Politiek sonnet

Ruud Lubbers

De aarde: toch twee broze halve bollen,

zoals ook zon en maan; het oog van God.

En zeker ook bestaat het vrouwenlot

uit bolsels, brutaal, balorig, gezwollen.

Die billenbollen fluiten broekbol stijf

wanneer een tederhand de bollen streelt.

Wie weet dat hij daarna een kusje steelt.

Wie houdt van vrouwen, houdt van ieder wijf.

Ging hij voor hen te ver met bolbilknijp?

Ging knijpbril glurend in de boezembol?

Verloor een hand zijn vaste greep op ’t zwaard?

Het greep hem aan — dit licht en mals vergrijp.

Zijn hart sloeg over; bil weerstond geen grol.

Zijn hand: een vluchteling. Verbeurd verklaard.