Menno Hurenkamp

Ruud Lubbers

Een paar weken geleden kreeg ik een kleine rondleiding in een asielzoekerscentrum. Hadi, al zes jaar in de procedures verstrikt, voerde mij en een collega langs vervallen, smerige gebouwen waar honderden volwassenen twee aan twee kamertjes van twaalf vierkante meter delen. Een zwart spiegelbeeld van de Toverberg van Thomas Mann, die dorpsgemeenschap van ontheemden. In het sanatorium in de Alpen hield een rijkeluisgemeenschap met tbc zich afgezonderd van de maatschappij, stiekem hopend nooit meer terug te hoeven naar de bewoonde wereld. De mensen hier leiden een even zuurstofloos bestaan, wachten een gezond-voor-Nederland-verklaring af en hopen niet terug te hoeven naar waar ze vandaan kwamen.

Ik heb Hadi nog maar eens opgezocht om de verwarring te bestrijden die Ruud Lubbers sinds kort in me oproept. Lubbers, de koele chirurg uit het saneringstijdperk, protesteert als hoge commissaris voor de vluchtelingen tegen de hardvochtige manier waarop Nederland omspringt met asielzoekers, hij waarschuwt dat de toon van het politieke debat over vluchtelingen te hard is. Lubbers bezorgd om asielzoekers — moet ik dat geloven? En maakt dat uit voor zijn boodschap? Mijn eerste gedachte was dat dit deel uitmaakte van zijn bekende meerjarige strategie zijn eigen CDA (tough op vreemdelingengebied) in de wielen te rijden. Mijn tweede dat zich hier het fanatisme van de late bekeerling openbaarde. Maar doet dat afbreuk aan de strekking van zijn verhaal?

«In dit land heeft niemand met een mening ook verantwoordelijkheid», zei Hadi, «mond- en klauwzeer, ontplofte vuurwerk fabrieken, geen mens te bekennen die de schuld draagt. Maar opinies te over. Het heeft voor mij weinig betekenis als ene Lubbers vanuit de verte iets roept. Als de Immigratie- en Naturalisatiedienst zoiets zou zeggen, zou het belangrijk zijn, die bepaalt het beleid. Bovendien, denk je dat de Tweede-Kamerleden die zo tekeergaan tegen vluchtelingen, voor Lubbers praten of voor de mensen op straat die op hen stemmen?»

Ik werp tegen dat Lubbers als ex-premier mogelijk het gezag heeft die mensen op straat op andere gedachten te brengen. «Ja, misschien. Maar of dat verschil maakt? Toen ik Iran ontvluchtte, zei staatssecretaris Schmitz dat Iran een veilig land was. Nu zegt staatssecretaris Kalsbeek hetzelfde. Best dat ze dat vinden, hoor, maar voor mij is het daar niet veilig. Wat maakt het uit of je oproept tot een gematigd debat als je ondertussen vastbesloten bent de grenzen te sluiten?»

Als Jan Pronk, baas van de zielige mensen, die baan van Lubbers had gekregen en had opgeroepen tot een voorzichtig debat, had ik — en niet alleen ik — mijn schouders opgehaald. Dat was te voorspelbaar geweest. «Precies. Politiek is een spelletje», zegt Hadi, «punt is alleen dat dit voor mij geen spelletje is.» Zijn tegenwerpingen zijn terecht. Toch denk ik nu opgewekt aan de likkebaardende premier die een miljoen tegenstanders in één zin belooft dat dit land zéker géén kernwapens krijgt, om precies te zijn bijna geen, niet in een beleidsmatig kader althans, en dan hooguit enkele raketten in zinnebeeldige proporties voor een stuk realisatievermogen van het veiligheidsgebeuren in groter verband. Kruisraketten of vluchteling — laat het voor Lubbers maar een spelletje zijn.