De Tweede Wereldoorlog - Een tijdelijke toevlucht voor de joden

‘’s Avonds bereikten we de top’

Vluchten, integreren, opnieuw vluchten, schuilen tussen vrees en wanhoop. Met hun barre tocht van Frankrijk naar Italië logenstraffen de joden van Saint-Martin-Vésubie het beeld van de jood die zich in de Tweede Wereldoorlog gelaten liet wegvoeren.

Medium vuisje5

1 september 2013. Op weg naar de Col de Fenestre kijk ik om naar Saint-Martin-Vésubie. Het stadje ligt er wonderlijk klein en compact bij, opgevouwen in het dal als in een arcadisch sprookje. Een kerstkaart, een kijkdoos: alles ademt hier geborgenheid.

Jo, Stella en Richard keken niet om, dat hadden ze al lang afgeleerd. Zeventig jaar geleden strompelden ze hier omhoog, de blik gevestigd op de ongenaakbare toppen van de Mercantour en de fel oplichtende hemel daarachter. Een half jaar lang hadden ze van de geborgenheid in het Zuid-Franse stadje mogen proeven. Toen moesten ze weg.

Nu loop ik omhoog met kinderen en kleinkinderen van de duizend joodse vluchtelingen die hier in 1943 een heenkomen zochten over de Alpen naar Italië. Madeleine Racimor; haar moeder overleefde als enige van zes familieleden de oorlog. Roby Herskowicz; zijn oom Abraham, zijn vrouw en andere familieleden, allemaal stierven ze in Auschwitz. Ari Roth, een Amerikaanse toneelschrijver wiens moeder, tante en oma de tocht maakten na een zwerftocht die in Berlijn begonnen was.

Jaarlijks wordt deze Marche de la Mémoire gehouden, met als hoogtepunt een joodse dienst op de Col de Fenestre. Tegen de bergwand zijn foto’s geplaatst van de kinderen die erbij waren en uiteindelijk de dood vonden in Auschwitz.

Ook van de Italiaanse kant komen deelnemers naar boven. Een van hen is Adriana Muncinelli, een historica die de biografieën reconstrueert van de honderden die de tocht over de Alpen volbrachten maar de oorlog niet overleefden. ‘Achter de naam’ heet haar project.

Twintig nationaliteiten kwam ze tegen. ‘Jij bent toch een Nederlander? Er was één Nederlander bij. Joseph van Cleef, geboren in 1896. We weten nog niet veel van hem.’

Zo begonnen mijn naspeuringen naar Jo van Cleef. Zijn vader en moeder groeiden op bij mij om de hoek, in de Jodenbreestraat en aan de Oudezijds Achterburgwal in Amsterdam. Al snel stuitte ik op een foto van hem. Hij leek op mijn, eveneens joodse, vader in zijn jonge jaren. Misschien had ik er ook zo uitgezien, als ik toen had geleefd. Wat zou ik hebben gedaan?

Jo’s opa’s waren allebei diamantslijper, zijn vader was ‘ongeregeld handelsman’. Zelf komt hij ook in de handel terecht. Na de scheiding van zijn ouders groeit hij op bij zijn grootvader in Rotterdam, maar in 1926 verhuist hij terug naar Amsterdam. Tot 1932 woont hij aan de Hemonylaan.

Medium vuisje6

Jo werkt bij een textielfabriek maar wordt ontslagen wegens het organiseren van vakbondsactiviteiten. Daarna vertrekt hij naar Brussel, waar hij een goed renderende katoenhandel begint. Pogingen om hem te koppelen aan een goed-joodse bruid lijden schipbreuk. In 1938 trouwt hij met de katholieke Agnès Smekens, klerk op het postkantoor.

In 1939 wordt hun dochter Colette geboren. Het gezin woont dan in Woluwe-Saint-Lambert, een chique buitenwijk van Brussel, maar als in september de oorlog uitbreekt, begrijpt Jo dat Brussel binnenkort niet meer veilig zal zijn. Hij begint met zijn gezin te zwerven en weet begin 1940 Nice te bereiken. Aan de Rivièra lijken de oorlogsverschrikkingen ver weg. De vlucht lijkt een vakantie.

Lang duurt het niet. Juni 1940 sluiten Frankrijk en Duitsland een wapenstilstand, waarbij het noordelijk deel van Frankrijk wordt bezet en het zuidoosten formeel ongemoeid blijft onder een regering in Vichy. In werkelijkheid is dit ‘Vrije Frankrijk’ een Duitse vazalstaat. Nog datzelfde jaar kondigt Vichy op eigen initiatief rassenwetten af. In 1942 begint de jacht op joden.

Ook in Nice staat het stadsbestuur onder druk om maatregelen te nemen tegen de vele joodse vluchtelingen die zich er hebben verzameld. Najaar 1942 maakt de prefect bekend dat alle joden aan de Duitsers zullen worden uitgeleverd. Maar zo ver komt het niet, want in november neemt de oorlog een onverwachte wending. De geallieerden landen in Frans Noord-Afrika en sluiten een wapenstilstand met de daar gelegerde troepen van Vichy-Frankrijk. Drie dagen later marcheren Duitse troepen de Vichy-staat binnen.

Ook Italië voelt zich nu vrij om het ‘Vrije Frankrijk’ binnen te vallen; het bezet de streek ten oosten van de Rhône. Mussolini aast al een tijd op de Alpes Maritimes, die in 1860 door Frankrijk zijn ingepikt en sindsdien behoren tot de irredenta, de ‘niet teruggegeven gebieden’.

Wat staat de in het nauw gedreven vluchtelingen te wachten? Mussolini is een bondgenoot van Hitler maar in zijn fascistische leer speelt jodenhaat geen rol. Sterker, hij heeft het antisemitisme aangeduid als ‘belachelijk’ en ‘de barbarij van een volk dat in het Stenen Tijdperk leeft’.

Maar Mussolini is ook een niets ontziende opportunist, die na 1935 alsnog de superioriteit van het Italiaanse ras op de agenda zet. Dat jaar onderwerpen de Italianen Abessinië en als bestierders van een heus koloniaal rijk beginnen ze een hetze tegen al wat ze etnisch minderwaardig vinden. Fascistische affiches tonen nu verachtelijke joodse en negerkoppen naast het nobele Romeinse profiel.

Duitse druk doet de rest. In 1938 worden anti-joodse maatregelen van kracht. Op alle manieren wordt joden het leven zuur gemaakt, maar één ding doen de Italianen niet: ze uitleveren aan Duitsland. Bij alle dubbelzinnigheid van de Italiaanse opstelling ten opzichte van de joden blijft één punt overeind: ze hoeven niet dood.

In de zone rond Nice gaan de Italiaanse autoriteiten nog een stap verder: hun eigen rassenwetten worden er niet toegepast. Als ergens het adagium ‘blijf met je rotpoten van onze rotjoden af’ van toepassing is, dan is het hier.

Ook nu zijn pragmatische afwegingen in het spel. In de Italiaanse zone worden de politietaken nog waargenomen door het Vichy-bewind. Er ontstaat een precair machtsevenwicht tussen gendarmes en carabinieri. De Fransen hebben hun Duitse meesters beloofd bepaalde quota joden te ‘leveren’. De Italianen laten hun spierballen rollen en saboteren de antisemitische maatregelen.

Maar er spelen ook andere, menselijke overwegingen. Een reeks Italiaanse bestuurders in het bezette gebied trotseert de Duitse verlangens ten koste van grote en soms fatale risico’s. De Italianen stellen zich humaan op en de tijding verspreidt zich snel: daar in dat hoekje van Zuidoost-Frankrijk vind je veiligheid, daar ben je beschut voor de antisemitische orkaan.

Voor joodse vluchtelingen uit Oost-Europa betekent dit onwaarschijnlijke beloofde land een laatste strohalm. Tweehonderdduizend heeft Frankrijk er opgenomen en vooral zij zijn in gevaar. Buitenlandse joden lopen twee keer zo veel kans te worden gedeporteerd als Franse. Nu stromen zij massaal naar Nice en omstreken.

Medium vuijsje2
‘Toen we aankwamen, vonden we alle deuren en ramen dicht. De inwoners wisten niet wat joden waren’

Ook voor Jo en zijn gezin lijkt de onbezorgdheid terug te keren. Dagelijks moeten ze zich bij de Italiaanse autoriteiten melden, maar het gaat gemoedelijk; opnieuw lijkt de oorlog ver weg. Maar opnieuw verhogen de Duitsers de druk op Mussolini. Maart 1943 gaan de Italiaanse bezettingsautoriteiten over tot het registreren van de joodse vluchtelingen en krijgen die een gedwongen verblijfplaats toegewezen.

Maar het zijn geen door prikkeldraad omheinde kampen waar zij worden ondergebracht; ze gaan naar lieflijke bergdorpjes als Megève, Castellane en Moustiers. Een groot aantal komt terecht in Saint-Martin-Vésubie, een middeleeuws toeristenstadje ten noorden van Nice. Ook Jo, Agnès en de kleine Colette krijgen het consigne daarheen te vertrekken.

Vluchtelingen uit de Duitse bezettingszone kunnen hun ogen niet geloven als ze in Saint-Martin aankomen. Ze zien intieme stadspleintjes met terrassen waar joden uit heel Europa genoeglijk van hun koffie nippen. Jiddisch voert de boventoon. Anderen zitten te schaken op bankjes aan de brede, door platanen beschutte esplanade. In de middeleeuwse straatjes flirten carabinieri met Franse en joodse meisjes.

Tijdens de Belle Époque rond 1900 was Saint-Martin befaamd als zomerverblijf voor de aristocratische bezoekers van de Côte d’Azur die verkoeling zochten in berg en bos. Nu herbergen de hotels en chique chalets mensen die een paar weken tevoren nog weggekropen zaten in kasten en kelders, vrezend voor hun leven. In een van die chalets, Villa Galante, nemen Jo, Agnès en Colette hun intrek.

‘Hij was een grote man van veertig jaar met een dichte bos bruin haar en een wat spitsboef-achtig gezicht. Hij had de gewoonte de mensen uit zijn ooghoeken aan te kijken, wat hem vanwege zijn dikke brillenglazen iets onbeholpens gaf.’ Zo beschrijft Stella Silberstein Jo in Hotel Excelsior, het boek dat zij over haar oorlogservaringen heeft geschreven.

Silberstein is een Weense fysiotherapeut die ook naar Nice is gevlucht en van daaruit naar Saint-Martin-Vésubie gestuurd. Daar sluit ze vriendschap met de Van Cleefs. Met haar boek heeft ze Jo een gezicht gegeven. Ernest, zoals ze hem noemt, ‘was liberaal opgevoed, had zich nooit jood gevoeld. Nu moest hij opeens inzien dat hij joods was.’

Voor Saint-Martin-Vésubie is de joodse invasie een schok. De bevolking van het stadje verdubbelt bijna. Behalve de achthonderd vluchtelingen die er een verblijfplaats kregen toegewezen, zijn ook zo’n vierhonderd ‘illegalen’ op het gerucht van Saint-Martin als safe haven af gekomen. De tintelend frisse berglucht is plotseling vervuld van zangerig Jiddisch en een mix van twintig andere talen die het lokale gavòt dreigt te overstemmen.

Aan toeristen zijn de inwoners gewend, maar joden? ‘Toen we aankwamen, vonden we alle deuren en ramen dicht’, hoorde Madeleine Racimor van haar moeder. ‘De inwoners wisten niet wat joden waren. Later gingen de deuren en de harten open.’ De plaatselijke middenstand is in zijn sas met de nieuwe doelgroep. De rijken leven van het geld dat ze hebben weten mee te smokkelen, de armen krijgen steun van joodse hulporganisaties zoals het Amerikaanse Joint. Veel vluchtelingen beginnen een moestuintje of zetten een ruilhandeltje op.

Saint-Martin krijgt de bijnaam ‘klein Odessa’, een sjtetl in de Alpen. Spoedig bloeit een rijk joods cultureel leven op. Mannen met keppel en gebedskleed haasten zich naar de synagoge die rabbijn Joseph Templer in chalet Les Pervenches heeft ingericht, kinderen naar het Talmoed Torah-schooltje daarnaast. De chef van de carabinieri komt vaak naar de diensten omdat hij het gezang van de Belgische cantor zo mooi vindt.

Voor de jeugd is er een boksclub en een clubje om de swing te dansen. De zionistische jongerenorganisatie mjs organiseert allerlei activiteiten. Ook de Italianen zitten niet stil. Hun dansavondjes in Hotel Stéfany zijn populair. De dorpsjeugd ontmoet er graag de joodse jongeren; de kinderen van de rijke toeristen waren altijd onbereikbaar. En deze lui hebben gereisd, de wereld gezien!

‘It was really fun!’ zegt Charles Roman, een joodse jongen uit Wenen die later in Amerika terechtkwam, op de bijeenkomst die aan de vooravond van de Marche de la Mémoire wordt gehouden. Zestien jaar was hij toen. ‘Je wist niet wanneer het zou ophouden, maar daar dacht je niet aan. Je leefde bij de dag.’

Het was ongekend, het was heerlijk en het was surrealistisch. De stad uit mocht je niet, twee keer per dag moest je je melden bij de Italiaanse autoriteiten in Hotel Terminus. Ook andere activiteiten speelden zich af in hotels, als om de onbestendigheid van het geheel te accentueren.

Altijd was er een stille dreiging van de Vichy-Franse politie en van de Milice, een soort Franse Gestapo die ook in de Italiaanse zone opereerde. Als je die zag opdoemen, moest je hard Aiuto! roepen en hopen dat de carabinieri je kwamen ontzetten.

Een paar keer wordt een gewapende confrontatie ternauwernood vermeden. Een Milice-eenheid heeft al een vijftiental joden opgepakt als een luitenant van de Italiaanse grensbewaking, in allerijl gewaarschuwd, komt aanzetten met vijf soldaten, die ostentatief hun geweren beginnen te laden. Op 6 april wordt de commandant van de gendarmes op het Italiaanse hoofdkwartier ontboden en gesommeerd met zijn fikken van de joden af te blijven omdat die ‘onder controle staan van ons, de bezettingsmacht in veroverd gebied’.

Steeds loopt het met een sisser af. ‘Die Franse gendarmes konden ons niets maken’, vertelt Charles Roman. ‘De Italianen hadden hun wapens afgepakt, hun holsters waren leeg. Ze gebruikten die toen maar om de peuken in op te bergen die ze opraapten, de peuken van de sigaretten die wij van de Italianen hadden gekregen.’ Joods-Frans-Italiaanse ‘bukshag’ – ook dat hoorde bij de zomer van ’43 in Saint-Martin-Vésubie.

In een elegant chalet, Les Lucioles, zetelt het Joods Comité, dat gekozen wordt door de vluchtelingen en hen vertegenwoordigt bij de Italiaanse autoriteiten. Maar het Comité houdt zich ook met andere zaken bezig. Hoe lang zal Saint-Martin veilig blijven? Als de geallieerden, die in juli ’43 op Sicilië zijn geland, verder oprukken, is het dan niet verstandiger naar Italië uit te wijken?

Saint-Martin ligt maar een paar kilometer van de grens, maar het buurland verschuilt zich achter een steil alpenmassief, de Mercantour. Moeilijk begaanbare muilezelpaden voeren naar twee bergpassen, de Col de Cerise en de Col de Fenestre, allebei zo’n 2500 meter hoog. Beide routes worden door verkenners van het Joods Comité in kaart gebracht. Ook begint het Comité ateliers voor het maken en repareren van rugzakken en bergschoenen. In de wijnkelder van een van de chalets worden valse persoonsbewijzen vervaardigd.

De vluchtplannen worden ook besproken in de vriendenkring van Jo en Agnès. Stella Silberstein en haar vriend Richard, een eveneens uit Wenen afkomstige joodse arts die ze in Nice heeft leren kennen, bereiden zich voor op hernieuwd vertrek. Maar op zulke momenten schudt Jo zijn hoofd. ‘Ik heb er genoeg van’, zegt hij dan. ‘Ik wil niet opnieuw weg.’

Stella begrijpt wel waarom. Jo is nooit een dag gescheiden geweest van Agnès en Colette, ‘een sprankelend meisje van vier jaar’. Als hij zou vluchten, zouden zij achterblijven. Agnès is immers niet joods.

Maar opeens is er geen tijd meer voor twijfel. Op 3 september landen de geallieerden op het Italiaanse vasteland. Dezelfde dag wordt een wapenstilstand zonder voorwaarden gesloten; in feite capituleert Italië. Eigenlijk moest dat een maand lang geheim blijven, maar op de avond van 8 september maakt generaal Eisenhower het toch bekend.

Het nieuws voert de joden van Saint-Martin in één klap terug naar de barre onzekerheid waarvan ze zich verlost waanden. De Italiaanse carabinieri trekken burgerkleren aan en gaan naar huis. Binnen een paar dagen zullen de Duitsers en hun Franse bondgenoten het gebied komen bezetten. De burgemeester belegt een bijeenkomst en raadt de joden aan zo snel mogelijk te vluchten.

Waarheen? Die avond vliegen de mensen, samengestroomd op de Place Félix Faure, het aandoenlijke dorpsplein met zijn knusse terrasjes, elkaar radeloos in de haren. Vluchten naar Italië? Naar het land van de rassenwetten, Hitlers bondgenoot?

‘De uitgeputten werden door de zusters bijgestaan. Men voelde zich geborgen, oud en jong ontspande’

Ja, maar het antisemitisme is daar minder sterk, dat weten we toch! En de Amerikanen kunnen binnen een paar dagen doorstoten, maken de mensen elkaar wijs. Het is een wanhopig en vruchteloos debat. Iedereen weet dat er geen keus is. Italië is de enige kans.

De volgende ochtend is het chaos op het plein. Taxi’s rijden af en aan met steeds nieuwe vluchtelingen. Om tien uur vertrekken de Italiaanse soldaten naar de Col de Cerise, ze nemen bagage en kinderen over van de joden die met hen meegaan.

Jo, die zich heeft laten overhalen om toch te vertrekken, is dan al onderweg naar de Col de Fenestre, met de hoofdstroom van de vluchtelingen. Een geoefend wandelaar kan de tocht over de pas in een dag volbrengen. Maar de joden gaan op weg in zomerkleren en verschoten overjassen, op houten sandalen, sjouwend met koffers en kartonnen valiezen. Ze hebben baby’s op de arm, kinderen aan hun rok en oude mensen aan hun zijde.

Het regent niet, maar het is glad en bitter koud. De tocht voert door een magnifiek berglandschap, met dichte sparren-, eiken- en lariksbossen. Charles Roman, die de enige foto’s maakt van de tocht over de Col de Fenestre, vertelt: ‘Ik nam die foto’s alleen omdat ik zo geïmponeerd was door de grootsheid van de bergen. Hoe wij mensen daardoor gekleineerd werden, als een rij mieren die omhoog kroop.’

Het tafereel is vaak vergeleken met de exodus, de uittocht uit Egypte. ‘Die lange rij mensen, als in een oude film’, zegt een andere ooggetuige. ‘Maar het was echt, die figuranten waren we zelf. En een wonder als in de Rode Zee bleef deze keer uit.’

Die avond bereiken ze het heiligdom van de Madone de Fenestre, een veertiende-eeuwse Maria aan wie tal van wonderen zijn toegeschreven. De wanden in de barokke kapel zijn bedekt met ex-voto’s. Rondom zijn onderkomens voor pelgrims; hier vinden de vluchtelingen een overnachtingsplek.

Er is ook een klein garnizoen van de gaf, de Italiaanse grensverdediging. Commandant Raimondo Luraghi schrikt als hij de mensen ziet aankomen. ‘Veel joden arriveerden bevend van angst voor een ontmoeting met Duitsers’, getuigt hij later. Hij verstrekt eten en laat de angstigste mensen begeleiden door bewapende soldaten.

De tweede dag is veel zwaarder. Ze zijn nu op tweeduizend meter en moeten steil omhoog langs een kale helling met veel steenslag. Boven hen zien ze rotspunten als haaientanden en mistige rotswanden die zich aaneensluiten tot een afschrikwekkende barrière. Onder hen een spoor van achtergelaten koffers en valiezen. Later die dag gaat het regenen en raken ze tot op het bot verkleumd.

‘’s Avonds bereikten we de top’, schrijft Stella Silberstein. ‘Daar zagen we een lange ruïne. “Colli di Finestra” lazen we op een bord. We waren in Italië en daar brachten we deze nacht door. Steeds kwamen nieuwe vluchtelingen aan. Velen waren er ellendig aan toe.’ Ook hier doen de Italiaanse grensbewakers wat ze kunnen. Ze nemen de kinderen in hun armen om ze te troosten. Op de andere pas, de Col de Cerise, laat de commandant warme wijn en soep uitdelen en geeft zijn mannen opdracht af te dalen om oude mensen naar boven te helpen.

In Entracque, het eerste dorpje dat de vluchtelingen afdalend van de Col de Fenestre tegenkomen, zijn de autoriteiten behulpzaam. Soldaten delen koffie en brood uit, gestuurd door de joodse gemeenschap van het nabijgelegen stadje Cuneo, en stellen de kazerne open voor onderdak.

Medium vuijsje

Jo en zijn vrienden bereiken een nonnenklooster in de buurt van het dorp, waar ze hartelijk worden opgenomen. De zieken krijgen fris opgemaakte bedden, schrijft Stella, ‘de uitgeputten en vermoeiden werden door de zusters bijgestaan. Men voelde zich geborgen, oud en jong ontspande.’

Jo treedt hier op als getuige bij het huwelijk van Stella en Richard. Het is een eenvoudige joodse plechtigheid, verricht door een rabbijn die ook in het klooster is aanbeland.

Moeder-overste Maria blijkt zich ook nog over anderen te hebben ontfermd: ze helpt partizanen in de bergen. Richard en Stella worden ingeschakeld voor medische assistentie. Als ze met een muilezel vertrekken, worden ze door een bezorgde moeder Maria gezegend.

Ook de volgende dag wordt het jonge echtpaar er op uit gestuurd om partizanen te verzorgen. Bij hun terugkomst vinden ze iedereen gepakt en gezakt; gevreesd wordt dat de Duitsers lucht van hun aanwezigheid hebben gekregen.

Ook in het verderop gelegen stadje Valdieri doet het stadsbestuur wat het kan. Onderdak wordt geregeld, valse papieren worden verstrekt. Vijf dagen lang leven de vluchtelingen in de illusie dat ze het goede leven van Saint-Martin kunnen voortzetten. Ze houden alvast een vergadering om een vertegenwoordigend comité te kiezen.

Maar opnieuw komen ze voor een onmogelijke keuze te staan. Na de wapenstilstand tussen Italië en de geallieerden zijn de Duitsers een snelle opmars begonnen. Moeten de vluchtelingen hun komst afwachten? Of dieper de bergen in trekken en onderduiken? Weer breken verhitte discussies uit, en weer worden die door de feiten ingehaald.

Op 17 september rijdt een colonne met swastika’s beschilderde voertuigen Entracque binnen en omsingelt het stadje. De volgende dag laat SS-Hauptmann Müller overal in Entracque en Valdieri een plakkaat ophangen: alle ‘vreemdelingen’ moeten zich diezelfde dag melden. Wie dat niet doet, of de vreemdelingen hulp verleent, zal worden gedood. Het galmt ook door de straten, luidsprekerauto’s rijden rond.

Veel mensen geven gehoor aan het bevel. Na de zware tocht hebben ze niet meer de kracht zich teweer te stellen. De winter komt eraan, met sneeuw en ijs, ze kennen de omgeving niet en hebben kinderen en oude mensen bij zich. Geld, bescherming, eten en papieren hebben ze niet, mensen kennen ze niet, de taal spreken ze niet. Het jachtcommando van de SS Leibstandarte Adolf Hitler weet 350 mensen op te pakken en op de dorpspleinen bijeen te drijven.

In het klooster hebben Stella en Richard zich laten overhalen nog eenmaal een groep partizanen te bezoeken. Onderweg worden ze door Duitse soldaten opgemerkt en naar het dorpsplein van Entracque gebracht. ‘Daar zagen wij onze Leidensgenossen uit Saint-Martin terug’, schrijft Stella, ‘in rijen opgesteld.’ Stil staan ze daar, niemand verzet zich. Ook Jo is daarbij. Hauptmann Müller is in zijn nopjes. Hoe meer joden worden aangevoerd, des te beter zijn humeur.

Het is een mistige herfstdag, de winter hangt al in de lucht als ze op weg gaan naar de stad Borgo San Dalmazzo, waar de Duitsers hun basis hebben. Ze lopen door de akkers, boeren zijn aan het werk, alles lijkt vredig en stil. ‘Niemand nam notitie van ons, maar ieder van ons was een zenuwinzinking nabij.’

In de verlaten kazerne waar de Duitsers een geïmproviseerd Polizeihaftlager hebben ingericht, heeft aanvankelijk de SS de leiding. De mannen moeten hard werk doen buiten het kamp, getreiterd door de Duitsers. Later neemt de Wehrmacht het over en wordt het regime lichter. Richard en Stella zetten een medische post op, afgezanten van hulporganisaties krijgen toegang en de onderrabbijn van Turijn komt op bezoek.

Op iedere verdieping hangt een bord: ‘Het is verboden uit het raam te kijken. Overtreders worden doodgeschoten’

Ook is er briefcontact met de achterblijvers in Saint-Martin-Vésubie. Don Francesco Brondello, de 21-jarige kapelaan van Valdieri, is een begaafd skiër en weet brieven heen en weer de grens over te smokkelen. Hij maakt deel uit van een omvangrijk netwerk van katholieke geestelijken die onderduikers bijstaan. Brondello brengt ook post voor Jo mee. Agnès schrijft dat hij met hulp van Brondello kan ontsnappen. Maar op het laatste moment ziet Jo daarvan af omdat in zo’n geval represailles worden genomen tegen andere gevangenen. Hij raadt zijn vrouw aan terug te gaan naar België.

Agnès beschrijft ook wat er in Saint-Martin is gebeurd. Een Oostenrijkse SS-eenheid onder leiding van de beruchte jodenjager Aloïs Brunner, die door Eichmann als zijn ‘beste man’ werd geroemd, heeft tientallen achtergebleven joden opgepakt en naar Auschwitz gedeporteerd. Zieken, oude mensen en kinderen die de tocht over de bergen niet aankonden – Richards moeder was een van hen.

De nazi’s krijgen niet alle achterblijvers te pakken. Een aantal vlucht alsnog de bergen in, anderen weten onder te duiken. Veel inwoners van Saint-Martin-Vésubie hebben joden verborgen. Zes van hen zijn door Yad Vashem onderscheiden als ‘Rechtvaardige onder de Volken’, onder wie twee Franse gendarmes en hun vrouwen die joodse kinderen in huis namen.

Het is winter geworden. Op 21 november 1943 ligt de sneeuw hoog in de straten van Borgo San Dalmazzo. De stad is uitgestorven, huisdeuren zijn dicht, vensters bedekt. Aan beide kanten van de straat staan carabinieri opgesteld terwijl 331 gevangenen naar het station worden gedreven. Terug naar Nice moeten ze, want ze ‘zijn’ van Aloïs Brunner, die daar zijn hoofdkwartier heeft en de joden van Saint-Martin-Vésubie op zijn conto wil schrijven.

De Italiaanse autoriteiten werken nu van harte mee: eind september is in het niet bevrijde deel van het land de ‘Italiaanse Sociale Republiek’ uitgeroepen, beter bekend als de ‘Republiek van Salò’. Dit Duitse marionettenbewind overtreft alle voorafgaande Italiaanse regeringen in antisemitisme.

Medium vuijsje3

Wie zich die dag wél buiten waagt, is don Raimondo Viale, de pastoor van Borgo San Dalmazzo. Hij staat voor zijn kerk als de mensen langs komen lopen. Viale is een vooraanstaand lid van het katholieke verzetsnetwerk, hij heeft tal van vluchtelingen een veilig heenkomen bezorgd. Ook deze ochtend weet hij een paar kinderen uit de stoet te halen en ze te verbergen.

‘8 Paarden, 34 man’ leest Stella op de treinwagon. 72 mensen worden erin gepropt. Zij zit tussen Jo en Richard in. Dan vertrekken ze naar Nice. Hoe lang is het geleden dat ze die stad hebben verlaten? Een half jaar nog maar. Het brede zandstrand, de schitteringen op het zeeoppervlak, de zonsondergang vanaf de Promenade des Anglais – Nice is één en al herinnering aan onbezorgde dagen, voor Stella en Richard ook dagen van verliefdheid.

Nu worden ze afgemarcheerd naar de Avenue Durante, waar de Gestapo zijn hoofdkwartier heeft gevestigd in Hotel Excelsior. Vergeleken met de hotels waarin het leven in Saint-Martin-Vésubie zich afspeelde, is dit de overtreffende trap van surrealisme. Gebouwd in overdadige Belle Époque-stijl is Excelsior een ode aan het goede leven van de Côte d’Azur. De lommerrijke Boulevard Victor Hugo is even verderop, flarden van vrolijke kinderstemmen komen aandrijven.

Maar in het trappenhuis van het hotel hangt op iedere verdieping een bord ‘Het is verboden uit het raam te kijken. Overtreders worden doodgeschoten’. Het is geen loos dreigement: de mannen van Brunner voegen de daad bij het woord. Ook vinden er zelfmoorden plaats. Gevangenen worden in Excelsior verhoord, mishandeld en vermoord of op transport gesteld naar de kampen Drancy en Auschwitz. Ook de schilderes Charlotte Salomon en de latere politica Simone Veil worden van hieruit naar Auschwitz gestuurd; Simone Veil overleeft.

Terwijl Jo, Stella en Richard op transport wachten, vinden buiten gruwelijke pogroms plaats. Aloïs Brunner schakelt ‘fysionomisten’ in, gespecialiseerd in het herkennen van joodse gelaatstrekken. Ze rijden rond in zwarte Gestapo-Citroëns, plukken voorbijgangers van de straat en brengen ze naar de synagoge, waar de mannen hun broek moeten laten zakken. Wie besneden is, gaat op transport.

Ook gevangenen uit Hotel Excelsior worden gedwongen aan deze acties deel te nemen. Richard is een van hen. Als arts moet hij vaststellen wie als jood besneden is, en wie om medische redenen. Hij kan velen redden. Ook Stella weet haar verblijf te rekken door zich ‘onmisbaar’ te maken als schoonmaakster en masseuse.

Medium vuisje7

Jo probeert het op een andere manier. Hij spreekt Brunners adjudant aan, de Oostenrijkse Hauptscharführer Ernest Ullmann. Een rijzige, blonde verschijning die, schrijft Stella, iets menselijks uitstraalt. Jo zegt hem dat hij een arische vrouw heeft en vraagt toestemming haar te bezoeken. Ullmann reageert hoffelijk. Jo zal worden vrijgelaten, maar om administratieve redenen kan dat pas als hij op transport gaat. Bij de eerste stop zal hij de trein mogen verlaten. Gelooft Jo hem? Stella vraagt het zich af.

‘En als ze je niet vrijlaten?’ vraagt Richard.

Jo haalt zijn schouders op. ‘Wat heb ik te verliezen?’

‘Probeer hier te werken, je onmisbaar te maken!’

‘Dat wil ik niet, absoluut niet. Laat komen wat komt.’

Stella probeert het ook: ‘Doe toch niet zo koppig! Alles is beter dan Pitchi-poi.’ Pitchi-poi is de mythische aanduiding die de joden in Frankrijk gebruiken voor de onzekere bestemming in het oosten. Maar het lukt Jo niet de kracht op te brengen voor weer een nieuw begin. Hij heeft zichzelf al moeten overwinnen om de vlucht over de bergen te ondernemen. Nu kan hij niet meer.

Stella schrijft: ‘Nog voel ik zijn treurige blik, die me bijna lichamelijk pijn doet: “Mijn lot is bezegeld. Er is niets aan te veranderen.”’ De volgende dag, 30 november 1943, acht dagen na zijn aankomst in Nice, gaat Jo op transport naar het doorgangskamp Drancy nabij Parijs. Stella ziet hem gereed staan voor vertrek, een weemoedige glimlach op de lippen.

Stella en Richard slagen erin deportatie een half jaar lang te ontlopen. In die periode raakt Richard, die zich als arts ook buiten het hotel mag bewegen, steeds dieper betrokken bij het verzet. In maart ’44 wordt hij opgepakt en gefusilleerd. Stella gaat in april op transport naar Drancy en verder naar Auschwitz. Ook daar weet ze zich een positie te verwerven: als masseuse voor de kampleiding. Ze wordt uiteindelijk in Bergen-Belsen bevrijd.

In Drancy heeft Jo een laatste ontmoeting met Agnès, die vanuit Saint-Martin-Vésubie naar Parijs is gegaan. Zij komt met een vertegenwoordiger van de Belgische ambassade, die getuigt dat Jo ‘gemengd gehuwd’ is, een reden voor vrijstelling van transport naar het oosten. Maar de kampcommandant zegt dat Jo niet als jood is gearresteerd, maar als lid van een verzetsgroep. Wel mag Agnès zich bij hem voegen, maar Jo zegt haar weg te gaan en voor Colette te zorgen.

‘Iedereen die overleefde, moest op een gegeven moment de verleiding weerstaan alle hoop te laten varen’

Op 17 december 1943 gaat Jo met transport 63 naar Auschwitz, waar hij drie dagen later aankomt. Daar is hij waarschijnlijk meteen na aankomst om het leven gebracht, 48 jaar oud.

Na de oorlog keert Agnès met Colette terug naar België. Agnès sterft in 1975. Colette woont nog in Brussel, ze heeft twee kinderen en drie kleinkinderen.

The Hill of Windows, zo heet het gedicht dat Ari Roth tijdens de herdenkingsmars in 2013 voordraagt op de Col de Fenestre:

‘Let’s face it: de meeste joden wisten niets van bergen.

We waren hiervoor uitgerust noch toegerust.

De oorlog stond geen coördinatie toe, of plannen.

En dan nieuws over een priester op ski’s.

Over een vertrouwd pad en een stenen grot,

en een boerenvrouw.

Beschut voor de sneeuw,

gevrijwaard van de dood.’

Het is het verhaal van zijn moeder Chaya, zijn tante Gitta en zijn oma, die gered werden door kapelaan Francesco Brondello en door boerin Andreina Blua, die de drie in een grot verborg.

Dorpspastoors Brondello, Raimondo Viale en hun collega’s uit andere berggehuchten wisten een groot aantal boeren te bewegen joden te verbergen in schuren, stallen en grotten. Daarna zorgden ze voor geld, valse papieren, warme kleding en voedsel. De hulp werd gecoördineerd door de curies van Genua en Turijn, die de mensen uiteindelijk ook de grens over hielpen naar bevrijd Italië en Zwitserland.

Via dit netwerk zijn naar schatting driehonderd vluchtelingen uit Saint-Martin-Vésubie gered. Anderen wisten op eigen gelegenheid te ontkomen. Van de kleine duizend mensen die de bergen over kwamen, heeft de helft tot twee derde het er levend afgebracht. Ondanks de doodstraf die Hauptmann Müller op hulp aan joden had gesteld, is niemand verraden.

In Italië is achttien procent van de daar aanwezige joden tijdens de oorlog vermoord, een van de laagste cijfers van Europa. Volgens Mordecai Paldiel, het vroegere hoofd onderzoek van Yad Vashem, was ‘de massieve steun door de overweldigende meerderheid van de katholieke geestelijkheid’ daarbij van doorslaggevende betekenis.

Was Saint-Martin-Vésubie uniek? De oorlog kent meer verhalen over onwaarschijnlijke plekken waar joden een tijdelijke toevlucht vonden. De fabrieken van Oskar Schindler in Krakau en Moravië. De Blindenwerkstatt van de Berlijnse bezemfabrikant Otto Weidt, waar een dertigtal blinde joden ‘kriegswichtige’ werkzaamheden verrichtte. In Nederland de villa’s De Schaffelaar en De Biezen in Barneveld, waar zevenhonderd ‘verdienstelijke’ joden een tijdlang werden vrijgesteld van deportatie en in relatieve luxe leefden.

Maar de joden van Saint-Martin-Vésubie nemen een speciale plaats in. Zij dankten hun pause in the holocaust (zoals een film over de episode is genoemd) niet aan geluk of goede relaties, maar enkel en alleen aan hun eigen koelbloedigheid.

Bij het Memoriale della Deportazione, drie goederenwagons op het spooremplacement van Borgo San Dalmazzo, vertelt historica Adriana Muncinelli wat zij te weten is gekomen over degenen die hier zijn weggevoerd. Zij waren al jaren op de vlucht, de meesten afkomstig uit Oost-Europa. Ze maakten zich geen illusies over wat hun te wachten stond, ze wisten wat virulent antisemitisme betekent.

En dat in voortdurende onzekerheid. Zonder betrouwbaar nieuws en zonder de kennis van nu. Ronddolen in de mist was het, je armen voor je uit en opzij tastend of je niets raakte. Wie was vriend, wie vijand? De Vichy-Franse gendarmes? De Italianen met hun rassenwetten? De katholieken met hun concordaat met Hitler?

Adriana: ‘Deze mensen waren vechters, en met inzicht. Ze hadden zelfvertrouwen opgebouwd, van waaruit ze risico’s durfden te nemen. Ze onderkenden tijdig de gevaren en handelden daarnaar; op hun hoede, maar ook in staat mensen in te schatten en vertrouwen te schenken.’

Vluchten, integreren, vluchten, zich verbergen, steeds opnieuw de confrontatie met het onbekende aangaan. De joden van Saint-Martin-Vésubie logenstraffen het beeld van de passieve jood die zich zonder verzet liet wegvoeren.

Tekenend is de herinnering van Jacques Blum, die er ook bij was in 1943: ‘Ik heb een hekel aan de bergen. Je ziet een berg en als je boven bent, ontdek je dat daarachter weer een hogere top ligt, en nog een.’ Onderweg merkte hij dat mensen het dreigden op te geven: ‘Ik ga niet meer verder, waar is het goed voor?’ Hij begreep het: ‘Iedereen die overleefde, moest op een gegeven moment de verleiding weerstaan in elkaar te zakken en alle hoop te laten varen.’

Sommigen, zoals Stella Silberstein, slaagden erin deze bovenmenselijke inspanning tot het eind toe vol te houden. Joseph bracht het niet op. Niet dat het hem aan moed ontbrak: herhaaldelijk maakte hij zijn lot ondergeschikt aan dat van anderen, van zijn gezin. Jo was niet van moed verstoken – hij was ontmoedigd.

En als ik me het beeld voor ogen haal van Jo die Ernest Ullmann, de adjudant van Brunner, aanspreekt op zijn menselijkheid denk ik nog iets anders. Dat hij, afkomstig uit de door en door fatsoenlijke en humanistische cultuur van joods Amsterdam, simpelweg niet geloven wilde dat pure verdorvenheid bestaat, omdat dan alles ophoudt.


Een aantal gegevens is ontleend aan de ‘Jacob van Cleef Story’ (2013), een niet gepubliceerde familiegeschiedenis door Wout Klein. Publicaties over Saint-Martin-Vésubie verschenen nog niet in het Nederlands. Standaardwerk is Nella notte straniera: Gliebrei di S. Martin Vésubie door Alberto Cavaglion (1981). Een recenter overzicht is Holocaust Odysseys: The Jews of Saint-Martin-Vésubie and Their Flight through France and Italy (2007) door Susan Zuccotti. Nuto Revelli schreef een biografie van don Raimondo Viale: Il prete giusto (1998). Stella Silbersteins Hotel Excelsior: Tagebuch einer Spurensuche verscheen in 2005. André Waksman maakte in 2009 de filmdocumentaire A Pause in the Holocaust/Le temps d’un répit


Beeld: (1) 9 september 1943, vluchtelingen en Italiaanse soldaten op de Col de Cerise (collectie M. Raiberti); (2) Jo, Agnes en Colette in Saint-Martin-Vésubie, juli 1943 (collectie Wout Klein); (3) Talmoed Torah-klasje van rabbijn Joseph Templer (collectie Daniëlle Baudot Laksine); (4) rechts: Franse en joodse jongelui in Saint -Martin- Vésubie, augustus 1943 (Hemis / HH); Saint-
Martin-Vésubie (collectie Daniëlle Baudot Laksine)