Matthias Withoos, Sottobosco met landschap en jachtstilleven, 1665-1675. Olieverf op doek, 105 x 141 cm © collectie Museum Flehite en Westfries Museum

Voor het schrijven van zijn De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen (1718-1721) ging Arnold Houbraken in Hoorn op bezoek bij Alida Withoos, de dochter van de schilder Matthias Withoos, die daar in 1703 was overleden. Withoos kwam oorspronkelijk uit Amersfoort. Toen in het Rampjaar de Fransen naderden – hij had vier ongetrouwde dochters – was hij uitgeweken naar Hoorn, waar hij zich zonder moeite had genesteld. In Hoornse boedelbeschrijvingen komen geregeld ‘Withoosjes’ voor. Houbraken zag er een van nabij. ‘Op het aller uitvoerigste stonden afgebeeld Distelen, Lakebladen, en diergelyk soort van kruiden, tusschen beide gevult met lies, graanhalmen, korebloemen, papavers.’ Daaronder, op de grond, tussen paddenstoelen en weegbreebladen, wemelde het van dieren: ‘… hier een Kikvors, daar een bontkleurige Hagedis, ginder een Slang die onder de schaduw van ’t loof schuilt, of ook wel een Muis, die aan ’t een of ander kruid zit te knagen, zoo uitvoerig dat men de haartjes zoude hebben konnen tellen’. Withoos had dat allemaal ook nog eens ‘doorzaait, met allerhande soort van Rupzen, Slakken, Flintertjes, of ook wel een Spin in haar web; tot Mieren in ’t kluis’.

In Amersfoort was zijn talent ontdekt door Jacob van Campen. In 1647 schreef hij zich, twintig jaar oud, in bij het lokale Sint-Lucasgilde en kort daarna reisde hij met vijf andere jonge kunstenaars, onder wie Otto Marseus van Schrieck, naar Rome. Die reis kon een carrière maken of breken. Withoos’ leerling Caspar van Wittel maakte de reis later in 1673 en zou in Rome een grote carrière opbouwen. Ook Withoos was in Rome fortuinlijk, hij zou veel werk maken voor kardinaal Leopoldo de’ Medici, maar na twee jaar reisde hij toch terug, volgens Houbraken uit heimwee. In Amersfoort trouwde hij, kreeg acht kinderen en werd een gezeten burger, lid van de vroedschap, regent van het weeshuis. In Amersfoort werkte Withoos verder met alles wat hij in Italië had gezien. In feite mengde hij drie types schilderijen door elkaar: het Italiaanse landschap, met dat mooie geeloranje zonlicht dat zachtjes op een stuk Romeins marmer valt; het vanitas-stilleven, waarin de producten van menselijke ijver worden getoond in stemmig verval; en de natuurstudie, het exact weergeven van al wat er kruipt en vliegt. Bij Withoos zijn dat geen leeuwen of tijgers, maar uilen, vleermuizen, slangen, hagedissen, kikkers en egels.

Withoos gold als gelovig. Gereformeerden als hij meenden dat de werken van God ook uit het ‘Boek der Natuur’ kenbaar waren, ook in het krioelen van slakken en mieren was een heerlijk systeem te herkennen. Het leverde in elk geval geweldig kijkspel op en het was commercieel gezien een succesvolle formule. Withoos’ medereiziger Otto Marseus van Schrieck zou net zulke schilderijen maken.

Toen Houbraken dochter Alida (die ook schilderde) interviewde noemde ze haar vader ‘bezadigt van drift, goedaardig’. Hij zat nooit in de kroeg en was altijd aan het werk, tot de jicht hem te pakken kreeg. Uiteindelijk stonden zijn vingers ‘zoo krom als Arentsklauwen’.

Ander licht op Withoos, Museum Flehite, Amersfoort, 12 december t/m 8 mei