S.I. Newhouse 8 november 1927 – 1 oktober 2017

De wat verlegen man die niet graag op de voorgrond trad, bleek als zakenman groots. ‘Si’ nam in 1985 The New Yorker op in de stal van zijn uitgeverij Condé Nast, met veel glossy modebladen. Hoewel het in eerste instantie geen logische combinatie bleek, werd dit tijdschrift zijn grote liefde.

De afgelopen zondag overleden tijdschriftenuitgever S.I. Newhouse, ‘Si’, was nog maar twee jaar eigenaar van The New Yorker of de redactie kwam openlijk in opstand tegen de man die in 1985 nog 168 miljoen dollar voor het roemruchte blad had neergelegd. Het ontslag van de geliefde hoofdredacteur William Shawn ten faveure van Robert Gottlieb – een uitgever, weliswaar van het literaire Alfred A. Knopf, maar toch – was de aanleiding. Meer dan honderdvijftig schrijvers en redacteuren riepen Gottlieb in een open brief op om de baan niet te nemen, The New Yorker dankte zijn eminentie immers niet aan ‘het volgen van orthodoxe paden’, zo schreef men. Zelfs oud-medewerker J.D. Salinger, die zich sinds de jaren zestig niet meer in het publieke debat had gemengd, ondertekende de brief.

Geheel onbegrijpelijk was het wantrouwen op de redactie niet, want Newhouse en The New Yorker leken op het eerste gezicht geen logische combinatie. Si was een gesjeesde student die het bladenvak had geleerd bij Condé Nast, onderdeel van het mediabedrijf van zijn vader, waar hij glossy modebladen als Glamour en Vogue in zijn portefeuille had gehad. The New Yorker moest het hebben van lange, intellectualistische verhalen en een enigszins hautaine houding ten opzichte van de populaire cultuur en de waan van de dag. De grote kanonnen op de redactie, zoals Pauline Kael, Renata Adler en George W.S. Trow, maakten dan ook geen geheim van hun vrees dat het blad de kant op zou gaan van Vanity Fair, met zijn focus op roem, rijkdom en macht.

Gottlieb werd ondanks het tegenkabaal gewoon hoofdredacteur, maar veranderde het tijdschrift in de volgende vijf jaar nauwelijks, terwijl ook de tanende verkoopcijfers maar niet aantrokken. Met het aantrekken van Tina Brown als hoofdredacteur, in 1992, besloot Newhouse het opnieuw over een andere boeg te gooien. De pas 38-jarige Brown, die net nieuw leven had geblazen in het in 1936 opgedoekte Vanity Fair, bracht inderdaad de nodige verandering bij The New Yorker. Ze introduceerde meer fotografie en was niet vies van een gimmick op z’n tijd, zoals toen ze de actrice Roseanne Barr als gasthoofdredacteur inhuurde. Maar Brown drukte vooral haar stempel door nieuw talent bij het blad te halen, zoals Jane Mayer, Malcolm Gladwell en de huidige hoofdredacteur, David Remnick. Oudgediende Renata Adler zag het met zoveel afgrijzen aan dat ze in 1999 Gone: The Last Days of The New Yorker publiceerde, waarin ze schreef dat haar geliefde blad ‘als elk ander’ was geworden, ‘alleen minder duidelijk gedefinieerd’.

Volgens Remnick, die in 1998 de toorts overnam, had Brown juist weer vuur in het tijdschrift gebracht, zei hij in 2009 tegen het tijdschrift New York. Begin jaren 2000 ging The New Yorker weer winst maken. Toen Newhouse dit aan zijn hoofdredacteur vertelde besteedde hij er hoogstens anderhalve minuut aan, herinnert Remnick zich. ‘Niets wees erop dat dit aspect (winstgevendheid) het belangrijkste ter wereld was voor hem’, zei hij tegen The New York Times.

Sterfotografen mochten twintigduizend dollar per dag rekenen

Samuel Irving Newhouse Jr. werd in 1927 geboren in New York. Zijn vader, Sam, bouwde tijdens Si’s kinderjaren een landelijke krantenketen op waartoe onder meer de Long Island Daily Press, The Star-Ledger en de St. Louis Globe-Democrat behoorden. In 1959 voegde hij daar de tijdschriftenketen Condé Nast aan toe, naar verluidt omdat Si’s moeder Mitzi dol was op Vogue. Andere bladen uit de Condé Nast-stal waren Glamour, House & Garden en Young Brides. Na de dood van Sam werd Si, wiens hart bij bladen lag, directeur van Condé Nast, terwijl zijn broer Donald de kranten onder zijn hoede kreeg.

Newhouse was een ietwat verlegen man die niet graag op de voorgrond trad. Als zakenman grossierde hij echter in grootse daden. Voor Vogue haalde hij bijvoorbeeld hoofdredacteur Diana Vreeland weg bij Harper’s Bazaar, terwijl hij ook de beroemde fotograaf Richard Avedon inhuurde. Door de jaren heen breidde Newhouse zijn stal uit met onder meer Self, Allure, GQ, Gourmet en Condé Nast Traveler – en uiteraard Vanity Fair en The New Yorker. In 1978 volgde de acquisitie van Amerika’s grootste boekenuitgever, Random House.

Newhouse stond bekend om zijn vrijgevigheid jegens zijn medewerkers; New Yorker-schrijvers die tien dollar per woord krijgen, sterfotografen die twintigduizend dollar per dag mogen rekenen, redacteuren die zich per towncar door Manhattan van lunchafspraken naar cocktailbars laten rijden.

De generositeit van Newhouse, die volgens Bloomberg een privé-vermogen van 12,7 miljard dollar had, zette wel de winstgevendheid van zijn bedrijf onder druk. Condé Nast publiceert als niet-beursgenoteerd bedrijf zijn winstcijfers niet, maar volgens The Wall Street Journal maakt de uitgever sinds de jaren negentig regelmatig verlies. Verlies lijdende bladen als Mademoiselle en Gourmet werden dan ook opgedoekt, en Random House werd in 1998 verkocht. Alleen The New Yorker, Si’s grote liefde, hoefde nooit voor zijn budget te vrezen.

Eind jaren 2000 begon Newhouse zich terug te trekken uit zijn bedrijf, net op het moment dat Condé Nast onder druk van de wereldwijde recessie en technologische ontwikkelingen nog meer op de centen moest gaan letten. Het weerhield hem er niet van om tot aan het einde van zijn leven, zolang zijn gezondheid het toeliet, zich regelmatig in het bedrijfscafé te vervoegen voor een lunch aan zijn vaste tafel. ‘Si houdt van tijdschriften’, zei Remnick in 2009 tegen New York. ‘Daarmee bedoel ik alles wat daarbij hoort. De diversiteit van wat gepubliceerd wordt, de zakelijke details, de visies en acties en persoonlijkheden van zijn redacteuren, de problemen, het oplossen van problemen, de inkt en het papier – het alles.’