Rusteloze zwerver

Het is een oude klacht: Nederlanders houden hun grote schrijvers niet in leven. Engelsen, Fransen en Duitsers hebben de klassieke romans uit hun literatuurgeschiedenis permanent beschikbaar in aantrekkelijke, goedkope pocketreeksen en je hoeft niet verbaasd op te kijken als zij citeren uit het werk van schrijvers die al decennia zo niet eeuwen onder de zoden liggen.

In Nederland zijn dode schrijvers morsdood. Hun werk is vaak maar mondjesmaat verkrijgbaar, op de middelbare scholen worden ze nog maar nauwelijks gelezen, en als je uit een klassieker citeert is de kans groot dat je vooral glazig wordt aangekeken.

Een jaar of tien geleden hield de eerbiedwaardige Maatschappij der Nederlandse Letterkunde onder haar 1600 leden een enquête over de positie van klassieke Nederlandse teksten. Vrijwel alle geënquêteerden (98 procent) waren het erover eens dat Nederlanders een matige tot slechte kennis van hun erfgoed hebben. Ruim driekwart vond dat er in het onderwijs en in de media te weinig aandacht is voor de hoogtepunten uit onze literatuurgeschiedenis.

Het is alleen al daarom lovenswaardig dat Bas Heijne zich heeft ontpopt als een onvermoeibare pleitbezorger van het werk van Louis Couperus (1863-1923), volgens hem de grootste romancier die Nederland gekend heeft. Hij publiceerde in 1996 al het kleine boekje Het gezicht van Louis Couperus, bij het uitkomen van het laatste deel van diens Verzameld werk, hij schreef in de loop der jaren menig essay over hem en kwam nu, naar aanleiding van de 150ste geboortedag van de schrijver, met een documentaire, Niet te stillen onrust, en een essay in boekvorm, Angst en schoonheid. En dan doorkruist hij ook nog eens het hele land om zijn literaire held middels lezingen en forumdiscussies nieuw leven in te blazen.

Uiteindelijk draait Couperus’ werk om ‘die tergende, steeds terugkerende vraag: wat is een zinvol leven?’

Maar belangrijker natuurlijk dan die volharding is de manier waarop Heijne zijn ambassadeurschap invult. Angst en schoonheid is het soort essay dat over veel meer Nederlandse schrijvers geschreven zou moeten worden. Het is, zoals Heijne zelf ook schrijft, geen traditionele literaire studie en geen biografische schets; het brengt leven en werk juist vrijmoedig met elkaar in verband. Het is ook, goddank, geen zelfhulpboek in de trant van _How Proust Can Save Your Live,_ dat wil zeggen een schaamteloze toe-eigening waarbij Couperus aaibaar wordt gemaakt voor niet-lezers. Nee, Heijne benadert Couperus als tijdgenoot, als, zoals hij het zelf zegt, een imaginaire vriend, die worstelde met grote kwesties waar wij, in de 21ste eeuw, nog steeds mee worstelen.

Wat ook aantrekkelijk is, en voor Nederland uitzonderlijk, is dat Heijne hem vanzelfsprekend in internationaal perspectief plaatst. De stille kracht (1900), Couperus’ beklemmende boek over de koloniale ervaring in Nederlands-Indië, plaatst Heijne op één lijn met A Passage to India van E.M. Forster en Heart of Darkness van Joseph Conrad, die andere grote romans die genadeloos beschrijven hoe de westerling ontspoort in de voor hem ondoordringbare tropische landen. Couperus’ Hollandse personages zijn niet in staat Indië te doorgronden, waardoor ze blind zijn voor de krachten die hun ondergang worden. Ze schieten, schrijft Heijne, te kort in hun blik, ‘ze zitten op een fatale manier gevangen in hun manier van kijken, gevormd door cultuur, milieu, afkomst, groepshorigheid’. Als de westerse beschaving, met al haar gevoelens van superioriteit, in een volslagen andere cultuur wordt geplaatst, blijkt hoe rigide, beperkt en grotendeels illusoir het eigen zelfbeeld is.

Heijne portretteert Louis Couperus in zijn manische veelzijdigheid, beschrijft hem als een rusteloze zwerver die nergens werkelijk thuis was – niet in Indië, niet in Den Haag, en zelfs niet in zijn geliefde Italië. Hij schetst zijn aandrang om telkens weer een nieuwe gedaante aan te nemen, zoals hij zelf ook aangeeft in Metamorfoze (1897), de roman waarin hij zijn artistieke en emotionele ontwikkeling heeft samengebald. Hij staat stil bij Couperus’ bekentenis, in een van zijn zogenaamd autobiografische feuilletons, dat hij altijd heeft gelogen, dat de leugen voor hem ‘een zaligheid is’, om daarbij op te merken dat liegen bij hem ook een vorm van waarheid zoeken is. Hij snijdt het determinisme van Couperus aan, zijn noodlot-gedachte, zijn zoeken van genot, de vlucht in de verbeelding. Alle facetten van Couperus komen aan de orde; alleen over de dandy, op foto’s gestold in wufte poses, heeft hij het nauwelijks. Hij is niet geïnteresseerd in de buitenkant, hij wil in de schrijver doordringen, vandaar ook zijn fascinatie voor dat ene filmpje van Couperus dat bestaat, waarin hij zijn gezicht voor het eerst echt ziet.

En als je tot Couperus doordringt, merk je hoe groot de inzet van zijn schrijverschap was. Hij kon zich verliezen in veel- en mooischrijverij, hij wisselde meesterwerken af met vluchtige teksten om den brode, maar uiteindelijk draait zijn werk volgens Heijne om ‘die tergende, steeds terugkerende vraag: wat is een zinvol leven?’ Daarom is hij vaak als een moedeloze fin de siècle-schrijver gezien, iemand die schreef op het breukvlak van twee eeuwen en de ondergang van een oude wereld beschrijft: de onhoudbaarheid van het Indische tempo-doeloegevoel, de verstikkende façade van de Haagse haute bourgeoisie, het ongemak van zijn seksuele ambivalentie. Heijne zet Couperus daarentegen neer als een modern auteur, die een vraag stelde die nog steeds op antwoord wacht: ‘Hoe betekenis te geven aan een bestaan dat geen betekenis lijkt te hebben?’ Hij verdient het daarom nog volop gelezen te worden.