‘rust in de tent’

WIE OORLOG zegt, zegt Riod. Het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie heeft de Tweede Wereldoorlog in haar kelders opgeslagen in de vorm van een ongehoorde hoeveelheid archiefmateriaal en documentatie. Een gewichtig instituut dus. In twee jaar tijd is er nogal wat veranderd. Het Riod betrok een nieuw gebouw, kreeg een nieuwe directeur en mag - met een miljoen per jaar erbij - zijn onderzoekstaak uitbreiden. Het directieteam, bestaande uit Hans Blom (algemeen directeur), Peter Romijn (hoofd onderzoek) en Elly Touwen (hoofd informatie en documentatie), is best tevreden.

Bevalt het een beetje, mijnheer Blom, om het gezicht te zijn van zo'n gewichtig instituut?
Hans Blom: ‘Ik heb de functie met graagte aanvaard. Ik ga fluitend elke dag naar mijn werk. Zodra je op het terrein van de Tweede Wereldoorlog komt, stuit je op grote belangstelling in de samenleving. Daar zit een risico aan, want publiciteit en politiek maken onvermijdelijk deel uit van die maatschappelijke connectie. Wat overheerst is het goede gevoel dat je wetenschappelijke werk direct voelbaar nut heeft, omdat het beantwoordt aan een maatschappelijke vraag.’
Peter Romijn: 'Dat laatste geldt natuurlijk niet alleen voor Blom, dat geldt voor alle Riod-medewerkers. Dat is de reden dat iedereen het hier zo leuk vindt. We onderzoeken een vorm van verleden die je alleen maar levend verleden kan noemen. Je bent voortdurend in dialoog over wat je schrijft, soms zelfs mét de mensen over wie je schrijft. Mooier kan niet.’
Merkt u dat de oorlog nog leeft onder de mensen?
Elly Touwen: 'In de studiezaal komen veel mensen die bezig zijn met hun familiegeschiedenis. Die zijn erg betrokken bij de oorlog. Daarnaast krijgen we uit binnen- en buitenland verzoeken om ondersteuning bij onderzoek. Daar komt veel minder emotie bij kijken. Ik zie bij de tweede generatie dat ze zich gaan afvragen wat hun ouders nu eigenlijk hebben meegemaakt. Mensen krijgen meer tijd, zijn soms gepensioneerd, en houden zich dan meer bezig met het verleden. Wat opvalt is dat de laatste tijd meer materiaal binnenkomt dan een paar jaar geleden. Dat heeft te maken met het uitsterven van de eerste generatie. Opeens komen er dagboeken en brieven boven water.’
EEN VAN DE adviezen van de commissie Kossmann, die zich heeft beziggehouden met de toekomst van het Riod, was dat het onderzoeksterrein verbreed moest worden. Internationaler, meer twintigste-eeuws. Het primaat van de periode '40-'45 moest worden losgelaten. Is die visie niet achterhaald met al die geld-, goud- en roof-affaires die nu opspelen? De oorlog lijkt maar niet te willen overgaan.
Romijn: 'Ik denk dat het heel belangrijk is dat we nationale grenzen overschrijden. Bij de vijftigjarige herdenking van het einde van de oorlog zag je dat dat vooral gebeurde vanuit de nationale identiteit. Dat was waarschijnlijk de laatste opleving daarvan. Je kunt tegenwoordig de oorlog niet meer louter zien als een boze droom die de Duitsers over ons hebben gebracht. Historici worden uitgedaagd de oorlog in een veel breder perspectief te zetten. Een economisch perspectief, een perspectief van de twintigste eeuw. We willen proberen associaties aan te gaan met onderzoekers in binnen- en buitenland om met al onze beperkte middelen goed onderzoek op te zeten. Nieuw onderzoek. We hebben bijvoorbeeld twee mensen aangetrokken die Azië-onderzoek doen. Je moet niet blijven vastzitten.’
Blom: 'We passen in een internationale trend. De meeste van onze zusterinstituten, opgericht om onderzoek te doen naar de oorlog in Frankrijk, Duitsland en België, waren al bezig zich te ontwikkelen naar instituten voor contemporaine geschiedenis. Toen ik hier kwam was dat proces naar internationalisering en geografische verbreding ook hier al aan de gang. Daarbij voelde ik mij thuis. Voor mij is bijvoorbeeld een interessante vraag wat voor invloed het op de geschiedenis van Nederland heeft gehad dat we niet aan de Eerste Wereldoorlog deelnamen. Daar kun je alleen achterkomen door internationaal te vergelijken. En voor Azië geldt dat de Japanse expansie bekeken kan worden in relatie met kolonisatie en dekolonisatie.’
ALLES GOED en wel, maar na de Liro-affaire eist de maatschappij toch dat het Riod alle middelen aanwendt om onderzoek te doen naar de slechte opvang van joden en andere oorlogsslachtoffers?
Romijn: 'Wij proberen het in een ruimer kader te plaatsen. Als wetenschappers hebben we een wat afstandelijker benadering die niet altijd samenvalt met maatschappelijke ophef. Mensen kunnen soms heel emotioneel reageren. De ontwikkeling van de wetenschap en de belangstelling van het publiek vallen niet altijd samen. Maar ik denk dat we op de goede weg zijn door te proberen het inzicht te bevorderen in processen die de oorlogservaringen mede hebben bepaald. En één van de onderwerpen van onderzoek is wat dat betreft de terugkeer en opvang van mensen na de oorlog.’
Blom: 'Dat is trouwens in strikte zin geen Riod-onderzoek. Het is ondergebracht in een aparte stichting: Soto, Stichting Onderzoek Terugkeer en Opvang. Ik zit in het bestuur van die stichting, maar ik ben opzettelijk geen voorzitter. Zo'n stichting moet een onderkomen hebben. Dat hebben we ze aangeboden in ons gebouw.’
Touwen: 'De belangstelling verschuift. Tegenwoordig zijn het vooral de holocaust, de oorlog in Indië en de naoorlogse opvang die aandacht vragen. Daarop proberen we in te spelen door informatie te verschaffen en te helpen bij het veiligstellen van archieven. We hebben nog steeds ruimte om de collectie uit te breiden. Het prettige van ons nieuwe gebouw is dat we een goed uitgeruste studiezaal hebben en dat de collectie binnen handbereik is. Vroeger lag een groot deel van onze archieven in twee gebouwen opgeslagen.’
OM IETS aan die archieven te hebben, moeten ze wel geordend zijn. Er is een tijd geweest dat alleen ontsloten was wat van belang was voor het onderzoek van Loe de Jong. Hoe staat het tegenwoordig met de inventarisering?
Romijn: 'Toen Loe de Jong aan zijn geschiedschrijving over de oorlog begon, is een ontsluitingsplan gemaakt dat op zijn onderzoek was afgestemd. Dat kon niet anders. Je moet je voorstellen dat meteen na de oorlog het materiaal met bakken tegelijk binnenkwam, volstrekt ongeordend. Wat de Duitsers bijvoorbeeld uit het Rijkscommissariaat hadden geëvacueerd, was in vrachtwagens gegooid en vervolgens in een Duitse zoutmijn gekieperd.’
Touwen: 'Toen we in het nieuwe gebouw kwamen, zijn we meteen begonnen met een omvangrijk ontsluitingsplan. Binnenkort starten we met het invoeren in de computer van de hele bibliotheekcollectie, inclusief brochures en tijdschriften. Daarnaast zijn we hard bezig met digitalisering van de fotocollectie. Nu is onze Internet-site nog wat grof van aard, maar een van onze doelen is de inventarissen van de archieven erop te zetten. Dan kan iedereen zien wat we in huis hebben.’
Maar vooralsnog is het Riod de rijksschatbewaarder van de oorlog.
Romijn: 'We hebben een grote verantwoordelijkheid in het beheren van de collecties en het in stand houden van de expertise die daarbij is opgebouwd. Dus in die zin zijn we dat, ja. Maar voor bezoekers staan ramen en deuren wagenwijd open. Er wordt geen materiaal achtergehouden.’
Blom: 'Als je de documentatie de schat noemt: akkoord. Maar ik vind niet dat dit instituut zich zou mogen aanmatigen dat zijn wetenschappelijk onderzoek bij voorbaat meerderwaardig zou zijn aan onderzoeksresultaten van andere, niet Riod-gebonden, hoogwaardige wetenschap. Laat staan dat de morele en politieke beoordeling van dat deel van ons verleden aan het Riod zou zijn.’
Als rijksinstituut heeft het Riod een aparte positie. Tijdens de Liro-affaire meenden sommigen dat het instituut optrad als een verlengstuk van de overheid. En in de recente commotie rond Srebrenica werd opnieuw geopperd dat uw instituut met het aannemen van een langlopend onderzoek de regering een handje hielp.
Blom: 'Onzin. We zijn inderdaad door de overheid ingesteld en betaald. En dan is de associatie met ander overheidsoptreden natuurlijk makkelijk gemaakt. Het is echter heel belangrijk dat mensen zich realiseren dat de relatie tussen Riod-onderzoek en de centrale overheid wordt gekenmerkt door afstand. Als buffer tussen het instituut en de politiek fungeert het bestuur. Dat toetst slechts het wetenschappelijke gehalte van ons onderzoek. De vraag welke morele of politieke consequenties je aan onderzoeksresultaten verbindt, is een zaak van staatsburgerschap, niet van dit instituut. Vanaf januari ressorteren we niet meer direct onder het ministerie van Onderwijs, maar onder de Koninklijke Academie van Wetenschappen. Dan is er nog meer afstand. Maar ook nu kan een minister in geen geval een Riod-publicatie tegenhouden als het bestuur vindt dat aan eisen van wetenschap is voldaan. Bij het Srebrenica-onderzoek is die onafhankelijkheid nog eens extra als conditie geformuleerd.’
Wordt u er niet moe van dat vaak wordt geopperd dat het Riod fungeert als een verlengstuk van de politiek?
Blom: 'Natuurlijk. In sommige gevallen, met name als het vermoeden rijst dat de vragensteller beter weet, is het zelfs irriterend. Maar waarom zouden we van iedereen moeten eisen dat ze precies weten hoe onze relatie met de politiek is? Je hoopt dat de grote meerderheid onze uitleg oppikt. Van sommige mensen heb ik echter het gevoel dat ze erop uit zijn vervelende dingen over het Riod te schrijven. Gelukkig heb ik nog nooit de neiging gehad om in zulke gevallen tot een groot gevecht over te gaan. Als je niet tegen de emotionele lading kunt die bij ons werk hoort, moet je hier niet zijn.’
U HEEFT naar aanleiding van de Srebrenica-zaak aangegeven dat door de politiek gewenste nieuwe onderzoeken het Riod-onderzoek in de wielen zouden rijden. Mengt u zich daarmee niet in een politieke kwestie?
Blom: 'Van begin af aan was duidelijk dat we, juist door de gevoelige aard van het Srebrenica-onderzoek, niet tussentijds zouden rapporteren. Uiteindelijk komen we met een afgewogen onderzoeksresultaat. We zijn nu naar buiten getreden omdat we meenden dat zich een dynamiek ontwikkelde die bedreigend was voor ons onderzoek. Natuurlijk begrepen we de commotie, maar die kan een nadelig effect hebben op de condities waarin ons onderzoek zich moet voltrekken. Stel je voor dat mensen niet meer met ons zouden willen meewerken. Je kunt erover twisten of het verstandig was, maar wij vonden dat we onze zorg daarover bekend moesten maken, zodat de verdere politieke besluitvorming zich zou voltrekken in het volle bewustzijn van dat aspect.’
Is al duidelijk of het onderzoek schade heeft opgelopen?
Blom: 'Je moet onder de actualiteit proberen het fundament te vinden dat alle commotie samenbindt. Goed onderzoek doe je niet in een paar weken. Dat kost jaren. En het allerbelangrijkste is: rust in de tent. We doen dus geen mededelingen meer in deze zaak.’
HOE STAAT HET met de achtergehouden pagina’s van het dagboek van Anne Frank waar mijnheer Suijk onlangs mee op de proppen kwam? Suijk heeft gezegd dat hij daar een miljoen gulden voor wil hebben.
Blom: 'Ook daarover doen we liever geen mededelingen. We zijn met Suijk in overleg. De besprekingen willen we niet belasten.’
Het Riod heeft het maar druk met al die publiciteit.
Blom: 'In tegenstelling tot sommige andere onderzoeksinstellingen kunnen we ons verheugen in een hoge mate van belangstelling. Voor ons is dus niet de vraag hoe die belangstelling te wekken, maar hoe er zo adequaat mogelijk op te reageren.’