Rutger Hauer, 23 januari 1944 – 19 juli 2019

Blond, maar duister. Rutger Hauer injecteerde de schurken die hij speelde met tederheid.

Een paar millimeter van het asfalt raast de camera op hem af terwijl hij met moeite opstaat. Zijn lichaam is gebroken, maar het geweldsinstinct in zijn duistere ziel is des te duidelijker omlijnd. Dan komt hij overeind. De camera volgt hem als een magneet. Zijn massieve torso vult het hele scherm; het haar is overweldigend blond. Dit is John Ryder, de moordende lifter, het personage dat Rutger Hauer speelde op het moment dat hij de beste filmacteur werd die Nederland ooit heeft opgeleverd.

Hauer maakte deze film uit 1986 een paar jaar na Blade Runner, maar in de mainstream gold Ridley Scotts sciencefictionfilm toen nog niet als meesterwerk. Fans wereldwijd waren hiervan doordrongen, wat een van de redenen was waarom juist zij naar The Hitcher gingen, immers een horrorfilm waarin ‘die replicant uit Blade Runner’ jaagt op een tiener die een lange autorit in een door God verlaten gebied maakt. De lifter en de replicant zijn exemplarisch voor een filmische figuur waar Hauer midden jaren tachtig patent op had: de gevaarlijke vreemdeling in wiens menselijkheid kijkers een spiegelbeeld van hun identiteit zagen. Een fenomenale prestatie: Hauer injecteerde schurken met tederheid. Dat blijkt uit de scène in The Hitcher waarin Ryder omver wordt gereden door de tiener die hij stalkt, vervolgens opstaat, zijn lichaam gebroken, en lachend naar de camera kijkt, niet als uiting van sadisme, maar om te tantaliseren: het monster als drager van empathie en verlossing.

‘Rutger Hauer was een mannelijke, krachtige, mysterieuze man.’ Zo omschreef regisseur Paula van der Oest hem. Met haar maakte hij in 2011 Black Butterflies waarin hij Abraham Jonker speelt, vader van de Zuid-Afrikaanse dichter Ingrid Jonker. Het is niet duidelijk hoe goed Van der Oest hem kende, maar haar typering van Hauer lijkt de meest rake in de lawine van loftuitingen na het nieuws van zijn dood. Ze vervolgt: ‘Als hij in beeld verscheen, vermoedde je gelijk dat hij allerlei geheimen herbergde. Hij had een enorm charisma.’

In de gedaante van Hauer is de moordende lifter ook iemand om van te houden

Dat laatste is evident, maar het komt in Blade Runner het sterkst naar voren, in de beroemde sterfscène waarin Hauers personage, de artificiële mens Roy Batty, het leven van Rick Deckard (Harrison Ford) redt. Deckard is een premiejager die Batty moet uitschakelen. Deckard is op het oog van vlees en bloed, maar in werkelijkheid is hij even onecht als zijn prooi. Ja, Deckard ís een replicant. De hele scène draait om de vraag wat menselijkheid is. Beide personages laten zien dat je pas ‘mens’ kunt zijn als je in staat bent tot compassie jegens de ander, de vreemdeling, het monster.

De genialiteit van de scène is volledig aan Hauer te danken, zoals te lezen valt in zijn alleraardigste autobiografie All Those Moments (2007). De beroemde tekst, legt hij uit, schreef hij zelf: ‘All those moments will be lost in time. Like tears in rain.’ Dat klinkt typisch menselijk: een en al cliché en melodrama. Maar het punt is, zegt Hauer, dat Batty de hele tijd voorgeprogrammeerde reacties geeft, tot en met het moment van zijn ‘dood’. Dat er dan toch verlossing komt in de vorm van een witte duif die de donkere nacht invliegt als Batty zijn laatste adem uitblaast, compliceert de situatie. Hier zien we immers een moment van verlossing; een ziel wordt opgenomen in de hemel. Ook de lezing dat Deckard door Batty menselijk wordt, kan niet kloppen, aangezien beiden artificieel zijn. Hauer schrijft verder niets hierover, maar hij schetst wel hoe moeilijk het was om die verduivelde duif te laten acteren. Hij sluit het hoofdstuk af met: ‘I’m smiling as I write this.’

Dat lachje van Hauer keert constant terug in zijn oeuvre, in de televisieserie Floris, in de vijf films die hij met Paul Verhoeven maakt, voorop Soldaat van Oranje (1977), en in de Amerikaanse films waarin hij zijn beste werk leverde. Zijn internationale doorbraak kwam met Nighthawks (1981), een fijne thriller waarin hij de rol van Wulfgar vertolkt, een terrorist naar het voorbeeld van Carlos de Jakhals. Zijn tegenspeler is Sylvester Stallone, maar Hauer steelt overduidelijk de hele film. Dat was misschien wel de reden waarom Stallone tijdens het draaien constant uit zijn humeur was. Hauer kon de superster niet luchten of zien. Toen die tijdens het draaien van een actiescène met een kabel ging rommelen, waardoor Hauer viel, beet hij de Italian Stallion toe: ‘If you ever do that again, I’m going to break your fucking balls.’ Stallone deed iets dergelijks niet nog een keer, ook niet toen bleek dat Hauer fitter dan Stallone was en dat hij sneller kon rennen.

Wulfgar was het eerste voorbeeld van Hauers ‘gevaarlijke vreemdeling’, een personage dat hij herhaaldelijk speelde. Dat had te maken met het systeem waarin hij terechtgekomen was, het wereldje in Hollywood. De typecasting kon Hauer naar zijn hand zetten. Dat deed niemand hem na, misschien dankzij dat ‘enorme charisma’ waar Van der Oest over praat. En: wie zijn autobiografie leest, ziet intelligentie. Of ‘wijsheid’. Dit was zijn kunst: stereotiepe personages zoals een robot, een terrorist of een psychopaat een menselijkheid geven waarmee we ons kunnen identificeren. Dat is confronterend: de moordende lifter is angstwekkend, maar in de gedaante van Hauer is hij ook iemand om van te houden. Hoe dat precies werkt, blijft een mysterie. Een lachje. En dan een vinger afhakken. Blond. Maar duister. Door onopgeloste tegenstellingen als deze worden vooral Hauers Amerikaanse films, zoals Blade Runner en The Hitcher, met het verstrijken van de tijd alleen maar beter.