Zomerschrijvers: Dierbare dieren die dood zijn

Rust zacht, lieve Diane

De as van goudvissen en dwergmarters kan er verstrooid worden, maar meestal zijn het honden en poezen die na hun heengaan op de asweide terechtkomen. Een bezoek aan het Dieren Uitvaart Centrum. ‘En wat doet men met de resten van een dierbare wandelende tak? Zal Emile Ratelband zijn leeuw straks begraven of cremeren?’

Medium zomerschrijvers

Mitch Hedberg, de Amerikaanse stand-up comedian die in 2005 overleed aan een overdosis, maakte in een van zijn shows de volgende, inmiddels bekende maar wel wat lompe grap: ‘Some songs have a special meaning for a man in regards to a special woman. But this can backfire because maybe the song had deeper meaning to begin with, but now it’s been ­cheapened. “We are the world, we are the children. We are the ones who make a better life, so let’s keep on giving…” “Remember that song, baby? The night I fucked you in the pet cemetery?”’

Beroemdste en oudste necropolis voor huisdieren is het Cimetière des Chiens et Autres Animaux Domestiques in Asnières-sur-Seine, ten noordwesten van Parijs. Hier worden al sinds 1899 vooral honden en katten begraven, soms een paard en een enkele keer een papegaai, een aap of een schaap. De Franse journaliste en feministe Marguerite Durand (1864-1936), die zelf betrokken was bij de oprichting van de begraafplaats, begroef hier haar persoonlijke leeuw, genaamd Tigre overigens, waarmee ze tot de dood van het beest door de straten van Parijs flaneerde.

Begin dit jaar werd op het Cimetière des Chiens het graf van de gefortuneerde poedel Tipsy geschonden. Dieven verwijderden een twee meter lange marmeren plaat om zijn diamanten halsband ter waarde van negenduizend euro te kunnen stelen. Le Parisien berichtte dat de voormalige bazin van Tipsy, een bejaarde en blijkbaar niet armlastige Amerikaanse, getraumatiseerd was geraakt door de grafschennis.

In Nederland hebben we ook enkele huisdieren­begraafplaatsen. Maar die missen de grandeur van het Cimetière des Chiens, dat vol staat met indrukwekkende graftombes en zerken die zijn bebouwd met levensgrote beelden van de begraven dieren. De meeste dodenakkers voor mensen zien er soberder uit. En het gemiddelde mensenkadaver moet het doen met beduidend minder eerbetoon dan bijvoorbeeld Tipsy na zijn heengaan ten deel viel. Laat hem rusten in vrede. Ook zonder zijn edelstenen.

Het Cimetière des Chiens, waar de grafzerken zijn voorzien van boekenpagina’s aan inscripties over de overledenen, is een voorbeeld van de antropomorfisering van het (huis)dier, die natuurlijk van alle tijden is (denk aan Caligula die zijn paard Incitatus tot consul wilde benoemen) maar zich de afgelopen jaren in Nederland steeds schaamtelozer en nadrukkelijker manifesteert. Als er een hond van schrijfster Charlotte Mutsaers overlijdt, dan stuurt ze overlijdenskaarten rond. Met Dion Graus en ­Marianne Thieme hebben de dieren nu zelfs hun eigen politieke vertegenwoordigers. En als er over ongestelde huisdieren gesproken wordt op borrels en recepties, dan gaat dat in termen van ‘mijn corpulente hond’, ‘onze poes met boulimia’ en ‘ik vrees dat Minoeska picapatiënte is’. Pica is een medische term voor de neiging (bij mensen) om oneetbare dingen op te eten. Voor getroebleerde snorharigen biedt de katten­psycholoog vanzelfsprekend uitkomst.

Toen een echtpaar uit Zaandam in 1980 het Dieren Uitvaart Centrum in Amsterdam-Noord oprichtte, aan de Landsmeerderdijk, een oase van rust op vijftien minuten fietsen van het centrum, voorzagen ze nog niet bepaald in een behoefte. Er was bij Amsterdammers weinig tot geen vraag naar een plek waar ze hun huisdieren konden begraven. Pas sinds enige jaren neemt die belangstelling toe en inmiddels gaan er voldoende kanaries, Siberische dwerg­hamsters, honden en poezen de aarde in om het uitvaartcentrum draaiende te houden. Waar komt die groeiende begraafzucht vandaan? Bij de receptie van het duc kom ik niet veel meer te weten. De eigenaars willen niet meewerken aan een reportage, omdat ze negatieve ervaringen hebben met journalistieke artikelen. ‘De toon van die stukken beviel ons niet’, vertelt de vrouw achter de balie. Ik vermoed dat die journalisten de spot dreven met hommages aan huisdieren die her en der op de begraafplaats te vinden zijn. Ik heb een marmeren steen in hartvorm zien liggen, met daarop een zielig kijkende buldog: Boris, tien jaar oud geworden.

‘Wanneer verscheen het laatste artikel?’ vraag ik.

‘Halverwege de jaren tachtig’, antwoordt ze. De verbazing over het fenomeen van een huisdieren­begraafplaats is in twintig jaar tijd blijkbaar verdwenen. Maar het is de vraag of het daarmee ook normaal geworden is om iedere vier jaar zo’n 250 euro te betalen voor een honden­graf.

Ondertussen worden dierenbezitters in hun rouwverwerking steeds extremer. Onlangs verscheen in NRC Handelsblad een artikel over het opzetten van huisdieren, wat een populaire onderneming aan het worden is, en wat meer en meer ‘nabestaanden’ verkiezen boven het begraven.

Wie geen behoefte heeft aan een opgezette chinchilla op de keukentafel kan terecht bij de eeuwige grasvelden van duc. De naam klinkt als die van een voetbalclub: duc uit, altijd lastig. En op het eerste gezicht is het onderscheid tussen een voetbalveld en een huisdierenbegraafplaats nog niet zo gemakkelijk vast te stellen. Er is aanvankelijk namelijk niet veel meer te zien dan een hectare gemaaid en goed verzorgd gras. Het is een aangenaam rustige plek. Er fluiten vogels en de dag dat ik er rondloop schijnt de zon. De door voortrazende auto’s veroorzaakte snelwegmuzak staat gelukkig niet al te hard. Je zou hier uitstekend languit in het gras een boek kunnen lezen. Of een potje voetballen dus. Er zijn vast mensen die hier zouden willen barbecuen.

Pas later begrijp ik dat ik met mijn oneerbiedige gympen over een asweide aan het wandelen ben. En dat zich tussen de graspollen aan mijn voeten de overblijfselen van allerlei kat- en hondachtigen bevinden.

Midden op het terrein staat een groot standbeeld van een olifant op wiens rug een boom is gaan groeien. De wortels cirkelen zich om zijn achterlijf en zijn poten heen. Hoewel de kans klein is dat een circusdirecteur het lijk van een olifant naar het barbecuen heeft gebracht, is dit kunstwerk een mooie verbeelding van wat hier gebeurt: de natuur die groeit op het fundament van dierenlichamen. Want over het veld waar ik nu loop wordt de as weliswaar uitgestrooid, onder het gras even verderop liggen tientallen of misschien wel honderden dieren begraven: een massagraf onder de zoden.

De bewortelde olifant doet me denken aan een passage in De ondraaglijke lichtheid van het bestaan van Milan Kundera. Het personage Sabina bedenkt als ze op het cimetière Montparnasse in Parijs is geweest: ‘Als een graf bedekt is met een grafsteen, kan de dode er nooit meer uit.’ Volgens haar betekent het versperren van een graf met een steen dat de levenden de dode niet meer terug willen. ‘Een zware steen zegt tegen de dode: “Blijf waar je bent!”’ En dan denkt ze aan het graf van haar vader: ‘Boven zijn doodskist is aarde, uit die aarde groeien bloemen en een esdoorn strekt zijn wortels tot aan de kist, zodat we de indruk krijgen dat de dode door die wortels en bloemen uit het graf komt.’

Een boom in plaats van een grafsteen boven het gestorven hoofd kan tegenwoordig in Nederland. Niet op een normale begraafplaats, want daar is het verboden, maar op een natuurbegraafplaats, ook wel een ‘ecobegraafplaats’ genoemd – een kerkhofvorm die is overgewaaid uit Engeland. Een duc voor mensen, met andere woorden. Want natuurlijk, we willen niet alleen eco leven, we willen ook eco dood zijn.

Zou de as van goudvissen hier ook verstrooid worden, vraag ik me af terwijl ik over een schelpen­pad van de asweide naar het massagraf wandel. Aan de rand van het terrein staan de schoorstenen van de dood. En wat doet men met de resten van een dierbare wandelende tak? Zal Emile Ratelband zijn leeuw straks begraven of cremeren?

De begraafplaats bestaat uit drie reusachtige schaakborden van gras. Ieder schaakbord is langs de ene zijde genummerd en langs de andere geletterd, zodat de treurende achtergelatenen de begraafplek kunnen terugvinden. Witte letters en getallen staan op een rij op een houten plank die met piketpaaltjes omhoog wordt gehouden. Her en der liggen eenzame bosjes bloemen, sommige nog in het cellofaan, allemaal verregend. Op N43 vind ik een potje met madeliefjes. Een eindje daarvandaan, midden in het achterste schaakbord, liggen verlepte gele tulpen. Op een normale begraafplaats probeer ik altijd te vermijden om op een grafsteen te stappen, maar om de lijken heen lopen is hier onmogelijk. Bij A6 ligt nog een bosje bloemen, roze tulpen zijn het deze keer (terwijl er zoveel mooiere bloemen zijn). Op een met sterretjes beplakte kaart staat: ‘Rust zacht lieve Diane. Van baasje, vrouwtje en kindje.’ Ik sta er een tijdje naar te kijken. Daarna loop ik over het schelpenpad langs treurwilgen, symbolische bomen voor deze plaats, naar een bank die in de folder van het duc staat omschreven als ‘een rustpunt om wat te mijmeren’. En dat doe ik dan ook maar braaf.

Hoe ontroerend ook, het sterretjeskaartje bij de roze tulpen, ik merk dat ik me maar moeilijk kan verplaatsen in mensen die deze plek hebben verkozen als laatste rustplaats voor hun huisdier. Wat me vooral frappeert is het onpersoonlijke eraan. Waarom niet in de tuin begraven? En als men geen tuin heeft, waarom dan niet in een bos, de duinen, op de hei of in een weiland? Een weiland ziet er net zo nietszeggend en karakterloos uit als de (gr)asweide waar ik op advies van de directie mijmerend over uitkijk. Maar het persoonlijke zit ’m in het kiezen van een unieke plaats. Waar dan ook. Als er maar over is nagedacht. En dat persoonlijke zit ’m bepaald niet in het verstrooien van as over zo’n non-descript en onzichtbaar crematieveld. Of in het begraven onder een schaakbord van gras, waarbij de unieke eigenschap van het graf een combinatie van een letter en een cijfer is.

Zelf heb ik nooit voor de vraag gestaan wat ik met een overleden huisdier moest doen. De poezen Bonaparte en Gropius wandelden allebei op een dag weg. En Plumeau, de Turkse Van die we via Marktplaats hebben gered uit de krochten van Schalkwijk, en die vanwege haar forse staart enigszins oneerbiedig is vernoemd naar een huishoudelijk artikel, leeft gelukkig nog. Wel hebben we vroeger de tuin van mijn ouderlijk huis bedolven met kippenlijken – één voor één werden ze doodgebeten door honden in de buurt. Toen ook de haan te grazen werd genomen, kon ik weer uitslapen.

Inmiddels weet ik dat we met het begraven van ons pluimvee in de jaren negentig strikt genomen een overtreding hebben begaan. Tot enige jaren terug verschilde het per gemeente of een huisdier in de tuin begraven wel of niet mocht. Maar in de praktijk werd het overal in Nederland gedoogd. Alleen met hulp van verraadzuchtige buren valt een dergelijk ernstig vergrijp ook vast te stellen, lijkt me. Bovendien kan ik me zo voorstellen dat de politie andere prioriteiten had. Maar in navolging van een EU-besluit uit 2005 is het inmiddels toegestaan. Het graf moet wel minstens 75 centimeter diep zijn. En een doodskist van plastic mag niet.

Naast begraven in de eigen tuin en het laten begraven of cremeren op een huisdieren­begraafplaats is er nog een derde keuzemogelijkheid na het overlijden van een huisdier en dat is wat men in ambtelijke termen fijngevoelig ‘destructie’ noemt. Het dier wordt opgehaald en naar een verwerkingsfabriek gebracht. Daar belanden de kadavers in gigantische ovens. Het diermeel dat er als eindproduct uit komt, wordt gebruikt voor de opwekking van energie. Vroeger maakten ze er veevoer van (en kwam het ook terecht in honden- en kattenvoedsel) maar daar zijn ze na de bse-epidemie mee gestopt. Inmiddels gaan er bij de Europese Commissie stemmen op om dit verbod weer op te heffen en deze kannibalistische voedselketen te herstellen.

Met plekken als het duc is de nazorg voor achtergelaten huisdierenbezitters verzekerd. Maar hoe zit het met de nazorg voor de dierlijke nabestaanden? Niet iedere poezeneigenaar zal zo attent zijn als de dichteres Fritzi Harmsen van Beek, die een gedicht schreef voor haar ‘neerslachtige poes, ter vertroosting bij het overlijden van zijn gebroed’.

Ik wandel van het mijmerbankje over het asveld terug naar mijn fiets. Pas op het laatste moment zie ik daar, vlak naast de parkeerplaats, nog een tweede knekelafdeling van het duc. Dit deel van het kerkhof doet zich voor als de calvinistische variant van het Cimetière des Chiens. Een smal tegelpad maakt het mogelijk om tussen de verschillende dierengraven te wandelen. Als graf dient vaak een lage heg. Soms ligt er een marmeren gedenkplaat. Hier vind ik ook het dodenbed van de buldog Boris. Een enkele keer rust er een verweerde hondenfoto in de aarde.

Aan de sterfdata op de zerken te zien, en aan de slecht onderhouden staat van dit hoekje begraafplaats, worden er hier inmiddels geen huisdieren meer begraven. In de folder wordt er ook niet voor geadverteerd. Men begraaft tegenwoordig blijkbaar liever onder het gras.

Op de fiets terug naar het centrum van Amsterdam realiseer ik me dat ik door Mitch Hedberg wellicht een wat vertekend beeld had van wat er op een huisdierenbegraafplaats zoal plaatsvindt. Maar misschien moet ik ’s nachts nog eens terugkomen.

Eenmaal thuis denk ik aan Maarten en Nicolien Koning, de hoofdpersonages in het auto­biografische oeuvre van J.J. Voskuil. Maarten en Nicolien zijn waarschijnlijk de grootste dierenvrienden uit de Nederlandse literatuur. Ze houden zelfs meer van dieren dan van mensen. Het zoveelste bewijs daarvan was weer te vinden in Voskuils laatst verschenen postume roman De buurman. Tijdens hun wandelvakantie zorgt een zekere mevrouw Van Dijk voor Maarten en Nicoliens katten. Als ze thuiskomen, blijkt echter dat de dochter van deze mevrouw Van Dijk plotseling is overleden en dat ze daarom niet langer voor hun katten kon zorgen – ze had de taak overgedragen aan hun twee buurmannen. Maar die hadden niets aan de verzorging gedaan. Maarten en Nicolien zijn in wanhoop over het lot van hun katten, en staan geen moment stil bij dat van mevrouw Van Dijk.

Het is dan ook niet zo vreemd dat de ontroerendste momenten in Voskuils werk plaats­vinden wanneer een van hun katten sterft. In deel 4 van de zevendelige roman Het Bureau wordt de overleden kat Jonas opgehaald, over wiens dood Maarten zegt dat die hem meer heeft aangegrepen dan de dood van zijn vader en moeder. Nicolien ziet uit het raam de auto met daarin de kat wegrijden en belt Maarten op, die aan het werk is.

‘“We hadden hem nooit mee mogen geven,” zei ze huilend.

“Maar je kunt hem toch niet bewaren?”

“We hadden hem zelf moeten begraven.”

“Maar hoe kan dat nou?”

“In de duinen! Waar we altijd wandelen!”

“Maar je kunt toch niet met een dooie kat en een schop de duinen intrekken?”

“Ja, dat kan! Dat hadden we moeten doen! Dat hadden we voor hem over moeten hebben!”

Hij zweeg.’

Als later, beschreven in datzelfde deel 4 van Het Bureau, hun kat Marietje sterft, begraaft Maarten die in de tuin van hun buren.

Wat ten slotte niet voor de antropomorfisering van het huisdier pleit, of misschien juist wel, is de genderverwarring waar al die beesten constant aan worden blootgesteld. Of het vierpotige dier van Maarten en Nicolien nu Marietje of Jonas heette, ze omschreven hem of haar altijd als hun kat. Zoals er zo veel mensen zijn die vinden dat je niet ‘poes’ maar ‘kat’ hoort te zeggen, onafhankelijk van het geslacht. Ik heb dat altijd verschrikkelijke onzin gevonden. En ik beland regelmatig in ingewikkelde dialogen, waarin een gesprekspartner halsstarrig ‘kat’ blijft zeggen, terwijl ik het over onze poes blijf hebben. Zoals in een gesprek ook ‘koelkast’ en ‘ijskast’ over en weer kunnen gaan. En dan is er ook nog Harmsen van Beek die het in haar gedicht heeft over een ‘neerslachtige poes’ en ‘zijn gebroed’ – wat de kwestie helemaal een lastige maakt.


Zomerschrijvers 2

Zes jonge schrijvers trokken op verzoek van De Groene Amsterdammer het land in. We vroegen ze geen verhaal, maar een literaire reportage die inzicht geeft in het Nederland van nu. Deze week Merijn de Boer, die vorig jaar debuteerde met de verhalenbundel Nestvlieders. De komende weken volgen nog Bart Koubaa, Ivo Victoria, Philip Huff en Franca Treur.


Beeld courtesy Frank Schirrmeister / Ostkreuz / Hollandse Hoogte