de Nederlandse missie in Uruzgan

Rustig aan in Uruzgan

Is het vechten of opbouwen in Uruzgan? ‘Die discussie boeit mij niet’, zegt de Nederlandse commandant. ‘Wij doen hier allebei.’ Een tocht naar de rand van het veilige gebied.

TARIN KOWT / DEH RAWOD – Langzaam kruipt de patrouille omhoog. Op de top van de heuvel stoppen de voertuigen. Militairen stappen uit en beveiligen de omgeving. De mitrailleurschutters boven op de Mercedes-jeeps en pantserwagens richten elk op hun eigen sector die ze dienen te bestrijken als we worden aangevallen. Dit is Rollercoaster Hill, een van de gevaarlijkste plekken in de omgeving van de Nederlandse basis in Deh Rawod. Vijf keer ontsnapten Nederlandse patrouilles hier aan de dood. De meeste bermbommen werden tijdig ontdekt. Eén keer klonk een enorme explosie toen de patrouille al buiten bereik was. Improvised explosive devices (ied’s), zoals bermbommen in militair jargon worden genoemd, vormen een grote dreiging. Ze worden steeds slimmer geplaatst en hun explosieve lading neemt toe.

De randen van het pad worden nagelopen op zoek naar explosieven. We zijn hier veilig. Niemand kan meer ongezien de heuvel op om bommen of hinderlagen te leggen, want iets hoger, waar de weg niet komt, ligt sinds kort een post bemand door gewapende Afghanen die werken voor de Nederlanders.

De rit heuvelafwaarts is het gevaarlijkst. Misschien is onder dekking van de pikdonkere nacht toch een dodelijke lading ingegraven. Eén voor één dalen de Nederlandse wagens af. Er gebeurt niets. Het vlakke terrein ligt voor ons open. Ons doel is ‘Volendam’, een vooruitgeschoven post van de Nederlanders tussen Rollercoaster Hill en de rand van de woeste bergen in het noorden.

Camp Hadrian bij Deh Rawod is de kleinste van twee Nederlandse bases in het zuiden van de provincie Uruzgan. Er zijn zo’n vierhonderd troepen gelegerd. De hoofdbasis Kamp Holland, met duizend Nederlandse manschappen en een kleine vierhonderd Australiërs, bevindt zich meer naar het oosten, in Tarin Kowt. Deh Rawod is vanuit Tarin Kowt over land bereikbaar, via een moeizame route die zes uur duurt. Of door de lucht in een tien minuten durende helikoptervlucht.

De Nederlandse Cougar-helikopters lijken op dikke bromvliegen. Ze vliegen laag tot ze bij de bergrug komen die de vlakte van Tarin Kowt scheidt van die van Deh Rawod. Dan schieten ze haast loodrecht omhoog, om na de bergen weer stijl naar beneden te duiken. Ze scheren laag over quala’s, grote ommuurde huizen, in de omgeving van Camp Hadrian en houden hun rotors draaiend terwijl ze troepen en uitrusting uitspugen.

Hiervandaan begint de rit naar Volendam. De post is een mfq: een multi functional quala. Binnen de sterke quala-muren komen voorzieningen voor de omwonenden. Tegelijkertijd vormt de basis een militaire voorpost van waaruit de omgeving gecontroleerd kan worden. Taliban-infiltraties kunnen zo tijdig worden opgemerkt en voorkomen. Alles is erop gericht de Taliban-invloed terug te dringen. Het winnen van de bevolking is belangrijker dan het jagen op terroristen, luidt het devies.

De Nederlands-Australische Taskforce Uruzgan maakt deel uit van Isaf, de internationale stabilisatiemacht onder leiding van de Navo die de Afghaanse regering van president Hamid Karzai helpt. In het roerige zuiden hebben de Taliban, opstandige krijgsheren en drugsbazen grote invloed. Vaak werken zij samen om te voorkomen dat hun macht wordt aangetast. Isaf duidt hen aan als omf: opposing militant forces. De afgelopen twee jaar lanceerden zij felle zomeroffensieven. In de wintermaanden nemen de gevechten af. Maar aanslagen door zelfmoordcommando’s en ied’s gaan het hele jaar door. Het zijn nieuwe fenomenen in Afghanistan, geïmporteerd uit Irak.

Provinciale reconstructieteams (prt’s) vormen de kern van de Isaf-missie. Ze zijn bedoeld om de ontwikkeling van de regio te ondersteunen en zo de regering te versterken. ‘Wij willen werken via de overheid’, vertelt overste Gerard Koot, de prt-commandant van Taskforce Uruzgan. ‘Het is leuk om hier met een Nederlandse vlag te zwaaien en te zeggen: kijk, wij hebben weer een school gebouwd. Maar daar gaat het niet om’, zegt hij. ‘Er is hier een Afghaans probleem dat op Afghaanse wijze moet worden opgelost door een Afghaanse overheid, want het is de Afghaanse toekomst waaraan we werken.’

De lijst van projecten waarbij Nederlanders betrokken zijn, is lang. Het zijn er meer dan 75, variërend van het geven van humanitaire hulp tijdens een patrouille tot het opknappen van moskeeën.

‘De Taliban zijn niet de bron van het conflict’, legt overste Koot uit. ‘Het is de falende overheid die jarenlang niets goeds bracht. Dus staat vijftig tot zestig procent van de bevolking open voor de Taliban. Als je ze kunt laten zien dat de overheid er voor hén is en dat het leven onder de huidige gouverneur een stuk verbeterd is, dan haal je het draagvlak onder de Taliban weg. Daarom is good governance en het bestrijden van overheidscorruptie minstens zo belangrijk als het aanleggen van bruggen en wegen. Alléén: dat eerste levert geen direct zichtbare resultaten op.’

Vijf maanden zijn de Nederlanders nu in Uruzgan. De provincie is nog lang niet onder controle. Maar reken ons daar niet op af, zeggen officieren steeds weer. ‘We doen het rustig aan’, zegt kolonel Theo Vleugels, commandant van Taskforce Uruzgan. Hij rookt een sigaar in zijn kantoortje, gevestigd in een van de gepantserde containers waarmee de Nederlandse bases vol staan. Ze beschermen tegen raket- en mortieraanvallen. ‘De vraag is: wat wil je’, zegt kolonel Vleugels. ‘Een permanente jacht op de Taliban of de steun van de bevolking? Wij willen dat laatste. En ik zal je wat verklappen: dat kost tijd. We hebben altijd gezegd dat dit een project is van de lange adem. De mensen hier zijn gewend aan dertig jaar oorlog. Ze leven helemaal los van Kaboel, in hun eigen stammencultuur. Hun basishouding is: Laat ons met rust.’

Hij is zich bewust van de wrevelige opmerkingen die binnen de Navo werden gemaakt. In de naburige provincies Qalat, Kandahar en Helmand wordt Isaf gevormd door Amerikanen, Canadezen en Britten. Zij hebben het zwaar en komen geregeld onder vuur. Het beeld heerste dat de Nederlanders niet bereid waren het gevecht aan te gaan, en weinig van de bases kwamen. Niets is minder waar. Sinds mei zijn verscheidene zware gevechten geleverd in de Darafshan Vallei, vlakbij Tarin Kowt. Daarbij werden volgens Defensie tientallen Taliban-strijders gedood. De prt-teams van overste Gerard Koot zijn dagelijks op weg en net als in het district Deh Rawod is ook buiten Kamp Holland een patrouillebasis ingericht, Poentjak genaamd. Daar wordt geregeld gevochten. Tijdens mijn verblijf vinden twee aanvallen met 107mm-raketten plaats, waarbij twee Nederlanders licht gewond raken door rondvliegende stenen en scherven.

De Nederlanders hanteren het concept van de inktvlek, dat wordt gebruikt in alle Isaf-provincies. Het veilige gebied verspreidt zich als gemorste inkt vanuit militaire bases. Patrouilles zorgen voor de veiligheid, zodat de prt zijn opbouwende werk kan doen. Als de gebieden bedreigd worden door Taliban-strijders, volgen ‘offensieve veiligheidsoperaties’. Die worden tot een minimum beperkt wegens het risico op burgerslachtoffers. De Nederlanders lijken zorgvuldiger en doordachter te werk te gaan dan hun naburige collega’s, al zal geen Nederlandse officier dat hardop zeggen.

Neem de Britten. Zij wilden in Helmand afgelopen zomer het tempo hoog houden en bespikkelden ‘hun’ provincie met vele kleine inktvlekjes. Buiten de hoofdbasis in Laskar Gah vestigden ze kleine posten waar de Taliban het actiefst waren. De minibases werden aangevallen door grote groepen strijders. Het kostte de Britten veel slachtoffers in eigen gelederen. Aan opbouw kwamen ze niet toe. Om te voorkomen dat de posten onder de voet werden gelopen, werden luchtaanvallen uitgevoerd waarbij burgerslachtoffers vielen. Daardoor kwam het winnen van de bevolking – de ruggengraat van de Isaf-strategie – op losse schroeven te staan. De Britten kozen eieren voor hun geld. Ze werken nu net als de Nederlanders voornamelijk vanuit hun hoofdbases.

Ook in Kandahar, onder leiding van de Canadezen, vielen burgerdoden. Het effect is tot in Uruzgan te merken. ‘De mensen zijn bezorgd. Ze vertellen ons dat in Kandahar vliegtuigen huizen kapot bombarderen. Dat kunnen stamoudsten zijn of geestelijken en soms ook mensen in de straat.’

Ook prt-commandant Gerard Koot, die veel contact heeft met de lokale bevolking, benadrukt hoe belangrijk het is dat Nederland terughoudend optreedt. ‘Maar het is niet alléén opbouwwerk. Je zult ook zeker de Taliban rechtstreeks moeten bevechten om ze te verdrijven. Als je dat doet zonder nevenschade, dan geeft dat de burger letterlijk moed.’

Hij vertelt over de laatste actie in de Darafshan Vallei, waarbij Nederlandse commando’s waren betrokken. ‘Bij het dorp Sajawul raakten we in gevecht met Taliban-strijders. We konden luchtsteun inzetten omdat we ons buiten het dorp bevonden. Dertig Taliban kwamen om. De bevolking vertelde ons dat daaronder zeven Taliban-commandanten waren. Ik heb van vier of vijf mensen gehoord hoe blij ze waren met die actie. Ze benadrukten dat het zo goed was dat er geen burgerslachtoffers waren gevallen. Ze vertelden hoe na het gevecht de Taliban het dorp in kwamen met hun gewonden. Ze vroegen hulp, maar de dorpelingen weigerden die te geven. Dat zouden ze vroeger niet gedurfd hebben. Ze worden door de Taliban geïntimideerd.’

Het is koud achter in de open Mercedes-jeep. Ik zit ingeklemd tussen boordschutter Floyd, een kist met munitie en een serie klaar hangende handgranaten. Aan de buitenkant van de wagen, twintig centimeter van me vandaan, is een hoogexplosieve antitankraket bevestigd. ‘Als we worden aangegrepen’, zei de sergeant voordat we vertrokken, ‘dan blijft u in het voertuig. U maakt zich zo klein mogelijk. Floyd heeft alle ruimte nodig. Het kan gebeuren dat hij op u trapt terwijl hij aan het vuren is. Dat is niet anders. U verlaat het voertuig pas als het is uitgeschakeld, of als ik roep “voertuig verlaten”. U voegt zich vervolgens bij mij en volgt mijn instructies.’ Over wat ik moet doen als hij wordt ‘uitgeschakeld’ zegt hij niets.

Iedereen in de wagen heeft een taak. Ook de journalist. De sergeant: ‘Als vrouwen en kinderen zich verwijderen als ze ons zien, dan licht u mij in.’ Vlak voor een eerdere hinderlaag zagen de Nederlanders hoe vrouwen kinderen wegvluchtten, een maïsveld in.

Onze rit voert door spaarzaam bewoond gebied. Maar waar kinderen buiten zijn, rennen ze naar de voertuigen. Als we stoppen in een drooggevallen rivierbedding om weer een bommencheck te doen, roept een groepje kinderen: ‘Hoe gaat het?’ Hun uitspraak is perfect. ‘Het gaat goed, hoe gaat het met jou?’ roepen Nederlandse militairen terug. De kinderen lachen en joelen. ‘We komen hier vaker’, vertelt de sergeant. ‘Ze leren snel.’

De bergen zijn nu een stuk dichterbij. We zijn halverwege Volendam.

Een dag vóór vertrek naar Volendam trekt majoor Herman van den Tempel erop uit in een Bushmaster-pantserwagen. Van den Tempel is de commandant van het provinciale reconstructieteam (prt) in Deh Rawod. Als we zijn aangekomen in het gehucht Laplan, niet ver van de Nederlandse basis, laten we de voertuigen achter. We lopen over smalle irrigatiedijkjes.

‘Lange Frans’ zit gehurkt voor zijn huis. Als hij ons ziet aankomen, rijst hij op en grijnst. Hij mist een voortand en loopt rond met een gepimpte kalasjnikov, vol kleurige stickers. De Nederlanders gaven Mohammed Akbar zijn koosnaam wegens zijn gestalte. Hij is lang en breed. Ook zijn achternaam lijkt geen toeval. Akbar betekent ‘groot’. Bij zijn huis ligt graan te drogen. Maar hij verbouwt ook een ander gewas. De lucht is zwaar van de hasjdampen.

Eigenlijk kwam Van den Tempel om te spreken over het waterprobleem in de regio. Het grondwaterpeil is twaalf meter gedaald en dat heeft grote gevolgen voor de akkerbouw. Lange Frans barst echter meteen los over een ander probleem. Zijn broer is begin juli gedood. ‘Ik ken de moordenaars’, zegt hij, ‘maar de politie doet niets.’ Hij weet wel waarom. De moordenaars zijn bekenden van het districtshoofd, dus die onderneemt geen actie. ‘Kunnen jullie de moordenaars niet arresteren?’ vraagt hij aan Van den Tempel.

‘Nee, dit is een zaak voor jullie eigen politie’, antwoordt hij.

‘Maar wie hier overdag agent is, is ’s nachts een dief!’

‘Daar werken we aan’, zegt Van den Tempel, ‘we monitoren de politie.’

‘Een overheid die geen moordenaars en dieven kan arresteren, is geen goede overheid’, zegt Lange Frans meesmuilend.

Van den Tempel lacht vriendelijk. ‘Dat was een droevig verhaal, nu wil ik een vrolijk verhaal horen.’

‘Die zijn er niet in Afghanistan’, zegt Akbar en hij laat zijn zoon nog eens thee inschenken.

‘Hij heeft een punt’, zegt Van den Tempel later. ‘Jaren van corruptie en vriendjespolitiek zijn natuurlijk niet meteen uit te bannen. Gouverneur Munib moet hier ingrijpen. Niet wij. Wij zijn hier om de Afghanen de kans te geven zélf de boel op orde te brengen.’

Het prt in Deh Rawod heeft dezelfde prioriteiten als dat in Tarin Kowt: gezondheidszorg opbouwen, landbouw- en waterprojecten doorvoeren en het lokale bestuur ondersteunen en van corruptie ontdoen. Dat laatste begint nu nijpend te worden. ‘We weten niet precies wat bestuurders doen met geld dat ze van ons krijgen. Dus benadrukken we bij gouverneur Munib dat de boekhouding op orde gebracht en getoond moet worden.’

Bij het opbouwen van de gezondheidszorg kreeg Van den Tempel hulp uit onverwachte hoek. Het budget van het prt is niet groot. Het leger hoopte op samenwerking met Nederlandse non-gouvernementele organisaties. Maar die laten het afweten. Ze zijn er niet over uit of ze wel willen samenwerken met militairen. Het zou de onafhankelijkheid van hun hulp schaden. Maar op een dag kwam een van de patrouilles terug op Camp Hadrian met goed nieuws. Ze hadden contact gemaakt met een Afghaanse ngo, ahds genaamd, die bezig was een systeem op te zetten van lokale verplegers. Het prt in Deh Rawod werkt nu met ahds samen. ‘Wij verstrekken de middelen, zij bouwen het plaatselijke zorgsysteem op’, zegt Van den Tempel.

‘Er zijn nog veel te weinig ngo’s. Dat is een groot probleem’, vertelt prt-commandant Gerard Koot in Tarin Kowt. ‘Het is voor hen heel gevaarlijk. Ze worden als doelwit gezien. Rond Tarin Kowt en Deh Rawod wordt het veiliger. Maar pas als de overheid er haar zaakjes op orde heeft, kunnen ngo’s zich vestigen. In gebieden waar veel Taliban zitten, zal een hulporganisatie niet herkenbaar aanwezig willen zijn en zeker niet gekoppeld aan militairen. Maar we hebben ze nodig. Hen hier krijgen is een van de grootste uitdagingen in Uruzgan.’

Nu het winter is, is het rustiger rond Deh Rawod. Het is hier gevaarlijker dan in Tarin Kowt. In de zomer lagen de militairen geregeld onder vuur. Nu zijn die aanvallen opgehouden. Maar de veiligheid blijft precair. Tijdens het gesprek met Van den Tempel hield Lange Frans zich op de vlakte over de Taliban. Maar zonder Nederlandse militairen erbij praat hij wél. ‘Ze laten zich niet meer overdag zien’, zegt hij. ‘Ze komen ’s nachts. Ze ondervragen de dorpelingen en als die zeggen dat ik met de Nederlanders samenwerk, rapporteren ze dat aan hun leiders in Pakistan. Misschien zullen ze mij op een dag aanpakken. Ik ben niet bang. Mijn broer is al dood en mijn leven is in Gods hand.’

Na een tocht van bijna twee uur komen we aan op Volendam. Daar blijkt opnieuw hoe onzinnig het onderscheid is tussen vechten en opbouwen, waar Nederlandse politici zich zo druk om maken. ‘Die discussie boeit mij niet’, had kolonel Theo Vleugels in Tarin Kowt gezegd. ‘We doen allebei. Zonder de Taliban op afstand te houden kom je hier niet toe aan opbouwen.’

Volendam ligt aan de rand van de Nederlandse inktvlek. De tocht erheen voert door gevaarlijk gebied en is dus noodzakelijkerwijs een militaire operatie. De post zelf moet bewaakt worden. De mensen in het dorpje onder aan de heuvel zijn de Nederlanders gunstig gezind. Maar de nabijheid van de bergen brengt het risico van aanvallen met zich mee, net als op patrouillebasis Poentjak. Ook Volendam kan vanuit de bergen worden beschoten met 107mm-raketten en 80mm-mortieren, vertellen de militairen die er gelegerd zijn.

Sergeant Bart, die nu met zijn mannen wordt afgelost door verse troepen die in onze colonne zijn meegereisd, vertelt hoe zijn eenheid tot twee keer toe mannen in het donker zag graven op een nabijgelegen heuvelrug. ‘We hebben niets gedaan omdat we niet zeker wisten of ze strijders waren. Maar volgens mij ga je niet ’s nachts je akkertje wieden. Als ze daar een stelling maken, kunnen ze ons onder vuur nemen.’

Vanaf Volendam is de Helmand-rivier te zien. We bevinden ons op de oostelijke oever. Op de westoever is de Taliban-aanwezigheid sterk. De Nederlanders komen er nog nauwelijks en de Afghaanse regering heeft er maar één politiepost. Die is al herhaaldelijk aangevallen. Onlangs kwamen dorpelingen tegen de aanwezigheid van de agenten protesteren. Waarschijnlijk werden ze daartoe gedwongen door de Taliban. ‘Daar moeten we uiteindelijk heen’, zegt sergeant Bart, en hij wijst naar de rivier. ‘Maar als je te snel loopt, verstap je je.’

De post ligt op een heilige heuvel. De bewoners van het gebied behoren tot de trotse Sayet-stam, die zegt gelieerd te zijn aan Mohammed de Profeet. Onder aan de heuvel waaien kleurige vlaggen aan dunne boomstammetjes. Er staat een heiligdom met een begraafplaats. De Sayet stemden in met de militaire aanwezigheid. Het is voor hen belangrijk dat de post uiteindelijk zal overgaan naar het Afghaanse leger.

Het kamp is primitief. Het bestaat uit enkele tenten en stellingen. De mannen eten rantsoenen en verwarmen water op kerosinebrandertjes. Er is een paaltje in de grond geslagen waar ze tegenaan moeten plassen. Voor grotere nood, en voor de paar vrouwen die er gelegerd zijn, is er een latrine, afgedekt met een groen tentje. De multifunctionele quala is in aanbouw. De muren staan al. Ze zijn ongeveer tachtig centimeter dik. Ik meet de dikte af aan de lengte van een Diemaco-automatisch geweer, het Nederlandse standaardwapen, dat een meter lang is.

In een legerziekenwagen is een sick call ingericht, waar dorpelingen terecht kunnen met medische klachten. Korporaal Johnny is combat life saver. Hij behandelde een paar kinderen. ‘Eén had een ongeluk gehad met een motor’, vertelt hij. ‘In zijn enkel zat een groot gat. Hij komt elke dag terug zodat ik kan controleren of hij geneest. Tijdens een patrouille in het dorp kwam een oude man naar me toe om me te bedanken. Ik denk dat het zijn vader was.’ Korporaal Johnny behandelde ook een kind met brandwonden op beide benen. ‘Dat komt hier vaak voor’, zegt hij. ‘Het is een gangbare straf voor ondeugende kinderen om ze met hun benen in kokend water te hangen.’

Korporaal Johnny is moe na zijn dienst op de Spartaans ingerichte voorpost. Na ons gesprek doezelt hij weg in de laadbak van een met modder besmeurde Mercedes-jeep. Hij houdt zijn schietklare Diemaco in zijn handen geklemd.

De afgeloste troepen keren met ons terug naar Camp Hadrian. We nemen een andere route, om de kans op aanvallen met bermbommen te verkleinen. Onderweg stoppen we om greppels te controleren. Een zenuwslopend werkje. De laatste tijd worden ied’s lang van tevoren ingegraven. Ze werken met drukplaten, vertelde majoor Jos, een genieofficier in Tarin Kowt. ‘Je kunt er wekenlang overheen rijden zonder dat er iets gebeurt. Totdat op een dag de ontsteking is geactiveerd met een zendertje of een mobiele telefoon. Dat doen ze als ze je zien aankomen. Als daarna een voertuig over de drukplaten rijdt, ontploft de boel.’ Vlak voordat we naar Volendam gingen, maakten de genisten van majoor Jos een bermbom onschadelijk die meer dan acht kilo springstof bevatte. ‘Maakt niet uit met wat voor pantserwagen je eroverheen rijdt. De kans dat je de explosie overleeft is klein’, zei hij glimlachend. ‘Mooi werk, hè? We hebben er weer één te pakken moet je maar denken.’

Ik rijd mee in een Patria-pantserwagen. Onderweg wordt er weer veel gezwaaid naar kinderen. Maar als we een aantal quala’s naderen die langs de smalle weg staan, vertrouwt de sergeant het niet. ‘Hoofden naar binnen en luiken dicht’, beveelt hij. Er zijn eerder hinderlagen geweest vanuit quala’s, vertelt hij. ‘Dan zagen we alleen maar geweerlopen boven de muren uitkomen.’

In zijn pantserwagen vallen vermoeide mannen langzaam in slaap. ‘We doen hier zeker goed werk’, zegt de sergeant. ‘Maar ik vraag me af of Nederland weet hoe zwaar het is.’

Medium groene2

Dit artikel is door Defensie gecontroleerd op informatie die de troepen in gevaar kan brengen. Onafhankelijke Afghaanse bronnen in Uruzgan konden niet worden geraadpleegd. Zie ook het weblog waarin Joeri Boom dagelijks verslag doet van zijn verblijf bij Nederlandse eenheden in Uruzgan