Roosevelt: de wereld bevrijden van angst

Rustig slapen

De Amerikaanse president Roosevelt wilde de wereld vrijwaren van angst en gebrek. Norman Rockwell, de meest geliefde Amerikaanse kunstenaar van de twintigste eeuw, verbeeldde deze ambitie. Bush deed er zijn voordeel mee.

WASHINGTON — een maand geleden hield president Bush zijn meest welluidende toespraak, vol aforismen en oneliners. Het was 6 november. In de nationale Kamer van Koophandel sprak Bush ter gelegenheid van de twintigste verjaardag van de National Endowment for Democracy. De rede bleef in Europa onopgemerkt, in de Verenigde Staten allerminst. In grote opwinding vergeleek William Safire, columnist van The New York Times, de speech zelfs met een «groot gedicht» en «een prachtig muziekstuk». Met instemming constateerde hij dat Bush zichzelf in de toespraak op één lijn stelde met de grote presidenten uit het verleden. «Met een groot gevoel voor geschiedenis pleitte George Bush voor een ‹voorwaartse strategie› van idealisme in de Amerikaanse buitenlandse politiek. Hij durfde zijn Grote Idee — dat inmiddels het centrale thema en doel van zijn presidentschap is — in een direct en bezielend verband te plaatsten met de aspiraties zoals die zijn uitgedrukt door de drie meest vooruitziende en controversiële presidenten van de afgelopen eeuw.»

Bush refereerde in zijn rede aan toespraken van Woodrow Wilson («safe for democracy», 1918), Franklin D. Roosevelt (over «de vier vrijheden», 1941) en van Ronald Reagan in Westminster in 1982, waarin Reagan voor een sceptisch Brits Lagerhuis de ondergang van de Sovjet-Unie aankondigde. Bush hield in november zijn ovationele publiek voor: «The advance of freedom is the calling of our time; it is the calling of our country. From the Fourteen Points to the Four Freedoms, to the Speech at Westminster, America had put our power at the service of principle. We believe that liberty is the design of nature; we believe that liberty is the direction of history.»

Sinds Reagan heeft verklaard dat de democraat Roosevelt zijn grote voorbeeld was, is het allang niet meer opvallend dat een Republikein de vier vrijheden van Roosevelt noemt als kwintessens van een idealistische Amerikaanse buitenlandse politiek. Dat was wel anders in de jaren die aan de Tweede Wereldoorlog voorafgingen. Behalve de meest geliefde was Roosevelt in de jaren dertig tegelijk ook de meest gehate president die het land tot dan toe had gekend. De elite van het land, destijds gevormd door bijna louter Republikeinen, vergeleek Roosevelt met Stalin en zelfs met Hitler. «Die man in het Witte Huis», zoals ze hem noemden, was immers de eerste Amerikaanse president die een verregaande rol zag weggelegd voor de overheid.

Van de vier vrijheden die Roosevelt op 6 januari 1941 de natie in zijn State of the Union voorhield zijn er twee uitgesproken sociaal van karakter. Om ze te realiseren moest de overheid niets laten, maar juist iets doen. De klassieke «negatieve» grondrechten van Amerika, zoals vastgelegd in de Bill of Rights, zijn vrijheid van godsdienst, meningsuiting, pers en vereniging. Over de laatste twee sprak Roosevelt niet. Hij had het liever over «vrijwaring van gebrek» en «vrijwaring van angst».

Roosevelt gaf deze vrijheden een universalistische pretentie, met de toevoeging «in de gehele wereld». Daarom keerden deze twee nieuwe «freedoms from» terug in het Atlantisch Handvest en in de nieuwjaarsverklaring die 26 geallieerde landen in 1942 opstelden en die de basis vormde voor het Handvest van de Verenigde Naties. De vier vrijheden heten daarin «de grondprincipes van een nieuwe internationale orde».

Roosevelt hoopte dat de vrijheid van godsdienst, de vrijheid van meningsuiting, de vrijwaring van gebrek en de vrijwaring van angst de kracht en eenvoud hadden om Amerikanen te motiveren er desnoods hun leven voor te geven. Kunst kon daaraan bijdragen. Daarom gaf de regering verscheidene kunstenaars de opdracht de vier vrijheden te verbeelden. Want hoewel dat in de moderne twintigste eeuw niet meer bon ton was, waren kunstenaars gewoon doorgegaan met wat zij al eeuwen deden: uitdrukking geven aan deugden, waarden, verhalen en gedachten waarvoor machthebbers zeiden te staan, of waarmee ze geassocieerd wensten te worden. Bekende voorbeelden zijn de fresco’s van het Palazzo Pubblico te Siena, de beeldhouwkunst en de schilderijen in het paleis op de Dam te Amsterdam en de Napoleontische schilderijen van Jacques-Louis David. De twintigste-eeuwse, realistische producten van overheidskunst in de Sovjet-Unie en nazi-Duitsland zijn bekend. Minder bekend zijn de Amerikaanse schilderijen van overheidswege, hoewel de praktijk daar even onomstreden was.

Roosevelts vier vrijheden werden vooral populair door de schilderijen van Norman Rockwell (1894-1978), de meest geliefde Amerikaanse kunstenaar van de twintigste eeuw. Toen Rockwell zijn serie schilderde, had hij al meer dan tweehonderd schilderijen vervaardigd voor omslagen van The Saturday Evening Post, een keurig weekblad met een miljoenenoplage. Ook zijn vier vrijheden werden cover van het blad. Bovendien zagen meer dan een miljoen Amerikanen de originele exemplaren die in 1943 het hoogtepunt vormden van een rondtrekkende tentoonstelling, die een fenomenaal succes was. Ze bracht 132 miljoen dollar op aan giften ter bekostiging van de oorlogsinspanningen.

De schilderijen groeiden uit tot nationale symbolen. Politieke cartoonisten benutten de bekendheid van de beelden nog altijd en ook het Disney-concern gebruikte het Thanks giving-tafereel uit Freedom from Want in een tekenfilm. Zelfs de modellen die Rockwell voor zijn serie had gebruikt, werden nationale beroemdheden.

Freedom from Fear werd het belangrijkste embleem. Het is een geruststellend beeld. Vader en moeder stoppen hun kinderen in, terwijl The New York Times onder de arm van vader spreekt van bombardementen op burgerdoelen. Zelf vond Rockwell het schilderij enigszins misleidend, omdat Amerikaanse kinderen in 1943 weinig gevaar liepen. In de VS vielen tijdens de Tweede Wereldoorlog niet meer dan acht burgerdoden, een dominee en zijn gezin die een Japanse brandbom vonden op het strand van Oregon.

En toen kwam 9/11. De redactie van The New York Times drukte Freedom from Fear groot af, dit keer met een vader die, duidelijk zichtbaar, de editie van 12 september 2001 onder de arm droeg. De krant deed dat niet voor niets. Toevallig hingen de vier vrijheden toen juist in het Guggenheim Museum, een bastion van moderne, abstracte kunst. Uit geldnood had de directie de rondreizende tentoonstelling Pictures for the American People naar het museum gehaald. Opvallend genoeg waren toonaangevende kunstcritici dit keer voor het eerst ook enthousiast. In de weken na 11 september ontstond grote belangstelling voor het geruststellende patriottisme van Rockwells schilderijen.

Tijdens zijn leven was Rockwell slechts de artistieke held van het volk geweest. Hij was de Jopie Huisman van Amerika. Ieder mens die zijn eigen smaak als enigszins ontwikkeld beschouwde, verafschuwde het overdreven realisme, de zoete lichtval en het vette pathos in Rockwells schilderijen. Zelfs in de Office of War Information in Washington, door Rock well gewoon «ministerie van Propaganda» genoemd, hadden de dienstdoende ambtenaren in 1942 niet veel zin om zijn werk in te zetten voor de goede zaak. Dat bleek toen Rockwell tijdens een bezoek zijn ontwerpen voor de serie liet zien. «In de vorige oorlog», vertelde een ambtenaar hem, «deden jouw soort kunstenaars het werk. In deze oorlog gaan we echte (abstracte — pvo) kunstenaars gebruiken.» Op de terugweg uit Washington ging Rockwell langs bij zijn redacteur van The Evening Post. Die haalde hem over zijn schetsen toch uit te werken.

Maar ondanks het enthousiasme van de redacteur voelde Rockwell zich afgewezen door de overheid. Hij leed al zwaar onder het dédain, zo zei hij zelf, uit de gevestigde kunstkringen. Hij weet er zelfs zijn terugkerende depressies aan. Nu werd ook nog eens zijn patriottisme niet gewaardeerd door het politieke establishment.

Na de oorlog ging het niet beter met de artistieke status van de meest geliefde volkskunstenaar van het land. De smaak van Hitler, Stalin en vele Europese collaborateurs dreef de traditionele figuratieve kunst nog verder in een verdachte hoek. Sindsdien was de keuze volgens de realisten: kladderen of klagen. Rockwell was een klager.

De herwaardering die hij kreeg in 2001 heeft hij niet meer mogen meemaken. Hij had het heerlijk gevonden. Plotseling waren de vergelijkingen — hoe curieus ook — met de grote negentiende-eeuwse naturalisten en Mondriaan, Vermeer en Michelangelo niet van de lucht.

Er klonken ook tegenstemmen. Het satirische weekblad The Onion kopte enkele weken na 11 september: «A Shattered Nation Longs To Care About Stupid Shit Again».

Eerlijk is eerlijk, Rockwell was een schilder die zijn vak verstond. Maar zijn vrijheidsserie is niet veel meer dan simpele politieke propaganda. De obsceen grote, bruin gebraden kalkoen die hij tijdens Thanksgiving in zijn Vrij van gebrek laat opdienen in een blije familie lijkt op de kalkoen die Bush zijn soldaten opdiende tijdens een Thanksgiving-viering in de barakken van Irak.

Beide presidenten, Roosevelt en Bush, gebruikten een situatie van nationale nood om een politiek programma uit te voeren dat in normale omstandigheden niet haalbaar leek. In het Norman Rockwell Museum in het plaatsje Stockbridge, Massachusetts, is een brief te lezen die exemplarisch is voor de aanvankelijke minachting van grote groepen Amerikanen voor de «nieuwe» sociale vrijheden van Roosevelt. Meneer Grant uit New York vraagt Rockwell waarom hij niet gewoon de vier klassieke Amerikaanse vrijheden heeft verbeeld. De ambitie van een overheid om haar burgers te vrijwaren van angst en gebrek, kan slechts leiden tot totalitarisme. Het zijn, schrijft Grant, «de utopische beloftes die alle dictators eigen zijn».

Ook nu, meer dan vijftig jaar later, lijkt de gedachte dat de overheid ervoor kan zorgen dat burgers zonder vrees door het leven gaan een verregaande pretentie. Angst hoort onlosmakelijk bij het leven. Maar uit zijn speech blijkt dat Roosevelt vooral doelde op de angst die gepaard gaat aan de nachtelijke «klop op de deur», zoals hij het noemt, aan laarzen in de straat en bommen op je dak. De president, hoe megalomaan ook, was niet uit op de totale vrijwaring van faalangst, vliegangst, podiumangst, pleinvrees, enzovoort.

Toch was de vierde vrijheid wel degelijk een verantwoordelijkheid van de overheid, zeker als het aan Roosevelts aanhangers lag. De voorzitter van het Nederlandse Roosevelt Genootschap (ook dat bestaat) — Wim van Gelder, tevens commissaris van de koningin in Zeeland — noemt de vier vrijheden «de meest treffende omschrijving van de essentiële verantwoordelijkheid van een overheid voor menselijk gelijk en welzijn». Roosevelt zelf zei dat de vierde vrijheid in «wereldlijke termen neerkomt op een wereldwijde reductie van wapentuig, tot het punt dat geen natie meer in de positie is om een daad van fysieke agressie te plegen tegen welke buurman ook, waar ook in de wereld».

Dat klinkt inderdaad utopisch, maar heeft weinig uit te staan met de verlangens van een dictator. Het was vooral retoriek. Enkele jaren later gooide zijn opvolger de atoombom op Hiroshima en al spoedig werd Amerika een van de twee best bewapende landen ter wereld.

Maar Roosevelts beroemdste uitspraak ooit, «The only thing we have to fear is fear itself», is vandaag nog actueler dan toen Roosevelt dit zei. In Amerika lijkt meer dan ooit de angst te regeren. Iedereen is overal bang voor: van drugs en zwarte landgenoten tot microben, van de Afrikaanse moordbij tot de opkomst van de tienermoeder. Filmmaker Michael Moore won een Oscar met een documentaire waarin hij duidelijk probeert te maken dat de hoge moordcijfers en vele schietincidenten in Amerika niet in eerste instantie het gevolg zijn van de vrije verkoop van wapens, maar van de cultuur van angst geschapen door politici en televisiebedrijven.

Moore ontleende zijn voorbeelden aan het krachtige, bijna drammerige boek The Culture of Fear van socioloog Barry Glassner. Die stelde zich als hoofdvraag: «Waarom denkt twee derde van de Amerikanen in de jaren negentig dat de criminaliteitscijfers groeien, terwijl die in werkelijkheid gedurende het hele decen nium zijn afgenomen?»

Er is niets terechtgekomen van Roosevelts ideaal gevrijwaard te zijn van angst. Net zo min als van het ideaal vrij van gebrek te leven. Maar anders dan de wijsheid van Roosevelt zijn de beelden van Rockwell wel diep in de Amerikaanse samenleving gezonken. Zelfs president Bush poogde een zinnebeeld van hoop te worden door te figureren in een typisch Rockwell-tafereel. De foto van Bush met een smakelijk uitziende, precies goed aangebrande kalkoen ging de hele wereld over. En als het aan Bush ligt met eenzelfde effect als het schilderij Freedom from Want in 1943: steun voor de oorlog.

De vraag blijft, ook vijftig jaar na Rockwells schilderijen, hoeveel pathetische retoriek een natie aankan. Als je de speeches van Roosevelt en Bush naast elkaar legt, blijken er in een halve eeuw tijd vooral meer kunstmatige platitudes in de taal geslopen. Rockwell was tenminste nog eerlijk over de kalkoen die hij namens Roosevelt het land opdiende: die was van olieverf. De kalkoen die Bush zijn soldaten voorhield, bleek achteraf pas van plastic.