Rutte en de holocaust

HET LIJKT ER warempel op dat Nederland nog taboes heeft en dat uitgerekend Mark Rutte er een heeft aangesneden. De VVD-leider pleit voor wijziging van artikel 137 van het Wetboek van Strafrecht dat belediging van en het aanzetten tot haat en discriminatie tegen bevolkingsgroepen verbiedt. Hij wil het verbod beperken tot aanzetten tot geweld. Uitingen van haat of afkeer jegens bevolkingsgroepen zijn dan niet langer strafbaar. En ja, dat geldt ook voor ontkenning van de holocaust.

Waarom is de volstrekte vrijheid van meningsuiting, die in een land als de Verenigde Staten nota bene grondwettelijk gegarandeerd wordt, in ons land kennelijk taboe? Omdat de reacties op Rutte’s voorstel bijna allemaal irrationeel zijn, alsof hij gewijde grond heeft betreden die toebehoort aan lang vergeten goden. Zie de stortvloed van drogredenen die tegen zijn idee werden ingebracht. Rutte begrijpt de wereld niet, want hij woont bij zijn moeder thuis (ad hominem). Rutte heeft de meerderheid in opiniepeilingen tegen (ad populum). Rutte vindt het prima als mensen de holocaust ontkennen (non sequitur). Rutte dacht er vroeger anders over (tu quoque).
Allemaal onzin. Rutte wil dat we in dit land niet langer schrijvers vervolgen (Pieter van der Sloot, auteur van Danslessen), cartoonisten van hun bed lichten (Gregorius Nekschot), dan wel imams of parlementariërs de mond snoeren (driemaal raden wie), tenzij ze aantoonbaar aanzetten tot geweld. Dan kan er weer worden gemijmerd, geschreven, getekend, ge-standupt en gedebatteerd over gevoelige onderwerpen in plaats van over de vraag wat een ander over die onderwerpen mag zeggen.
Vrijwel het enige serieuze, oprechte tegenargument kwam van Ronny Naftaniel. Hij constateert dat Rutte’s voorstel in extremis betekent dat overlevenden van de holocaust ongestraft kunnen worden gekwetst en beschadigd en dat ze daardoor het gevoel zullen krijgen zoveel jaar na dato nóg eens in de steek te worden gelaten. Daar staat tegenover dat ontkenning van de holocaust momenteel ondergronds voortwoekert en steeds weer bovenkomt in strafrechtelijke exercities tegen de ontkenners. Exercities die doorgaans veel publiciteit krijgen en zodoende enerzijds het leed nodeloos weer bovenhalen, anderzijds zwakke geesten het idee geven dat de ontkenners misschien toch een punt hebben, omdat we hen bestrijden met de wet, niet met argumenten. Anders gezegd: artikel 137 speelt de ontkenners in de kaart.
Er is geen betere manier om de slachtoffers van destijds te steunen dan door het voeren van een openlijk debat waarin ontkenners publiekelijk tot hun sokken worden afgebrand. En dat geldt a fortiori voor andere gevoelige onderwerpen. Het wordt tijd dat onze democratie haar tanden laat zien in plaats van alle moeilijke politieke en historische kwesties (raaskallende imams, Armeense genocide, de kruistocht van Wilders) aan de rechter over te laten.