zich kon denken en Rumsfeld kondigde onmiddellijk een persconferentie aan om «een paar dingen recht te zetten», zoals zijn woordvoerder het uitdrukte.

Rumsfeld greep de eerste vraag vanuit de zaal meteen aan om de schuld voor alle ophef bij de media te leggen. Met zijn bekende kwajongensblik op de voorste rij van verslaggevers gericht, ontkende hij glashard dat er iets bijzonders aan de hand was. «Op tv zie je keer op keer hetzelfde», sprak hij, «Steeds weer dat beeld van die man die een of ander gebouw uitloopt met een vaas en dat krijg je dan twintig keer te zien. En je denkt: mijn hemel, waren er zo veel vazen?» Op dit punt vermeldt de officiële transcriptie van het ministerie van Defensie een «gelach» dat bij inspectie van de videobeelden van de persconferentie afkomstig blijkt van een aantal journalisten van regeringsgetrouwe zenders als FoxNews, die zoals te doen gebruikelijk in de conferentiezaal bij elkaar hokten. Aangespoord door hun gelach vervolgde Rumsfeld, nu met een onverholen glimlach op zijn gelaat: «Is het mogelijk dat er in het hele land zoveel vazen waren?»

Door de dictie en mimiek van de minister, in combinatie met het gelach in de zaal waarvan hij zich met gemak had kunnen distantiëren als hij dat had gewild, bracht hij een heel andere boodschap over aan het publiek. Die boodschap luidde: «Wat kan het ons schelen wie er met het Iraakse erfgoed vandoor gaat?» Alweer een boodschap die het goed doet bij een rabiate achterban die zich dagelijks laat ophitsen door FoxNews, de radiopraatjes van Rush Limbaugh en van haat en nationale eigenwaan druipende internetkrantjes. Hoewel zijn taalgebruik dus allerminst verhullend is, kreeg de minister niettemin eind 2003 de taalvervuilingsprijs van een Brits genootschap voor taalzuiverheid, de Plain English Campaign.

De ironie wil dat de Rumsfeld-uitspraak die voor het genootschap de doorslag gaf nu juist de meest onthullende vorm van Rumspeak was. Op een persconferentie in het Navo-hoofdkwartier in Brussel op 9 juni 2002 werd Rumsfeld geconfronteerd met een eerdere, merkwaardige uitspraak van hemzelf dat de dreiging die van Saddam Hoessein uitging «erger was dan de feiten uitwijzen». In plaats van zich te verontschuldigen voor een kennelijke verspreking, deed de minister er een schepje bovenop: «Inlichtingenrapporten vertellen ons niet wat de ware situatie is. De boodschap luidt dat er geen ‹bekende feiten› bestaan. Er zijn dingen waarvan we weten dat ze bekend zijn. Er zijn bekende onbekende feiten, dat wil zeggen dingen waarvan we weten dat we ze niet weten. Maar er zijn ook onbekende onbekende feiten. Er zijn dingen waarvan we niet weten dat we ze niet weten. En elk jaar ontdekken we weer een paar nieuwe onbekende onbekende feiten.»

Wellicht is de diepste beweegreden voor dergelijke uitvluchten, dubbeltaal en waandenkbeelden van de zittende Amerikaanse regering van epistemologische aard. Dat is althans de indruk van freelance journalist Ron Susskind. Nadat hij een onaardig artikel over Bush’ pr-directeur Karin Hughes had geschreven, werd hij in de zomer van 2002 door een niet nader genoemd staflid van het Witte Huis uitgenodigd voor een gesprek. Zoals de journalist afgelopen maandag schreef in The New York Times merkte deze Bush-adviseur bijna terloops op dat Susskind behoort tot de «werkelijkheids gerelateerde gemeenschap» die pas na «zorgvuldig onderzoek van de waarneembare werkelijkheid» standpunten inneemt.

«Zo werkt de wereld niet meer», sprak de man. «We zijn nu een imperium en wanneer wij handelen, scheppen we onze eigen werkelijkheid. En terwijl jullie nog doende zijn die werkelijkheid te onderzoeken, hebben wij alweer gehandeld en nieuwe werkelijkheden geschapen die jullie daarna kunnen gaan onderzoeken. Zo gaat het voortaan altijd. Wij zijn de actoren van de geschiedenis en jullie zijn gedoemd enkel nog te bestuderen wat wij doen.»