Interview Pieter Waterdrinker

«Rusland is onvoorspelbaar»

Na zijn eerste roman werd Pieter Waterdrinker beschuldigd van antisemitisme. Zijn tweede boek handelt over Rusland, waar hij werkt als correspondent voor De Telegraaf.

«Ik zie langzamerhand een patroon in mijn leven. Steeds word ik versleten voor iemand die ik niet ben. Op de middelbare school werd ik als zoon van een ploeterend hoteliertje in de jaren zeventig voor kapitalist aangezien. In 1980 ging ik Russisch studeren en hield men mij voor communist. Toen ik na jaren van omzwervingen in Spanje en het voormalige Oostblok ging werken voor De Telegraaf was ik ineens intellectueel af, dom, rechts en voor sommigen a priori fout. En nu word ik van antisemitisme beschuldigd. Dat categorische oordelen is het verdriet van Nederland.» Pieter Waterdrinker (Haarlem, 1961) loopt driftig, vijfde glas wijn in de hand, heen en weer in zijn Moskouse flat. Hij werkt als Pieter van der Sloot nu bijna vier jaar in Rusland als correspondent voor de Krant voor wakker Nederland. Onder de achternaam van zijn moeder, Waterdrinker, publiceert hij zijn boeken. Zijn nieuwe boek Kaviaar en ander leed bevat literaire impressies uit het hedendaagse Rusland. Rondom zijn vorige boek, de roman Danslessen uit 1998 (Arbeiderspers) ontstond een rel, toen de Zandvoortse burgemeester M.R. van der Heijden besloot een klacht in te dienen wegens smaad en antisemitisme. Waterdrinker werd vrijgesproken, maar verschijnt dit jaar voor de Hoge Raad. «Ik wilde het goede met Danslessen bereiken, maar kreeg het kwade terug. » Waterdrinker woont met zijn vriendin Julia Klotchkova, docente Russische literatuur aan de universiteit, in een hoge flat in een Moskouse buitenwijk. In de betonkolos wonen westerlingen en wat rijkere Russen. Hoe ver je ook kijkt, overal staan flats. Het is de Bijlmermeer in het groot. Bij aankomst moet je je melden bij een bewaker die met de hand een slagboom bedient. Waterdrinker: «Die bewaking is niks bijzonders. Twee van de drie gebouwen in Moskou zijn bewaakt. De bewakingsbranche is in Rusland een bloeiende business. Treurig genoeg. Zelfs in sommige supermarkten loopt men met geweren in de aanslag.» Met Kaviaar en ander leed betreedt Waterdrinker het pad van de literaire non-fictie. Het boek is opgedragen aan Alexander Munninghoff, een vriend van Waterdrinker. «Je hebt grosso modo twee soorten correspondenten. Zij die hier zitten voor hun carrière, en zij die werkelijk van dit land houden, er niet van loskomen. De laatsten zijn in de minderheid. Munninghoff is er een van, maar ook oud nrc-correspondent Hubert Smeets en Bert Lanting, die nu voor de Volkskrant in Washington zit. Alexander zat hier in een moeilijke periode, eind jaren tachtig. Hij verloor in Moskou een kind, maar keert toch telkens weer naar Rusland terug. Zijn boek Tropenjaren in Moskou is echter alweer bijna tien jaar oud. Ik dacht: het wordt tijd voor iets nieuws. Geen land ter wereld is zo veranderd als Rusland.» Vanaf Waterdrinkers flat is het met de auto een klein half uur naar het imposante en kapitalistisch ogende stadscentrum. «Kijk, in dat pand woonde vroeger Brezjnev! Zie je die neons daar? Dat is het casino voor de Tsjetsjeense maffia!» Ook hij zat hier al eerder, halverwege de jaren tachtig. Als reisleider, als intermediair voor bedrijven en universiteiten. «Ik sprak de taal, kende het land van Leningrad tot Irkoetsk. Men zei: jongen, je zit op een gouden ei. Maar geld interesseert me niet zo, en toen ik op een dag vernam dat de Rus met wie ik nog een dag eerder met liters wodka had geluncht, vermoord werd gevonden in het portaal van mijn hotel, dacht ik: Piet, jongen, wegwezen.» Waterdrinker keerde toch weer terug; hij lijkt van Rusland nog steeds niet genoeg te hebben. Hoe lang denkt hij in Moskou te blijven? «Als het aan mij ligt nog lang. Ik hou van dit land, zoals je als vader van een groot gezin houdt van het onhandelbaarste kind. Het is een soort aandoening. In Rusland gaat het tenminste nog ergens om. Als je hier niks hebt, ga je dood. Er is geen sociaal vangnet. Het bestaan wordt hier op het scherp van de snede uitgevochten. Niets is vanzelfsprekend: geboren worden, gezondheid, een min of meer normaal leven. In Nederland is succes de norm; in de kunst - en ook in het leven - gaat het echter zelden over succes. Als ik Quote lees, begrijp ik dat je op je 35ste miljonair moet zijn. Maar een mislukking is vaak interessanter. Het zegt natuurlijk ook iets over mezelf.» We lopen over het Rode Plein, in een mistig regentje. Het Poetin-tijdperk is officieel nog geen twee weken oud. Over de brede straten racen de Mercedessen en terreinwagens van de nieuwe rijken voorbij. «Rusland is onvoorspelbaar», herneemt Waterdrinker, «morgen kan hier een staatsgreep plaatsvinden, of een oorlog uitbreken. Op de standplaats Londen of Brussel is die kans toch stukken kleiner. Het land is een tijdmachine: de negentiende, twintigste en eenentwintigste eeuw bevinden zich naast elkaar. Ik ben, als iedere auteur, natuurlijk geobsedeerd door het verstrijken van de tijd. Hier kan ik de jaren vijftig alsnog beleven. Maar tegelijkertijd hangt over dit alles een immense deken van treurnis. In de loop der eeuwen zijn er tientallen miljoenen mensen vermoord, en de daders die nog leven lopen gewoon vrij rond. Als je geen schoon schip wilt maken, blijf je met een rotte schuit zitten. Dat is, in een notendop, het verdriet van Rusland.» Waterdrinker begint zijn werkdag met een dikke stapel Russische kranten. Het correspondentschap is een slopende dagtaak. De massa informatie die hij moet bijhouden is enorm, net als de bureaucratie in het land. Afspraken maken duurt vaak dagen. Er moeten tientallen brieven worden geschreven. Bovendien bestrijkt hij een gebied van Moskou tot Wladiwostok, negen uur vliegen verder. Soms zit hij voor een artikel dagenlang in bedompte treinen of wrakke vliegtuigen. Heeft hij invloed? «Soms denk ik dat mijn invloed in Rusland groter is dan die in Nederland. Vier jaar geleden maakte ik aan de vooravond van de presidentsverkiezingen de balans op van de eerste Jeltsin-jaren. Op de verkiezingsdag zelf zag ik mijn artikel bijna integraal afgedrukt op de voorpagina van de Pravda. Alleen: ze hadden alle voorzichtig positieve oordelen over Jeltsin (toch een embryonale vorm van democratie, een vrije pers et cetera) eruit gehaald. En mijn kritiek op hem opgeblazen. ‘Zelfs de conservatieve Nederlandse krant De Telegraaf vindt dat de communist Zjoeganov moet winnen!’ was de teneur. Dat was heel vermakelijk. Hoe langer je hier zit, des te beter je gaat functioneren. Men begint je te kennen. Ook in het Kremlin. Ik kreeg zojuist een uitnodiging van de Russische bankier en zakentycoon Pjotr Aven voor een barbecue op zijn dacha. Aven is op dit moment een van de vier mannen met de grootste invloed op president Poetin. De stukken van mijn collega’s en mij liggen vaak al op de dag van verschijning in het Russisch op verschillende Moskouse bureaus. Je e-mail en telefoon worden afgetapt, scabreuze escapades genoteerd. Als zo'n Aven je bij hem thuis uitnodigt, dan weet hij dus donders goed wie je bent.» Wordt zijn werk onder Poetin méér beperkt? Waterdrinker, ijsberend, met een biertje, in zijn werkkamer vol boeken, kranten en knipsels: «Bij de vorige presidentsverkiezingen stond ik eens zo dicht bij Boris Jeltsin dat ik wat aantekeningen opkrabbelde tegen zijn rug. Dat is nu onmogelijk. Poetin wordt volledig afgeschermd. Voor de rest ben ik redelijk vrij om te gaan en te staan waar ik wil. Twee weken terug was er echter een inval van gemaskerde mannen in Media-Most, het grootste bolwerk van de Russische vrije pers. Met alle correspondenten hebben we staan demonstreren, want hier is het al snel: heden ik, morgen gij. Het begint altijd met intimidatie en bureaucratische pesterijtjes.» In Kaviaar en ander leed schrijft Waterdrinker onder meer over het Moskouse nachtleven, over de achterachterkleinzoon van Dostojevski, de vervuilde industriestad Norilsk, en het uitsterven van de steur. Maar de verwijzingen naar Nederland zijn ruim tegenwoordig. Uit «Bij de Tolstojs»: «De woonvertrekken zijn groot, ruim, zonnig en imposant. Voorouderlijke portretten aan de muren, lange tafels met zilver gedekt, en er staan maar liefst twee glimmende vleugels waarop de schrijver ’s avonds graag mocht spelen. Eigenlijk had Tolstoj wel iets weg van de intellectueel die een beter leven predikt voor eenieder, maar zelf met niet minder genoegen neemt dan met een pand aan de Herengracht, zijn geest halfjaarlijks verfrist in Toscane, en zijn kinderen stuurt naar een blanke eliteschool, terwijl hij in de krant de noodzaak bepleit van een eerlijkere samenleving - ja zelfs zij die dat niet doen veroordeelt, beschimpt, veracht. Een hypocriet was Tolstoj echter niet; daarvoor was hij te meevoelend, te ruimhartig, terwijl ik bij de meesten die behoren tot het bovengeschetste genus Amsterdamicus nooit ook iets van gewetenswroeging heb mogen bespeuren.» Waterdrinker: «Wat ik hier schets behoort tot het verdriet van Nederland: het veroordelen van anderen, terwijl je zelf feitelijk geen haar beter bent. Onlangs las ik in De Groene Amsterdammer een interview met Karel Glastra van Loon. Een goede schrijver en volgens mij een goed mens. Hij noemt zich links. Zelfs stem ik, voor mijn fatsoen, al mijn leven lang op de pvda, maar ik zal me nooit links, noch rechts noemen. Want dat betekent niets; niemendal. In mijn boek heb ik een kleine necrologie opgenomen over Karel van het Reve, waarin ik zeg dat ik hem altijd als volgt begrepen heb: dat een mens moet worden afgerekend op wat hij doet, niet op wat hij zegt. Glastra van Loon is tegen commercialisering, juicht het debacle van World Online toe; ik ben het in zekere zin met hem eens. Maar dan denk ik: jij gaat toch ook drie maanden naar Amerika? En niet met de roeiboot, maar met het vliegtuig. Ik vind het prima hoor, maar in welk opzicht ben jij dan beter dan iemand die zich niet-links noemt? Het gros van mijn vrienden is gestudeerd, getrouwd, heeft kindertjes. Zo tegen de tijd dat de verkiezingen komen zijn ze opeens zogenaamd 'links’. Als een soort aflaathandel. Om daarna weer verder te gaan met hun leven van buitenhuisjes, goede, etnisch homogene scholen voor hun kroost, etentjes et cetera. We zitten allemaal in het complot, in dezelfde samenleving. We hebben of willen hetzelfde. En toch plakken we etiketten: die is goed en die is slecht.» Geëmotioneerd: «Dat hele links-rechts-gedoe, die poppenkast, daar moeten we in Holland eens vanaf! De rechtszaak waar ik nu in betrokken ben, heeft ook alles met het verdriet van Nederland te maken. De zuilen wankelen, we beleven een ethisch vacuüm. Voor het gerechtshof in Amsterdam werd ik door een overspannen dame in een toga min of meer gelijkgesteld met holocaust-ontkenners. Omdat ze volgens een richtlijn discriminatie moet vervolgen. Ik dacht: dat mens moet eens Sigmund Freud tegenkomen in een donkere steeg. Ook ik werd veroordeeld omdat ik bij voorbaat niet zou deugen, niet om mijn daden. Dat men nu doorgaat tot de Hoge Raad is in en in triest. Mijn boek keert zich tegen welke discriminatie dan ook.» We zitten in de Rode Pijl-expres, de nachttrein naar Sint-Petersburg. Waterdrinker bestelt zijn zoveelste biertje. De prijs: meer dan een tientje per flesje. Waterdrinker: «Ik drink ook graag dure wijn. Maar ik zeg niet dat ik beter ben dan anderen. Dure wijnen drinken en tegelijkertijd zeggen: ik ben tegen mensen die dure wijnen drinken, dat is hypocriet. Als iemand bij mij aanklopt om hulp, help ik hem meestal.» «Overigens», gaat hij verder, «honderden lezers vonden Danslessen een prachtig boek. Ik heb daarbij bijna louter lovende kritieken gehad. Op het gebied van de ethiek hanteer ik een simpel criterium: in hoeverre doe je de medesterveling (bewust) leed aan of niet? De optelsom van de mooie momenten met je familie, vrienden, kennissen en toevallige passanten in dit ondermaanse doorgangshuis, dat bepaalt volgens mij de geslaagdheid van een bestaan. Dat is het goede. Daarom zorg ik ook altijd dat ik veel drank in huis heb.» Waarom schreef hij Danslessen? Waterdrinker: «Het is een soort wet dat je eerste boek over je jeugd gaat. En ik wilde de sfeer van het hotel - dat niet meer bestaat - vastleggen, bestendigen. Met overigens een volledig fictief verhaal. Danslessen gaat over een jongen die al vroeg inziet dat de wereld rot is, en dat je het beste in de fantasie kunt vluchten. Ik voelde mij altijd al anders, maar kon het niet benoemen.» Waterdrinker toont een stukgelezen boekje. «Op mijn vijftiende las ik voor het eerst een boek. Ja, voor het eerst. We waren met de klas op werkweek en we hadden een stil uurtje. Iedereen pakte een boek en ging zitten lezen. Ik was verbaasd dat dat bestond. Eenmaal thuis ging ik naar de bibliotheek; het eerste boek dat ik daar zomaar uit de kast pakte was Toergenjevs Eerste liefde. Er opende zich een wereld waarvan ik het bestaan niet eens had vermoed. Ik ging Tsjechov lezen, De Maupassant, Flaubert, Reve, Elsschot. Allemaal fantastische schrijvers. Ik lees ze nog steeds.» Hij heeft geen hoge pet op van de Nederlandse journalistiek. «O nee! Mijn bewondering is juist groot!» zegt Waterdrinker, inmiddels aan de wodka, in de door de nacht voortdenderende trein. «Maar in Nederland letten journalisten te veel op elkaar, men verspilt energie aan onderlinge vetes: de rangorde op de apenrots. Ik heb grote bewondering voor mensen als Karel van het Reve, Ischa Meijer en Theo van Gogh. Volstrekt onafhankelijke denkers. Meijer kon ook niet tegen humbug en hypocrisie. Mooipraterij kapte hij af. Hij was een heel zachtmoedig mens.» Hoe is de situatie bij zijn krant? «Bij De Telegraaf werkt een aantal van de aardigste mensen die ik ken. Bovendien kan ik schrijven wat ik wil, ik bepaal zelf m'n onderwerpen. De krant was vó ór het ingrijpen in Kosovo, ik tegen, en ik kan dat gewoon schrijven. Bij De Telegraaf kun je anarchistisch zijn. Johan Olde Kalter behoort tot de top-hoofdredacteuren in dit land. Toen mijn voorganger Philippe Remarque vertrok naar de Volkskrant organiseerde Olde Kalter een groot afscheidsdiner. Dat zie ik andere hoofdredacteuren niet gauw doen. Zijn coulantie is uniek.» De gemiddelde Nederlanders interesseert het weinig wat er in Rusland gebeurt. Is dat niet frustrerend? Waterdrinker: «Het is bovenal verontrustend. Kijk, ik was en ben een tegenstander van zowel de uitbreiding van de Navo naar het oosten als het ingrijpen van het bondgenootschap in Kosovo. De kortzichtigheid waarmee deze beslissingen zijn genomen is verbijsterend. Maar welke leerling van na de Mammoetwet weet nog van het dictaat van Versailles? Inmiddels zitten dat soort lieden wel op beleid-makende posities. De Weimar-republiek, de inval van de nazi’s in 1939 in Polen was de verre echo van de Duitse vernedering van 1918. Het ressentiment, het gevoel van: 'jullie hebben ons verraden’ van de Russen jegens het Westen is op dit moment enorm. Vooral na de bombardementen op hun Servische bloedbroeders in Kosovo. Iedere morele verontwaardiging van het Westen in de richting van Rusland is nu hypocriet. Althans, zo denken de Russen. De huidige opbouw van de politiestaat met tsaristische en sovjettrekjes, de beknotting van de persvrijheid zijn het directe gevolg van de arrogante houding van de westerse regeringen ten opzichte van Moskou. Wat veel mensen ook niet begrijpen: dat die aandelen Philips en Baan niets meer waard zijn als het weer oorlog is. Als het hier fout gaat, is heel Europa in de aap gelogeerd. Wanneer ik dit tegen mijn geleerde en politiek betrokken vrienden in Amsterdam zeg, beginnen ze schaapachtig te lachen. Dan denk ik bijvoorbeeld: hebben jullie het Verraad der vlaggen van Menno ter Braak wel eens gelezen? Nee, want ze vinden die Giphart zo geinig en leuk. Dat is ook het verdriet van Nederland.» Pieter Waterdrinker, Kaviaar en ander leed. Uitg. Bzztôh, 223 blz., ƒ29,50