Ruzie in letterenland

Al sinds Multatuli is de polemiek een vertrouwd fenomeen binnen de Nederlandse literatuur. Niet zelden mondt deze openlijk gevoerde pennenstrijd uit in een ordinaire schrijversruzie. Zo ging E. du Perron in 1931 letterlijk op de vuist met Martinus Nijhoff in de zogeheten ‘vorm of vent’-discussie. Tegenwoordig lijkt het er beschaafder aan toe te gaan. Tijdens de uitreiking van de AKO Literatuurprijs 2007 wilde genomineerde A.F.Th. van der Heijden niet in één zaaltje dineren met zijn rivaal en kwelgeest Arnon Grunberg.
Er is één polemiek die alle andere doet verbleken; die tussen Gerard Reve en Harry Mulisch. In 1972 schreef Harry Mulisch Het ironische van de ironie: Over het geval G.K. van het Reve, een vlammend essay waarin hij reageert op Reve’s aanhoudende beledigingen en beschuldigingen aan zijn adres. Dit pamflet verscheen als lang artikel in Vrij Nederland en was geschreven naar aanleiding van Reve’s zojuist verschenen roman De taal der liefde (1972). Vier jaar later is Mulisch’ essay in boekvorm gedrukt door uitgeverij Manteau Marginaal omdat die vond dat dit document niet verloren mocht gaan. Inmiddels is dit unieke boekje niet meer in druk leverbaar. Doodzonde en ontoelaatbaar.
Dit kleine werk van een groot schrijver omvat zowel de ontstaansgeschiedenis als het hoogtepunt van de polemiek tussen Reve en Mulisch. De saillante details die Mulisch hierin openbaart zijn om te smullen.
Bovendien schuilt onder de oppervlakte van het vermakelijke gekissebis een poëticale discussie die nog steeds actueel is. Mulisch neemt krachtig stelling tegen het zogenaamd ironische racisme van Reve. In De taal der liefde schrijft Reve in een van zijn brieven: ‘Nu moeten we nog van die Surinaamse en Curaçaose troep af.’ Om te ontkomen aan serieuze beschuldigingen van racisme beroept Reve zich op het literair-stilistische argument: het is allemaal ironie en ondergetekende G.K. van het Reve zou een ‘sprekend ingevoerd persoon’ zijn.
Mulisch neemt hier geen genoegen mee en hekelt Reve’s ‘ontwijkende houding’. ‘Neem Multatuli. Die beklaagde zich er juist over, dat men niet inging op wat hij beweerde, maar dat men ontweek in een esthetisch standpunt en zei, dat het “zo mooi geschreven was”. Daarom is wat Multatuli schreef achtenswaardig en nog steeds modern, wat Van het Reve schrijft verachtelijk en achterlijk.’
Waar de rechter Reve zou vrijpleiten van racisme op grond van het recht op vrijheid van meningsuiting houdt Mulisch de ‘volksschrijver’ met dit artikel onder schot. En terecht. Als schrijvers onder hun eigen naam met kwalijke opvattingen een groot publiek bereiken, moet je dit serieus nemen. Doet men dat niet, dan wordt de schrijver monddood gemaakt, kaltgestellt door het primaat van de stijl en de dictatuur van de ironie.
Een must voor alle Mulisch- en/of Reve-liefhebbers. Dat zijn er nogal wat.

Harry Mulisch, Het ironische van de ironie: Over het geval G.K. van het Reve, Manteau Marginaal, 1976