30 augustus 1919

Russische kunstnijverheid

Wanneer men aandacht heeft voor het geestelijk leven in Europa en wanneer men de ontwikkeling van het denken en de schoonheidszin kan volgen, dan ziet men – of liever nog, dan gevoelt men – den invloed van Rusland als een macht, waarvan men het wezen en den omvang nog niet met zekerheid vermag te bepalen. Alle kunsten hebben den Russischen invloed ondergaan en deze heeft hun geest en verschijning veranderd. De jonge literatuur, die in Frankrijk ontstond als een noodwendige reactie op het naturalisme, dat in een Zola doodgeloopen was, werd geheel beheerscht door Dostojewski.

(…)

Maar de invloed ging verder. Tolstoï hielp mede een nieuwe moraal te vormen, die gebaseerd zou zijn op de vereering van den mensch en het menschelijk medelijden. Het internationalisme – dat voor Marx een politieke noodzakelijkheid was – kreeg hier een mystiek-religieuze beteekenis. Rusland werkte op Frankrijk zelfs zoo sterk, dat een natuurlijken tegenstand ontstond. De traditionalisten van den Latijnschen geest verzetten zich tegen de drie denkers, die volgens hen Frankrijk hebben afgewend van zijn zuivere historische ontwikkeling. Zij heeten Kant, Ibsen, Tolstoï.

Het is niet mogelijk in dezen intellectueelen strijd een standpunt te kiezen. Het feit dat deze strijd ontstaan is, moeten wij hier slechts citeeren als een bewijs voor het groote belang en de groote kracht der Russische invloed. Men behoeft nog slechts enkele namen van Russische meesters te noemen om onmiddellijk den omvang van den geestelijken macht van dit land te suggereeren: Rimsky, Korsakov, Moussorgski, Dostojewski, Kadinsky.

Als men over de Russische kunstnijverheid schrijft, dan ziet men deze het eerste in Europa op de Parijsche wereldtentoonstelling van 1900. In een paviljoen, door Constantin Korovine ontworpen, was toen een belangrijke en volledige verzameling Russische kunstnijverheidsvoorwerpen bijeen gebracht. Belangstellenden en leergierige kunstenaars stroomden toe. Dit succes bleef voortduren op de expositie van 1904 te Parijs, op tentoonstellingen te Luik, Milaan, Bordeaux enz.

(…)

Langzaam begon men den invloed van deze frissche en spirituëele Russische volkskunst op de jongere Fransche nijverheidskunstenaars te gevoelen. Toen ik de herfstsalon van 1913 bezocht vond ik in de afdeeling der binnenhuis-architectuur telkens de naieve en sierlijke motieven, de levende, zinrijke kleurigheid der Russische kunstnijverheid terug, zoo goed als men bij jonge graphische kunstenaars invloed der Russische iconen meende te mogen constateeren.

In de ‘Semaines Russes’ die Serge Diaghilfe in samenwerking met Russische componisten en musici, Russische schilders en Russische dansers organiseerde, werd de pracht van gloeiende kleuren en exotische zielsverlangens opgevoerd tot een ononderbroken feest van schoonheid en wemelend levensgeluk. Zij die Nijinsky en Petrouchka of de Sacre du Printemps – beide van Strawinsky – of Andreas Bolm de ‘Danses du Prince Igor’ hebben zien dansen, behouden voor altijd de herinnering aan die panische schoonheid van goud en bloed, omdat zij getuige waren van de geboorte van een nieuw leven.

De Russische Week is ontstaan uit het volksfeest, waar de Russische boer zijn primitief levensgeluk tegelijk met een diep en eenvoudig religieus besef vierde in kleur en beweging. En de groote beteekenis van Rusland in Europa is alleen te verklaren uit het feit, dat het zulk een sterke innerlijke eenheid en zulk een homogeene geestelijke macht vormt. In een goed Russisch kunstwerk uit zich gansch een volk. En het wordt door een groot volk ook begrepen en bewonderd. Het oude Europa zag in den altijd jongen Russischen geest een middel om zich te genezen van zijn verfijnd en steriel individualisme, van zijn leege en dwaze ornamentatie en van zijn ijdelen afgodendienst. Zóó moet men Philippe’s woorden begrijpen als hij uitroept: wij moeten Barbaren zijn.

In de toekomst meer nog dan nu zal de Europeesche kunstnijverheid beheerscht worden door den geest der Koestari, de arbeiders van het Russische platteland. Zij maken een levende kunst, die voort komt uit een levende traditie.

(…)

De Russische kunstenaars zijn vóór alles ideëele paedagogen. Malioutine, Zinovief, Roerich, Beketof, Vroubel, Otchinikow, Marie Tenichef, zij allen gevoelen zich nooit als eenzame bevoorrechtten, maar altijd als de verantwoordelijke leiders der Koestari. De Koestari zijn de kleine handwerklieden van het land. De winter, die in sommige streken van de groote republiek acht volle maanden duurt, maakt het den landbouwers een groot gedeelte van het jaar onmogelijk hun bedrijf uit te oefenen. Om dien donkeren tijd te korten en om de inkomsten van het gezin wat te vergrooten beoefenen zij eenige huisarbeid, welker handgrepen sedert onheugelijke tijden, de zonen van de vaders leerden.

De aard van dit werk wordt bepaald door de materialen, die de landstreek oplevert. Het is natuurlijk, dat in een zoo houtrijk land als Rusland de schrijnwerkerij en de houtsnijkunst het drukst beoefend worden. In de gouvernementen Moskou, Nisjni-Nowgorod en Vyatka vlecht men sierlijke manden en kleurige matten. In de gouvernementen Nowgorod, Nisjni-Nowgorod, Perm, Tambof, Ter, Vyatka, wonen de smeden, de ciseleurs, de messenmakers en de slotenmakers. In de Oeral, waar men half-edelsteenen in groote getale vindt, treft men de steensnijders aan. De goudsmeden en bijoutiers leven in den Kaukasus en in de gouvernementen Kistroma en Kazan. Vlas wordt verwerkt in Jaroslov, Kosroma, Tchernikov en Koersk, katoen in Moskou, Wladimir, Ryasan, Satatov en Kostroma. In Nisjni-Nowgorod, Vyatka en den Kaukasus bearbeidt men de wol der schapen. In Moskou en Wladimir de zij van de zijderups. En in al die landstreken bloeit de textielnijverheid.

(…)

Goede arbeid eischt een concentratie van de edelste levenskrachten van den arbeider. En deze weet, dat voor het welslagen van het werkstuk zuiverheid van geest en vrome aandacht de eerste noodzakelijkheden zijn. Men verwondert zich over de prachtige moreele krachten, die in de dagen van de revolutie aan den dag zijn gekomen, te midden van de eenvoudige, lang onderdrukte landelijke bevolking van het land. Men staat verbaasd over het heldere verstand, het rijpe menschelijke gevoel en de humane teederheid van boeren in een vergeten deel van een onmetelijk rijk.

(…)

Alle jonge kunstenaars die zich de bevordering van de Russische kunstnijverheid tot bestaanstaak hebben gesteld, zijn vol eerbied en bewondering gekomen tot de eenvoudigen van geest, tot de ijverige en vindingrijke Koestari.

(…)

Schooner en gaver arbeid als die der Russische weefsels is niet te denken. Maar ook de naboïki, de kunst van kleuren en bedrukken van geweven stoffen, is door de Russische handwerkslieden van de Noordelijke en Noord-Oostelijke gouvernementen tot de volmaaktheid opgevoerd. Ik ken geen beeld zoo schoon dan die oude boerenvrouw voor haar weefstoel, in het schemerige houten huisje. Achter haar glimt de samovar. Haar gelaat is gekrenkt door het leven van werk en zorgen. Om haar mond ligt de glimlach van goedheid, die stille oude vrouwen zoo schoon maakt en haar oogen zijn nog fonkelend van verstand en geest. Nu begrijpt men iets van het wonder dier doeken van oud blauw met gouden en roestbruine kleuren tot een eenvoudig en zinrijk motief te samengeschikt; van die wandtapijten, waarop een fantastische bloei van kleur en lijn ligt uitgeteekend; van die kantwerken in hun veelvuldige, spitse pracht als van gothische cathedralen; in die oogen leeft de hemelsche droom en de diepe levenszin van de oudste sagen en in den arbeid worden deze een heerlijke werkelijkheid.

(…)

Onder goede en verlichte leiding zijn in alle deelen van het rijk de boeren en boerinnen voortgegaan met het voortbrengen van een verscheiden en gelukkige productie. En het is een bewijs voor de gezondheid van den Russischen geest en de Russische samenleving, dat adelijke dames met eenvoudige boerinnen, ondanks het groote verschil in intellectueele ontwikkeling, samenwerken en samenwerken kunnen, omdat zij naar het innerlijk wezen zoo dicht bij elkaar staan en zoo innig verbonden zijn door eenzelfde religieus levensgevoel, eenzelfde schoonheidstraditie en eenzelfde liefde voor het edele handwerk der vaderen.

Het heeft geen beteekenis om in dit verband de oorsprong van het Russische ornament na te gaan. Alle kenners van de oude Russische kunst – Vladimis Stossoff, Kandakoff – komen tot denzelfden slotsom dat de decoratieve kunst van Rusland een late echo van de ornamentale kunst van Azië is. En ieder, die naast oude Russische motieven, bijvoorbeeld de ceramiek van Turkestan beziet, zal overtuigd worden door de overeenkomsten in vorm, schikking en kleur. Aan den anderen kant vindt men in de oude en moderne iconen, die alle in denzelfden stijl zijn opgevat, dezelfde Byzantische invloeden, die ook zoo sterk werkten op de primitieve schilders der school van Sienna. •