De western bestaat honderd jaar

Ruwe portretten in bloed en modder

De cowboy heeft eigenlijk nooit bestaan, zo leert een blik op de traditie van de western. Toch is hij — én zij — meer levend dan ooit. In het programma ‹Honderd jaar western› belicht het Amsterdamse Filmmuseum de opkomst en ondergang van het genre.

De western heeft een Shakespeare opgeleverd: Cormac McCarthy, die in zijn roman Blood Meridian uit 1985 de westernfiguren van weleer schetst: «All lightly shimmering in the heat, these lifeforms, like wonders much reduced. Rough likenesses thrown up at hearsay after the things themselves had faded in men’s minds.» De cowboys zijn voor McCarthy als schitterende verschijnselen tegen de achtergrond van een hittegolf. Maar dan trekt hij het magische scherm weg, zodat de figuren ontdaan worden van hun wonderlijke kwaliteiten. Nu zijn ze niets meer dan ruwe portretten van het origineel. De reden: het vernietigende effect van tijd. Na meer dan een eeuw is de werkelijkheid van het echte Wilde Westen weggesijpeld.

Dat wil niet zeggen dat de western dood is. Integendeel, het is het rijkste van alle genres. Dat blijkt uit de linguïstische virtuositeit van McCarthy, die de western een Elizabethaans aanzicht geeft met zijn poëtische, allegorische stijl. De hoge-cultuurconnectie is opmerkelijk, want het genre stond juist aan de wieg van de westerse populaire cultuur. Al in de negentiende eeuw verschenen pulpverhalen over de avonturen van Billy the Kid, Buffalo Bill en Annie Oakley. Door de teksten transformeerden de beroemde helden tot mythische figuren, nog lang voordat ze dood waren. Neem Billy the Kid. In werkelijkheid was hij niets meer dan een tweederangs schurk. Maar hij had een spannende naam en de pulpschrijvers stonden klaar. Gevolg: zijn bibliografie bestaat inmiddels uit ruim vijfduizend boeken en pamfletten. En elk jaar komen er meer bij.

Met de ontwikkeling van de technologie zette het proces van mythologiseren door. Het is precies honderd jaar geleden dat Edwin S. Porter de allereerste filmwestern regisseerde: The Great Train Robbery. Sindsdien is de western een cinematografische gietvorm gebleken waarin klaarblijkelijk van alles past: van dystopische cyberpunk, seks en horror tot soap en sciencefiction. Daar komt nog bij dat de western de gewoonte heeft werkelijkheid te worden. Dat was al het geval tijdens het Amerikaanse militair optreden in Afghanistan, en het gebeurde onlangs weer toen de helden met de witte hoeden het stadje in het Midden-Oosten — Irak — bevrijdden uit de klauwen van de schurk met de zwarte hoed.

Dat de western zich steeds meer als werkelijkheid manifesteert, is een bewijs dat het genre een zenuw raakt in het moderne bewustzijn. De reden hiervoor zoekt de romanschrijver en westernhistoricus Larry McMurtry bij de theorieën van Eric Hobsbawm zoals opgetekend in het klassieke werk The Invention of Tradition (1983). Hobsbawm benadrukt namelijk de werking van onveranderlijkheid in het creëren van tradities. Deze tradities refereren aan het verleden, hetzij echt hetzij verzonnen. Ze blijven in stand door herhaling. In zijn eigen studie gaat McMurtry ervan uit dat de tradities van het Amerikaanse Westen niet het product zijn van objectieve geschiedschrijving, maar van pulp auteurs, affichekunstenaars, impresario’s en reclamemensen. Hij toont aan dat de Amerikaanse cowboys eigenlijk nooit hebben bestaan. Ze ontlenen hun kleedstijl en kundigheid hoofdzakelijk aan Mexicaanse boeren, bijvoorbeeld het gooien met touwen, het houden van vee en het gebruik van laarzen en hoeden met brede randen als bescherming tegen de barre omstandigheden. Deze traditionele eigenschappen werden deel van de Amerikaanse westernmythologie door de interventie van pulpschrijvers.

De verzonnen westerntradities overleven dankzij reproductie en herhaling. Van tijd tot tijd komen de tradities onder druk te staan door revisionistisch werk, bijvoorbeeld de James Stewart-films van Anthony Mann, de geweldsfilms van Sam Peckinpah, de Europese westerns van Sergio Leone en de reactionaire hommages van Clint Eastwood aan de oude cowboys. Maar McMurtry wijst erop dat een schrijver als Louis L’Amour de fictieve tradities juist in stand hield met meer dan 120 romans, net als de makers van de Marlboro-reclames waarin altijd dezelfde paarden, bergen, touwen en aantrekkelijke mannen verschijnen. Hieraan kan worden toegevoegd dat McMurtry met zijn eigen romans zelf bezig is de oude tradities nieuw leven in te blazen door herhaling en onveranderlijkheid, en wel met de Lonesome Dove-trilogie, een soapwestern, en de historiografische karakterschetsen Anything for Billy en Buffalo Girls.

Het constante conflict tussen traditie en revisionisme — tussen het bevestigen en het ondermijnen van conventies — maakt de western spannend. Het genre laat ons de wereld zien zoals hij is — én zoals wij hem graag zouden willen zien. Daarom is de western een droom, een ruw portret van de werkelijkheid.

In de ultragewelddadige westerns van Cormac McCarthy, en in de stukken van Shakespeare, is de spanning voelbaar tussen echte en verzonnen tradities, tussen geschiedenis en fictie. «All lightly shimmering in the heat, these lifeforms», schrijft McCarthy en hiermee maakt hij zijn verteller zelfbewust, net als bijvoorbeeld Hamlet bij Shakespeare. Als The Kid in Blood Meridian samen met andere cowboys in een indianenval loopt, reageert hij instinctmatig: «The kid was lying on his belly holding the big Walker revolver in both hands and letting off the shots slowly and with care as if he’d done it all before in a dream.» Dat is natuurlijk ook het geval: in het bewustzijn van de lezer is The Kid al ontelbare keren in een indianenval gelopen, heeft hij zijn revolver getrokken en begon hij te schieten.

Dat doet The Kid nog steeds, in talloze andere gedaantes. Het meest memorabele recente voorbeeld van de revolverheld komt voor in John Carpenters sciencefictionwestern Ghosts of Mars (2001). In deze film kruipt «The Kid» in de huid van een vrouwelijke sheriff, Melani (Natasha Henstridge), die opdracht krijgt vreemde gebeurtenissen in een kolonis tendorpje op Mars te onderzoeken. Behalve The Kid is Melani ook John Wayne. Net als Wayne in de beroemde westerns van Howard Hawks raakt ze in Carpenters film ten tijde van crises bevriend met andere randfiguren. Samen moeten ze de aanvallen van een anonieme massa afslaan. In de Hawks-films, bijvoorbeeld Rio Bravo (1959), zijn de aanvallers slechte cow boys, in Ghosts gaat het om antieke geesten van de rode planeet die in opstand komen tegen de kolonisten. Het ondermijnende aan Carpenters film zit ’m in de mededeling dat Mars in de toekomst een «matriarchale maatschappij» is. Dat is de omgekeerde wereld. In de traditionele western hebben vrouwen bijna altijd de geijkte rollen: ze blijven thuis, zorgen voor de kinderen en laden geweren wanneer de indianen aanvallen. Zelden zijn ze, zoals in Ghosts of Mars, protagonisten zonder wie het verhaal niet kan bestaan.

Er zijn uitzonderingen op de regel, en dat zijn de beste westerns. In Nicholas Ray’s film Johnny Guitar (1954) speelt Joan Crawford de rol van Vienna, een vrouw die het opneemt tegen conservatieve, mannelijke krachten. Vienna is een uniek personage in de westerncultuur. Het ene moment gedraagt ze zich als een onderdanige vrouw — ze raakt verliefd op Johnny Guitar (Sterling Hayden) —, dan weer is zij net zo hard en meedogenloos als de mannen — ze gespt een revolverriem om en begint te schieten. Als vrouw belichaamt zij politieke en maatschappelijke vooruitgang en sociaal denken. Ze staat achter de komst van een spoorlijn naar het dorpje. Haar vijanden, de dorpelingen, zijn daar fel tegen gekant; zij vrezen indringers die hun manier van leven in het gedrang zouden brengen.

Dezelfde strijd tussen moderniteit en traditie vormt de rode draad in drie andere westerns waarin vrouwen prominente rollen hebben: The Misfits (John Huston, 1961), The Professionals (Richard Brooks, 1966) en Butch Cassidy and the Sundance Kid (George Roy Hill, 1969). In The Misfits is een vrouw — Marilyn Monroe in haar beste rol als de broze Roslyn — net als in Johnny Guitar een symbool van groei en vooruitgang. Als Roslyn de drie oude, dronken cowboys (Clark Gable, Eli Wallach en Montgomery Clift) paarden ziet vangen in de woestijn schreeuwt ze, walgend: «Jullie zijn dode mannen!» En dat is zo. Roslyn is als een oase in een dorre wereld. Door haar zetten de cowboys de eerste, voorzichtige stappen in de moderne wereld. Roslyn is het morele geweten van deze gewetenloze mannen. Dat geldt ook voor Claudia Cardinale in de rol van de door Mexicaanse bandieten gekidnapte Maria Grant in The Professionals. Haar man, een rijke Amerikaan, stuurt cowboys om haar te redden. Maar dat wil ze niet eens, want ze is eigenlijk verliefd op een held van de Mexicaanse revolutie. De cowboys komen tot inkeer wanneer Maria hen ervan beschuldigt haar land te hebben geplunderd. Laatste shot: Maria en haar beminde steken de grens over richting Mexico. De Amerikaanse cowboys volgen haar — ze keren het door geld en technologie gecorrumpeerde Texas de rug toe.

Dan Etta Place (Katharine Ross), een beeldschone schooljuf die valt voor de charmes van The Sundance Kid (Robert Redford). The Kid is een domkop die niet kan zwemmen. Daarentegen is zijn boezemvriend Butch Cassidy (Paul Newman) een denkende cowboy (die niet kan schieten). Butch weet dat hij en The Kid verzonnen zijn, net als de tradities van hun leefwijze. Hij weet dat hij een gedroomd mens is. En dat baart hem zorgen.

Butch: «Toen ik jong was, wou ik altijd al een held zijn.»

Etta: «Daar is het nu te laat voor.»

Als Etta samen met The Kid en Butch in Bolivia belandt, zorgt ze voor hen als een moeder: ze naait sokken, ze geeft taalles. En ze helpt bij het beroven van banken. Maar Etta beseft dat de oude tijden voorbij zijn. Ze voelt dat de dood nadert voor haar geliefde jongens. Ze keert terug naar Amerika. Zonder haar is het tweetal verloren. Het schimmenrijk wacht. En daarmee ook de eeuwige roem. In de laatste scène stormen Butch en The Kid schietend uit een huisje. Het beeld bevriest. Op het geluidsspoor is te horen hoe ze worden neergemaaid. Het verstilde beeld is een ruw portret, gemaakt van het bloed van de cowboys en de modder van het land dat nooit echt heeft bestaan. Ze leven voort in onze herinnering, zoals Cormac McCarthy schrijft, «all lightly shimmering in the heat».

Honderd jaar western, van 8 mei tot en met 2 juli in het Filmmuseum te Amsterdam

The Misfits van John Huston, vanaf 5 juni te zien in een nieuwe kopie

The Professionals, uit op dvd (beeldformaat: 2:35:1 anamorfisch, geluid: dolby surround)