Cultuurelativisme na 11 september

Rushdies microscopisch relativisme

Salman Rushdie heeft gesproken. Afgelopen zaterdag publiceerde hij een column in The Guardian waarin hij reageerde op de gebeurtenissen van 11 september en daarna. Het werd tijd, want naar weinig commentaren werd zo reikhalzend uitgezien als van de man die de verpersoonlijking is geworden van de botsing tussen westerse waarden en die van de islam.

Het lijkt in het reële en publicitaire geweld van de afgelopen twee maanden wat te zijn vergeten, maar de aanslagen in Amerika vormden niet het breekpunt in de droom van vreedzame coëxistentie tussen Oost en West. De fatwa die in 1989 over Rushdie werd uitgesproken confronteerde het Westen al hardhandig met het feit dat er met een blijmoedig beleden cultuurrelativisme iets scheef zat. De discussie daarover die nu het publiek in haar ban heeft werd toen in intellectuele kringen al gevoerd.

Met postmodernisme en het einde daarvan, dat door half-geïnformeerde commentatoren na 11 september werd uitgekreten, had dat weinig te maken. Cultuurrelativisme dateert al uit de late negentiende eeuw. Het werd door antropologen als Franz Boas opgeworpen als een dam tegen de westerse arrogantie die haar eigen Vooruitgang en Verlichting als de enige maatstaf beschouwde waarmee samenlevingen konden — en mochten — worden beoordeeld. Culturen kunnen alleen met hun eigen criteria worden begrepen en gewogen, meende Boas, en die opvatting heeft school gemaakt.

Onsympathiek was dat niet, want de westerse vooruitgangs idee ging gepaard met een weinig verlichte minachting voor alles wat daar niet in paste. Ze maakte de ontwikkeling van één werelddeel tot maatstaf voor de rest en bracht in de verscheidenheid van volkeren en rassen een pijnlijke rangorde aan. Hoewel de partijgangers van de Verlichting dat liever niet weten, is ook het «wetenschappelijk» racisme er de vrucht van geweest.

Europese verlichters hebben er — wanneer ze te goeder trouw waren — altijd moeite mee gehad uit te leggen hoe een belofte die in hun ogen de hele mensheid gold toch maar op één plaats tot ontwikkeling was gekomen. Hoe moest ze als universele waarde aan de man worden gebracht terwijl ze tegelijk een particulier en specifiek (westers) idee was? Aan de andere kant stonden cultuurrelativisten met hun mond vol tanden wanneer ze moesten toegeven dat hun idee van de culturele relativiteit van alles eveneens universele pretenties had. En wat zegt een cultuurrelativist tegen een cultuur die zichzelf niet wil relativeren? Tot overmaat van ramp bleek, buiten de westerse, vrijwel geen enkele cultuur bereid die gedachte zelfs te overwegen.

Ruim honderd jaar lang is de strijd onbeslist gebleven tussen universalisme en relativisme, die allebei een deel van het gelijk hadden, maar onvoldoende om niet met zichzelf in de knoop te raken. De elfde september heeft daar niet veel aan veranderd, alle retoriek dat «niets ooit nog zal zijn als voorheen» ten spijt. Zelfs de interne tolerantie die het Westen in redelijke mate kenmerkt heeft er niet wezenlijk onder geleden. De belangstelling voor de islam is eerder toegenomen, terwijl volgens Rushdie ook binnen de islam de zelfkritiek meer ruimte heeft gekregen.

Het valt te hopen dat hij gelijk heeft. Tenslotte is ook in de christelijke wereld tolerantie pas een waarde geworden toen verwoestende godsdienstoorlogen hadden duidelijk gemaakt dat het zo niet verder kon. De oplossing die in de zestiende eeuw werd uitgedacht was even simpel als geniaal. Godsdienst zou niet langer beschouwd moeten worden als een zaak van het collectief, maar als louter iets van het individu. Te twisten viel er altijd nog genoeg, maar niet meer op massale schaal. De protestantse gedachte dat ieder mens op eigen wijze zalig moest worden, voorzag die pragmatische tolerantie bovendien van een theologisch fundament.

Het is opmerkelijk dat Rushdie de islam nu eenzelfde ontwikkeling toewenst en hoopt op een «herstel van de godsdienst in de sfeer van het persoonlijke». Meer nog dan op de «depolitisering» waar hij zelf over spreekt lijkt dat neer te komen op een protestantisering van de islam — wat wellicht mede verklaart waarom Trouw een samenvatting van zijn column pront op de eerste pagina zette. Alleen op basis van dit secularistisch-humanistische beginsel, aldus Rushdie, kan de islam werkelijk modern worden.

Misschien is dat zo en zijn de grote godsdienstige tegenstellingen alleen te bezweren met een individualisme, dat in feite een microscopische vorm van cultuurrelativisme is. Maar daarmee zijn de problemen allerminst opgelost. Rushdies islamitische tegenstrevers zullen zeggen dat hij de godsdienst wegfiltert uit de wereld waaraan ze nu juist een boodschap wil hebben. En zijn seculiere tegenstanders zullen opwerpen dat daarmee wel het religieuze maar niet het culturele vraagstuk is opgelost.

Ze hebben allebei gelijk. Hoe particulier je de godsdienst ook maakt, de samenleving zal altijd meer willen zijn dan een optelsom van individuen. Hoe die optelsom eruit ziet en hoe we de samenleving inrichten blijft een vraag die het microscopisch relativisme van moderne individuen overschrijdt. Godsdienst heeft daarin altijd een belangrijke stem gehad en het wegvallen van de sociaal samenbindende functie daarvan is in het Westen niet probleemloos gebleken. New York, als symbool van (geschonden) moderniteit, is waarschijnlijk ook de stad met de hoogste mondiale psychiaterdichtheid.

Rushdie pleit ervoor het huidige conflict — tegen alle Amerikaanse bezweringen in — wel degelijk als een godsdienststrijd te zien, die hij vervolgens wil oplossen door de religie te verwijzen naar de individuele innerlijkheid van ieder mens. Maar daarmee is hij het culturele en maatschappelijke probleem hoe we voor iedereen de samenleving inrichten net zo min kwijt als het cultuurrelativisme zijn eigen algemene geldigheid kon legitimeren.

Culturen en samenlevingen zijn nu eenmaal nooit particulier. Dus zullen de waarden die daarbij in het geding zijn altijd botsen, zowel binnen als tussen culturen. De twintigste eeuw leert dat het er dan nog weinig toe doet of die wel of niet in een godsdienstig sausje zijn gedompeld. Het kruid dat het beste tegen fanatisme is gewassen, is niet een verinnerlijkte religie. Het is relatieve welvaart en een hoopvol uitzicht: niet op het eeuwige leven, maar op het tijdelijke — over de eventuele voortzetting waarvan ieder vervolgens het zijne mag denken.