Met een lach zwaait Jean-Baptiste N. naar de publieke tribune. Hij is net onder politiebewaking de rechtszaal binnengebracht. Zijn familie, vrienden en collega’s van de thuiszorg zwaaien terug. Jean-Baptiste N., een man met grijzend haar, gekleed in een wit overhemd en leren jack, is geboren en getogen in Rwanda. Hij was directeur van het landbouwinstituut in de noordwestelijke plaats Busogo, arriveerde in 1999 als vluchteling in Nederland, kreeg een verblijfsstatus en in 2006 de Nederlandse nationaliteit. Hij liet zich omscholen tot verpleger en werkte voor de thuiszorgorganisatie ZuidZorg. Totdat hij afgelopen zomer plots niet op zijn werk verscheen. Hij bleek te zijn gearresteerd.

Rwanda verdenkt hem van betrokkenheid bij de genocide, waarbij in 1994 naar schatting achthonderdduizend mensen, voornamelijk Tutsi’s en gematigde Hutu’s, op gruwelijke wijze werden vermoord. ‘Wij onderzoeken niet of u schuldig bent’, zegt rechter Mariëtte Renckens tijdens de zitting op 29 oktober 2021 bij de rechtbank Den Haag. Het gaat over de vraag of hij uitgeleverd mag worden om in Rwanda te worden berecht voor een speciale rechtskamer voor internationale misdrijven. ‘Alleen als eerlijke berechting onmogelijk is’ mag er niet worden uitgeleverd, stelt de officier van justitie, maar ‘we kunnen er nog steeds van uitgaan dat er een eerlijk proces plaatsvindt’ in Rwanda.

De Nederlandse regering hecht ‘grote waarde’ aan het tegengaan van straffeloosheid voor internationale misdrijven zoals genocide, aldus een woordvoerder van het ministerie van Justitie en Veiligheid in reactie op vragen van De Groene Amsterdammer. Het vervolgen van verdachten moet ‘zo veel mogelijk’ plaatsvinden in het land waar de misdrijven zijn gepleegd, want daar bevinden zich het meeste bewijs, de slachtoffers en getuigen, en kent men de taal, cultuur en achtergronden van de gebeurtenissen. ‘Door deze misdrijven aldaar te vervolgen kunnen slachtoffers, nabestaanden en getuigen met eigen ogen zien dat en hoe er recht wordt gedaan’, aldus het ministerie. Met het bekijken of verdachten kunnen worden uitgeleverd komt Nederland verdragsverplichtingen na ‘die van wezenlijk belang zijn voor de handhaving en het bestaan van de internationale rechtsorde’.

Maar advocaten van Jean-Baptiste N. stellen dat zijn zaak rammelt. In het algemeen hebben advocaten en deskundigen kritiek op de aanpak van zulke zaken die betrekking hebben op Rwanda. Ze wijzen op Nederlandse individuele ambtsberichten die moeilijk controleerbaar zijn met onderzoek door anonieme onderzoekers en verklaringen van anonieme getuigen die niet vertrouwd kunnen worden; een problematische interpretatie van de Nederlandse wet, besluiten met verstrekkende gevolgen die ‘in strijd met de beginselen van de rechtsstaat’ zijn, en twijfels over een eerlijk proces in het autoritaire Rwanda.

Jean-Baptiste N. is niet de enige genaturaliseerde Nederlander die Nederland wil uitleveren. Het is al gebeurd met drie Rwandezen, die reeds vastzitten in Rwanda. (De status van een vierde gedeporteerde is onduidelijk.) Er lopen ook procedures tegen anderen. De uitleveringen zijn het resultaat van een samenspel van ontwikkelingen. ‘De Rwandese regering is al sinds de genocide op zoek naar vooral prominente verdachten van de volkerenmoord’, zegt Thijs Bouwknegt, die onderzoeker bij het niod is, voormalig medewerker bij het Rwanda Tribunaal was en zo’n dertig keer in Rwanda is geweest. Zo zette Rwanda in 2007 de Genocide Fugitives Tracking Unit op die verdachten in het buitenland opspoort.

Tijdens een bezoek aan Rwanda in 2014 maakte Fred Teeven, toenmalig staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, de afspraak dat Nederland genocideverdachten zou terugsturen. ‘Er werden door Rwanda en mensenrechtenorganisaties veel verdachtmakingen geuit tegen mensen in de diaspora. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (ind) besloot categoraal alle Rwandezen in Nederland, maar vooral Hutu’s – het was deze groep die achter de massamoord op Tutsi’s zat – nogmaals te screenen’, stelt Bouwknegt. ‘Onderzoek door de politie en het OM in Nederland levert informatie op die ook wel in Kigali eindigt – of vice versa – en dan tot uitleveringsverzoeken leidt.’ Inmiddels heeft de Genocide Fugitives Tracking Unit aanklachten ingediend tegen 911 personen in 33 landen, van wie er achttien in Nederland verblijven.

Maar mensen die het Nederlanderschap hebben, kunnen niet zo maar op het vliegtuig worden gezet om elders terecht te staan. In de zaak tegen Jean-Baptiste N. heeft Nederland twee verschillende procedures in werking gesteld om de mogelijkheden tegen hem maximaal te benutten. Uitlevering valt onder het strafrecht en heeft als doel berechting door een ander land, zoals Rwanda.

Uitzetting is een procedure binnen het vreemdelingenrecht. Om te voorkomen dat Nederland een veilige haven wordt voor oorlogsmisdadigers kan op basis van de vreemdelingenwet een asielvergunning of – in dit geval – het Nederlanderschap worden ingetrokken waarna de mogelijkheid ontstaat iemand uit te zetten.

Hoe gaat het in de praktijk? Eerst de uitzettingsprocedures. Bij iemand kan het Nederlanderschap afgenomen worden als er ‘ernstige vermoedens’ zijn dat die persoon zich schuldig heeft gemaakt aan zware misdrijven zoals genocide, en daarover heeft gezwegen of gelogen bij de asiel- en naturalisatieprocedure. Als bij zo’n procedure informatie nodig is, stelt de ind zijn onderzoeksvragen aan de Afdeling Ambtsberichten van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Vervolgens worden de vragen voorgelegd aan de Nederlandse ambassade, in dit geval in Kigali. ‘De ambassade kan een vertrouwenspersoon inzetten om het onderzoek uit te voeren’, aldus het ministerie van Buitenlandse Zaken in een reactie. Deze Rwandese vertrouwenspersoon is vaak een jurist of advocaat, die ter plekke onderzoek doet.

Er is grote kritiek op hoe dat in zijn werk gaat. ‘Het gaat om een volledig anonieme onderzoeker’, zegt Caroline Buisman, advocaat van Jean-Baptiste N. en andere Rwandezen. ‘Wij moeten er dus maar op vertrouwen dat de Nederlandse ambassade iemand heeft gekozen die betrouwbaar is. Deze persoon gaat dan in Rwanda op zoek naar bewijs. Maar de onderzoeksvraag is sturend gesteld: kun je onderzoeken of iemand schuldig is aan genocide? In de opdracht staat niet dat er naast belastende gegevens ook ontlastende informatie moet worden gezocht.’

Ook Marq Wijngaarden, die als advocaat bij Prakken D’Oliveira zes cliënten heeft die uitlevering boven het hoofd hangt, bekritiseert de aanpak. ‘Nederland stuurt een advocaat om getuigen te spreken, die vaak in piepkleine dorpjes wonen. Een wildvreemde komt dus mensen vragen stellen, terwijl iedereen weet dat de antwoorden worden gemonitord. Want Rwanda is een totalitaire staat. Het opereert zoals indertijd Oost-Duitsland met de Stasi. Iedereen die een vraag over 1994 krijgt, moet zeggen dat er door de Hutu’s genocide op de Tutsi’s is gepleegd, want dat is het staatsnarratief.’

Jan Pronk, voormalig minister van Ontwikkelingssamenwerking en in die functie toen de genocide woedde, was jarenlang ‘een kritische vriend’ van de Rwandese regering. Maar ook hij stelt: ‘De onderzoekers en de getuigen kunnen vanwege het huidige politieke systeem in Rwanda niet vertrouwd worden.’

De ambassade schrijft een onderzoeksverslag en vervolgens stelt de Afdeling Ambtsberichten van het ministerie van Buitenlandse Zaken op basis daarvan het individueel ambtsbericht op. ‘Als advocaat krijg je wel het rapport te zien, maar geanonimiseerd. Alleen de conclusies staan erin, maar niet hoe het rapport tot stand is gekomen’, vertelt Wijngaarden. Het is onbekend wie de getuigen zijn, hoe ze zijn gevonden, welke vragen zijn gesteld en hoe deze zijn geformuleerd. ‘De methodologie wordt niet uitgelegd. Niets wordt gecheckt en de beschuldiging wordt voor waar aangenomen’, zegt Buisman. Wijngaarden: ‘De betrouwbaarheid is nul.’

Ook wetenschappers plaatsen vraagtekens. ‘De kwaliteit van de individuele ambtsberichten is wisselend. Maar het gebruik ervan kan heel problematisch worden’, zegt Maarten Bolhuis, universitair docent criminologie aan de Vrije Universiteit. ‘Het is heel schimmig. Ik heb zo’n rapport wel eens bekeken, maar niet veel is controleerbaar’, zegt niod-onderzoeker Bouwknegt.

De consequenties van de individuele ambtsberichten zijn echter groot. ‘Op basis van een geanonimiseerd rapport, dat leidt tot vermoedens dat een persoon feiten zou hebben verzwegen, en het Nederlanderschap daarom frauduleus zou hebben verkregen, wordt de nationaliteit ingetrokken’, zegt Wijngaarden.

In een reactie stelt het ministerie van Justitie en Veiligheid dat vanwege ‘privacy’ en ‘ter bescherming’ de bronnen en onderzoeksmethoden ‘niet publiekelijk bekend worden gemaakt’. Als genocideverdachten in beroep gaan tegen het intrekken van het Nederlanderschap en er een rechtszaak komt, kunnen de rechters ‘kennisnemen van de achterliggende bronnen’ in het ambtsbericht, aldus het ministerie. Maar dat kennisnemen geldt niet voor de advocaten van de verdachten.

In de zaak tegen Jean-Baptiste N. oordeelde de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State op 20 januari 2021 dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid zijn Nederlanderschap inderdaad mocht afnemen (dat was in 2014 gebeurd). Ook bij het oordeel van deze hoogste bestuursrechter speelde het individueel ambtsbericht een grote rol. Hieruit zou blijken dat Jean-Baptiste N. al drie jaar voor de genocide ‘betrokken was bij de organisatie van moorden op Tutsi’s’. Zijn landbouwschool zou een eigen militie hebben, de Amahindure, die ‘gebaseerd was op de Hutu-power-ideologie en direct onder het bevel en beheer’ van Jean-Baptiste N. zou staan. Hij zou personeel en studenten hebben geregeld om Tutsi’s op de school te doden. Jean-Baptiste N. zou milities wapens, voedsel, voertuigen en geld verstrekken en aanzetten tot moorden, aldus de Raad van State, die de aantijgingen in het ambtsbericht met stelligheid beschrijft.

Maar Buisman wijst de aantijgingen jegens haar cliënt van de hand. ‘In de dossiers van het Rwanda Tribunaal over de oprichting van deze militiegroep komt zijn naam niet voor’, zegt ze. Buisman wijst ook op een fout die gemakkelijk rechtgezet had kunnen worden. ‘Uit de oprichtingsnotulen, die inmiddels door de ind in een andere zaak zijn erkend als authentiek, blijkt dat deze militiegroep pas in mei 1994, en niet al in de jaren voorafgaand aan de genocide, werd opgericht. De voornaamste oprichter heeft in Rwanda terechtgestaan, maar heeft Jean-Baptiste N. nergens genoemd’, onderstreept de advocaat.

‘Wat die vermeende moordpartijen op het instituut betreft: wij hebben vele leerlingen en leerkrachten die momenteel in Europa wonen gesproken over de gebeurtenissen op het instituut tussen 1990 en 1994. Zij schetsen allemaal – Hutu’s en Tutsi’s – een heel ander beeld: zonder anti-Tutsi-propaganda en zonder moord en doodslag’, aldus Buisman.

Volgens het individueel ambtsbericht nam Jean-Baptiste N. op 7 april 1994 deel aan een vergadering bij Busogo waar het startsein zou zijn gegeven voor het vermoorden van Tutsi’s. Maar zijn advocaten stellen dat bij diverse zaken die bij het internationale Rwanda Tribunaal zijn behandeld geen bewijs bleek te zijn dat die vergadering had plaatsgevonden. ‘De enige beweringen over die bijeenkomst kwamen van genocideverdachten die in Rwanda gezamenlijk gevangen zaten. Twee van deze getuigen hebben verklaard dat ze onder druk een verklaring hebben afgelegd en dat ze het allemaal hebben verzonnen. Zij zeiden daarnaast dat ook de getuigen die niet op hun verhaal terugkwamen hadden gelogen. Daarom zijn de mensen die van deelname aan die vergadering zijn beschuldigd allen vrijgesproken’, zegt Buisman, die zelf als medewerker bij het Rwanda Tribunaal heeft gewerkt. ‘Op het landbouwinstituut, waar mijn cliënt leiding aan gaf, heeft ook geen moordpartij plaatsgevonden. Er zijn daar geen slachtoffers gevallen.’

Verder zou haar cliënt op 7 april 1994 niet eens in Busogo zijn geweest. Hij zou in de hoofdstad Kigali hebben verbleven. ‘Niet alleen zijn er familieleden en een andere getuige die hierover kunnen verklaren. Ook uit stukken van het Rwanda Tribunaal blijkt dat hij in Kigali was’, zegt Buisman. De advocate hekelt het feit dat getuigen die in Europa wonen niet door de ind zijn gehoord. ‘Ik heb uiteindelijk zelf hun verklaringen afgenomen, maar die werden verworpen omdat ze door de betrokkene werden ingediend.’

Ook wordt hij ervan beschuldigd mede-oprichter en aandeelhouder te zijn van een krant en Radio Télévision Libre des Mille Collines, die zich schuldig maakte aan genocide door mensen op te hitsen deel te nemen aan het uitroeien van Tutsi’s. In het ambtsbericht las de Raad van State dat Jean-Baptiste N. via deze media de ‘door hem aangehangen Hutu-power-ideologie onder de bevolking’ verspreidde. ‘Maar zijn naam komt werkelijk geen enkele keer voor in het jarenlange mediaproces bij het Rwanda Tribunaal, waarbij honderden getuigen zijn opgeroepen en duizenden documenten zijn ingediend’, zegt Buisman. De Gacaca-dorpsrechtbanken in Rwanda, die meer dan een miljoen genocidezaken afhandelden en waar Pronk positief over is, hebben geen procedure tegen hem gestart.

‘Het ergste wat ik ooit meemaakte’, zegt Buisman, was het individueel ambtsbericht tegen een cliënt dat slechts vier pagina’s telde. Hij is de echtgenoot van de Rwandese oppositieleidster Victoire Ingabire die in Rwanda heeft vastgezeten. Met succes vocht Buisman de intrekking van zijn nationaliteit voor de rechter aan. Haar cliënt behield zijn Nederlandse paspoort.

Het verzwijgen of liegen over zware delicten moet zijn aangetoond, en dat is met vermoedens niet het geval

Juist omdat de individuele ambtsberichten voor de verdachten nauwelijks te verifiëren zijn, weegt het oordeel van de Nederlandse rechter in deze zaken des te zwaarder. ‘Maar de rechter toetst slechts marginaal, en de Raad van State gaat ver mee in de redenering van de ind’, stelt criminoloog Maarten Bolhuis.

In de uitspraak van 20 januari 2021 over Jean-Baptiste N. (en een cliënte van Wijngaarden) stelt de Raad van State inderdaad dat er niets mis is met het individueel ambtsbericht: het weglakken van passages gebeurde om bronnen en de gebruikte methode te beschermen; verder is het verslag in ‘duidelijke bewoordingen opgesteld’ en ‘gebaseerd op concrete en gedetailleerde verklaringen’ van de bronnen die de vertrouwenspersoon raadpleegde. Kortom, volgens de Raad van State kan niet worden geconcludeerd dat het ‘onzorgvuldig tot stand is gekomen’ of dat de conclusies ‘onbetrouwbaar zijn’. De hoogste bestuursrechter concludeert dat het individuele ambtsbericht aantoont ‘dat er ernstige vermoedens bestaan’ dat Jean-Baptiste N. zich ‘schuldig’ heeft gemaakt ‘aan zeer ernstige misdrijven’. Omdat hij dat heeft verzwegen bij de asielprocedure en naturalisatie mocht de staatssecretaris het paspoort intrekken, aldus de Raad van State.

Gerard-René de Groot, emeritus hoogleraar rechtsvergelijking en internationaal privaatrecht aan de Universiteit Maastricht, beschrijft zijn verbijstering over deze redenering. Bij een persoon die genaturaliseerd is, vormen ‘vermoedens’ wettelijk geen basis om het Nederlanderschap te ontnemen, aldus De Groot in een commentaar voor Jurisprudentie Vreemdelingenrecht. Hij stelt dat ‘de fraude absoluut moet vaststaan om tot ontneming van het Nederlanderschap te kunnen overgaan’. Het verzwijgen of liegen over zware delicten moet zijn aangetoond, en dat is met vermoedens niet het geval.

Ook las De Groot ‘met volstrekte verbazing’ dat de Raad van State vindt dat bij de beoordeling van het intrekken van het Nederlanderschap andere maatstaven dan het strafrecht kunnen worden gehanteerd. ‘Van onze hoogste bestuursrechtelijke rechter verwacht ik een houding die meer afstand neemt van de door autoriteiten ingenomen standpunten’, aldus De Groot.

De tweede procedure betreft uitlevering. In 2009 vaardigde Rwanda een eerste arrestatiebevel tegen Jean Baptiste N. uit met een geheim uitleveringsverzoek. ‘De beschuldigingen daarin zijn min of meer dezelfde als in het individueel ambtsbericht’, zegt advocate Caroline Buisman. Er staan echter feitelijke onjuistheden in die opmerkelijk zijn voor een politiestaat. De geboorteplaats van Jean-Baptiste N. klopt niet. Ook wordt de verkeerde persoon als zijn vader opgevoerd, namelijk de vader van de vermoorde president Juvenal Habyarimana, die in het vliegtuig zat dat op 6 april 1994 werd neergehaald waarna de genocide losbarstte.

In juni 2021 stuurde het Nederlandse ministerie van Justitie en Veiligheid een brief naar Rwanda met de vraag of het oude arrestatiebevel nog geldig was. Een kleine maand later, op 16 juli, antwoordden de Rwandese autoriteiten bevestigend. Het ministerie stuurde vervolgens een brief naar het OM met het verzoek Jean-Baptiste N. aan te houden. Op 29 juli 2021 werd hij van zijn bed gelicht. Sindsdien zit hij in de gevangenis in Alphen aan den Rijn. ‘Het komt erop neer dat een verdachte zijn onschuld moet bewijzen, maar daar krijgt hij de kans niet eens voor. De rechter wuift alles weg’, aldus Buisman.

‘Ik vind het kafkaësk. Ik zou het woord schandalig willen gebruiken’, zegt Jan Pronk. ‘Het is niet zo dat de Nederlandse rechters onder druk staan. Die druk hoeft helemaal niet te worden uitgeoefend, want ze gaan gewoon mee met het overheidsbeleid. Er is een vorm van luiheid en gewenning, terwijl rechters verzet zouden moeten aantekenen tegen de gang van zaken. De Nederlandse rechtsstaat faalt.’ Hij vervolgt: ‘Ik protesteer ertegen dat mensen het Nederlanderschap wordt ontnomen om uitgeleverd te worden aan Rwanda.’

Er zijn grote zorgen over het autoritaire bewind in Rwanda. Pronk zag hoe de rechtsstaat en democratie werden opgebouwd en de afgelopen tien jaar werden afgebroken. ‘President Kagame ging zich koesteren aan de macht. De verkiezingen werden gewonnen met Noord-Koreaanse percentages. Hij ging dissidenten vervolgen. Rwanda verdient de naam rechtsstaat niet meer. Het is gevaarlijk om mensen terug te sturen om in Rwanda berecht te worden. Maar het Nederlandse beleid is: oogkleppen op en wegkijken.’

Volgens mensenrechtenorganisaties als Amnesty International en Human Rights Watch maakt het Rwandese bewind zich schuldig aan zware onderdrukking van de politieke oppositie, verdwijningen, willekeurige arrestaties, marteling en slechte behandeling in detentiefaciliteiten en gebrek aan een eerlijk proces in gevoelige zaken. In 2020 stierf gospelzanger Kizito Mihigo, die was vervolgd vanwege een kritisch lied over de officiële versie van de genocide en opnieuw was opgepakt, onder verdachte omstandigheden in een politiecel. Later dat jaar werd Paul Rusesabagina, de beroemde manager van Hôtel des Mille Collines die tijdens de genocide ruim duizend mensen het leven redde, tijdens een vlucht vanuit Dubai ontvoerd naar Rwanda. De Rwandese justitie beschuldigde hem van steun aan een rebellengroep die dodelijke aanvallen in Rwanda uitvoerde. Vorig jaar werd hij door de rechtbank schuldig bevonden aan terrorisme. Mensenrechtenorganisaties, de EU, landen als de VS en België stellen dat hij geen eerlijk proces kreeg.

Het ministerie van Justitie en Veiligheid deelt die zorgen niet als het om uitleveringszaken gaat. ‘Door het Rwanda Tribunaal en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (ehrm) is eerder geoordeeld dat uitlevering van genocideverdachten aan Rwanda niet in strijd is met de mensenrechten’, aldus het ministerie. Ook wijst het departement erop dat in 2019 het VN-Comité tegen Foltering ‘twee klachten over uitlevering aan Rwanda ongegrond verklaarde’.

Verder vallen deze zaken onder de speciale ‘Transfer Law’. Uitgeleverde genocideverdachten worden daarmee ‘onder internationale wetgeving’ vervolgd en de rechtszaak ‘kan worden getoetst aan onder meer het recht op een eerlijk proces van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens’, aldus het ministerie. Ook vinden – op advies van de Nederlandse rechter en het ministerie – monitoring van de procedures en processen plaats. ‘Is dat een garantie op een eerlijk proces? Nee’, zegt Bolhuis. De monitoring wordt gedaan door de Keniaanse leden van de ngo International Commission of Jurists (icj). De rapporten signaleren wel problemen, maar zijn niet erg gedetailleerd. ‘Blijkbaar is het volgens de Nederlandse rechter niet zo ernstig dat een volgende uitlevering wordt geweigerd’, zegt Bolhuis. Overigens stopt icj-monitoring na het proces, als de uitgeleverde personen zijn veroordeeld, gevangen zitten en de meeste risico’s lopen.

Opvallend is dat al zeven jaar geleden uit justitiehoek stevige kritiek kwam op het idee dat genocideverdachten een eerlijk proces zouden krijgen. Martin Witteveen was als Nederlandse rechter-commissaris internationale misdrijven ongeveer 25 keer in Rwanda geweest voor onderzoek en het horen van getuigen voor processen die in Nederland plaatsvonden. Hij werd in 2014 door het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken als expert uitgezonden om het Rwandese Openbaar Ministerie te adviseren over hun genocidezaken. In zijn verslag van 2015 schrijft hij dat genocideverdachten geen kans op een eerlijk proces hebben, omdat er geen mogelijkheden voor een goede verdediging zijn. Witteveen, tegenwoordig advocaat-generaal (officier van justitie in hogerberoepzaken), kreeg vervolgens van bronnen te horen dat hij maar beter niet terug kon komen naar Rwanda.

Maar het ministerie van Justitie en Veiligheid stelt, in een verwijzing naar een uitspraak van de Nederlandse rechter, dat ‘niet valt af te leiden dat bij uitlevering van de opgeëiste personen aan Rwanda een reëel risico bestaat op een flagrante schending van 6 evrm’ – artikel 6, ‘recht op een eerlijk proces’, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

Pronk heeft over de gehele linie geen vertrouwen in de rechtsgang. ‘In Rwanda staan de onderzoekers, de getuigen en de rechters onder politieke druk. De bevindingen en de beschuldigingen zijn anoniem. De aangeklaagden worden niet geïnformeerd en kunnen zich niet verdedigen. De vonnissen worden aan de rechters gedicteerd. Om die reden is uitlevering van verdachten in strijd met beginselen van onze eigen rechtsstaat.’

Het ministerie van Justitie en Veiligheid wijst ook die kritiek van de hand. Er zijn ‘geen aanwijzingen’ dat rechters in Rwanda ‘niet onafhankelijk kunnen werken en dat zij onder druk staan bij het uitspreken van vonnissen’, zegt een woordvoerder. Nederland levert volgens het ministerie geen verdachten uit als het vermoeden bestaat dat hun rechten worden geschonden, de Nederlandse rechter buigt zich ook over uitleveringen en de minister kan garanties aan Rwanda vragen. ‘Hiermee is voldoende geborgd dat uitlevering geschiedt in overeenstemming met de beginselen van de Nederlandse rechtsstaat. De Nederlandse regering ziet geen redenen om tot een ander beleid met betrekking tot uitlevering naar Rwanda te komen.’

Nederland stuurde in 2015 Jean de Dieu M. terug naar Rwanda. Eind 2016 werden weer twee mannen uitgeleverd. Jean Claude I. werd afgelopen juni veroordeeld tot 25 jaar wegens deelname aan de genocide. Het vonnis in de zaak tegen Jean Baptiste M., die sinds januari 2014 vastzit (drie jaar in Nederland en vijf jaar in Rwanda), is echter uitgesteld. Joost Brouwer, een expert die dossiers en ambtsberichten van beschuldigde asielzoekers analyseert, schrijft in het Nederlands Juristenblad dat er bij het proces tegen Jean Baptiste M. is gerommeld met aanklachten. Ook hebben meerdere getuigen à charge hun belastende verklaringen ingetrokken. Een getuige zei dat hij zijn eerdere verklaring had ondertekend ‘onder bedreiging met de dood door een hoge Rwandese ambtenaar’. De medische zorg was ‘gebrekkig’, schrijft Brouwer. Hij stelt dat Nederlandse ministers op 7 februari 2020 ‘zelfs zo ver’ gingen tegenover de Tweede Kamer te verklaren dat er geen reden is aan te nemen dat Rwanda zich niet aan de afspraken houdt.

Afgelopen zomer werd de 72-jarige Venant R. uitgeleverd om terecht te staan voor zijn vermeende betrokkenheid bij massamoorden tijdens de genocide. (Vorig jaar werd een Rwandees in Nederland opgepakt, maar ook meteen vrijgelaten – naar verluidt vanwege een procedurefout.) Mocht een uitgeleverde Rwandees toch worden vrijgesproken, is deze het Nederlandse paspoort al kwijt. ‘Er is dan geen enkele kans dat zij naar hun familie en vrienden in Nederland terug kunnen’, zegt advocate Buisman.

Experts vragen zich af of er meer speelt bij het Nederlandse beleid. Sinds de verwoestende genocide is Nederland een trouwe partner van Rwanda bij het opbouwen van een Rwandese rechtstaat. Pronk weet nog hoe hij tijdens een bezoek het ministerie van Justitie in Kigali binnenstapte. ‘Er was één persoon. Alleen de minister was er. Maar hij had niet eens een tafel of computer.’ Niet alleen was het aantal slachtoffers van de genocide schokkend, er zaten ook honderdduizenden verdachten vast die berecht moesten worden. De Nederlandse regering heeft de rechtsstaatontwikkeling gesteund via financiering van een breed scala van activiteiten variërend van trainingen aan rechters, advocaten en politieagenten, de bouw van een gevangenis, traumacounseling, conflictpreventie en media-ontwikkeling tot ondersteuning aan het Gacaca-systeem en mensenrechtenwerk. Ook ging er Nederlands geld naar de Genocide Fugitives Tracking Unit.

Het ministerie van Buitenlandse Zaken, dat niet alles precies meer kan achterhalen, stelt dat de totale bijdrage sinds 1995 minstens 139 miljoen euro bedraagt. ‘Als er zo veel belastinggeld gaat zitten in het opzetten van een heel rechtssysteem, en je zou mensen toch niet uitleveren, ondermijn je je eigen beleid’, zegt niod-onderzoeker Bouwknegt. ‘Nederland wil met die uitleveringen laten zien dat het werkt en dat het geld goed is besteed’, stelt Buisman. En Pronk wijst erop dat Nederland ook verder de relatie goed wil houden. ‘Het Nederlandse bedrijfsleven verdient veel in Rwanda. Ook gedraagt Rwanda zich voorbeeldig bij het leveren van troepen voor missies van de Verenigde Naties.’

Intussen heeft Nederland besloten handel en investeringen centraal te stellen, en te stoppen met de ontwikkelingshulp aan Rwanda die dit jaar afloopt. Bouwknegt woonde in juni 2021 een conferentie bij ter afsluiting van de 25 jaar Rwandees-Nederlandse samenwerking op het gebied van rechtsstaatontwikkeling. Over de sfeer tijdens de bijeenkomst zegt hij: ‘De ontvangende staat is niet blij als de gevende staat met financiering stopt.’

‘Terwijl de Nederlandse rechter de waarborgen accepteert, geldt dat niet voor andere landen. In die landen wordt anders aangekeken tegen de Rwandese rechtspraak en de bescherming van verdachten’, zegt Bolhuis. België vervolgt altijd al zelf genocideverdachten. Uit een overzicht door academica en jurist Nicola Palmer blijkt dat ook Frankrijk, Italië, Zwitserland, Finland en het Verenigd Koninkrijk niet uitleveren. In juni 2015 legde Witteveen in de Magistrates’ Court drie dagen als getuige-deskundige een verklaring af in een Engelse uitleveringszaak van vijf Rwandezen waarbij hij betoogde dat zij geen eerlijk proces zullen krijgen. In tegenstelling tot Nederland zette de rechter hier wel een streep door de uitlevering omdat deze in strijd is met artikel 6 van het evrm.

‘We moeten stoppen met uitleveringen aan Rwanda en de berechting van deze Nederlanders in Nederland zelf doen’, zegt Pronk. Justitie is goed in staat internationale misdrijven zelf te vervolgen. In het verleden hebben Nederlandse rechters twee Rwandezen veroordeeld. ‘Deze zaken zelf doen zou de koninklijke weg zijn. Maar het kost natuurlijk wel geld’, zegt advocaat Wijngaarden.

Aan het einde van de zitting in oktober wendt Jean-Baptiste N. zich naar de politieagent die hem bewaakt. ‘Dat zijn mijn collega’s’, zegt hij, terwijl hij wijst naar enkele vrouwen op de publieke tribune. De politieagent glimlacht. ‘Hou vol papa, het komt goed’, roept een van zijn zoons. Twee weken later, op 12 november, besluiten de rechters dat Jean Baptiste N. kan worden uitgeleverd. Omdat er nog procedures lopen, zit hij voorlopig nog in de gevangenis van Alphen aan den Rijn.