Tove Irma Margit Ditlevsen in Kopenhagen, 1951. De auteur die ‘schrijft alsof iemand direct tegen je spreekt’, is in Denemarken onverminderd populair © Johnny Bonne / Ritzau Scanpix / ANP

Voor ons mag Tove Ditlevsen (1917-1976) een ontdekking zijn – en met ‘ons’ bedoel ik dan maar meteen ook de lezers in Engeland en de Verenigde Staten – in Denemarken was en is ze onverminderd populair. En zoals dat dan gaat met schrijvers en vooral schrijfsters die graag worden gelezen: mag je het wel literatuur noemen wat uit hun handen komt?

Dat is natuurlijk het cliché dat lang heerste, zowel over hoe vrouwen schreven als over hoe hun schrijfsterschap werd ontvangen. Nogal wat vrouwen in niet-eens-heel-veel-vroeger-tijden schreven op de rand van de keukentafel, en schipperden tussen buiten- en binnenwereld, vol zelfspot en/of innerlijke strijd. Ze schreven damesromans, oordeelden de (heren-)critici, ofwel romans die te zeer het dagelijks leven vingen op een oninteressant realistische manier, of juist te sentimenteel of lyrisch getoonzet waren.

In de Deense literaire canon wordt slechts één vrouwelijke schrijver erkend, vertelt Lammie Post-Oostenbrink mij, de Nederlandse vertaalster van Ditlevsen, en dat is Karen Blixen.

Grappig genoeg werd dus ook Karen Blixen (1885-1962) eerst afgeserveerd als damesschrijfster, schrijft Annelies van Hees, oud-hoofddocente Scandinavische letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam, in haar proefschrift over Blixen. Quasi-mystiek en aanstellerig zou het zijn. Grappig genoeg ja, omdat het maar weer laat zien hoe tijdgebonden en angstig literaire oordelen kunnen zijn, ingegeven door groepsdwang en onvermogen iets nieuws of anders als waardevol te erkennen.

Blixen heeft ze omarmd, maar ten opzichte van Ditlevsen had Van Hees iets ambivalents. Ik bezocht haar in haar fijne appartement aan een Amsterdamse gracht. Van Hees kende het werk natuurlijk altijd al, daar niet van. Eén voor één komen de eerste drukken op de tafel tussen ons in te liggen. Haar poëzie, haar debuutroman Man gjorde et barn fortraed… ‘“Men heeft een kind kwaad gedaan” betekent dat’, zegt Van Hees. ‘Ik zou het vertalen als “Een kind is beschadigd”.’ Toen ze in 2000 samen met Gerard Rasch een anthologie samenstelde van Deense poëzie in de twintigste eeuw vond ‘een heel feministische collega’ dat ze Tove Ditlevsen niet over het hoofd kon zien. ‘Die gedichtjes waren ontzettend populair’, aldus Van Hees. ‘Maar als je ze vertáálde, zoveel jaar later, was het een en al sentimentaliteit. Er bleef gewoon niks van over.’

Al bladerend in Pigesind (wat zoveel betekent als ‘meisjesgemoed’), Ditlevsens poëziedebuut uit 1939, vertaalt ze een van de gedichten ter plekke: ‘Je handen je handen/ ach waar ken ik ze van/ die liefkozingen zo onwerkelijk teder…’

Juist bij deze Van Hees won het Letterenfonds advies in toen werd overwogen om de driedelige memoires van Ditlevsen, bekend als ‘de Kopenhagen-trilogie’, in het Nederlands uit te brengen. Het fonds heeft een speciaal programma, Schwob genaamd, dat tot doel heeft vergeten klassiekers onder de aandacht te brengen, onder meer door de vertaling te subsidiëren. In Engeland had Penguin ze recent uitgegeven; Das Mag-redacteur Isabel Harlaar had die verslonden. ‘Ik las de eerste zinnen van Childhood en had het gevoel dat iemand direct aan mij schreef’, mailt ze me. ‘Met ieder deel werd mijn verliefdheid heviger.’

Ook Annelies van Hees was bij herlezing verbaasd. Ze dacht dat het verouderd zou zijn: ‘Dat dacht ik echt. Maar toen begon ik te lezen en zag ik hoe goed het was. Ze heeft een waanzinnig mooie stijl. Ik herinnerde me dat we van haar hielden en nu begrijp ik het: het was gewoon goed.’

Ditlevsens zinnen branden op de bladzijden, de toon simpel én hoogdravend, even scherp als zoet

Het eerste deel van de trilogie, Kindertijd (Barndom, 1967) is doorspekt met van die kinderlijke dichtregels. De zesjarige Tove ontdekt dat ze dichter is en geeft her en der de eerste proeven van haar kunnen. ‘Ooit zal ik alle woorden opschrijven die door me heen stromen’, schrijft ze. ‘Ooit zullen andere mensen ze in een boek lezen en zich erover verbazen dat een meisje toch dichter kan worden.’

Opgroeiend in een piepklein huisje in een arbeiderswijk, met een veelal werkloze vader en een drammerige moeder, droomt ze tegen de klippen op van een schrijversleven. ‘Ik wil de woorden zo graag opschrijven, maar waar kan ik zulke papieren in vredesnaam verstoppen?’ Als haar moeder haar inschrijft bij school, omdat ze al kan lezen en schrijven (‘Ik ben raar omdat ik net als mijn vader boeken lees en omdat ik geen verstand heb van spelen’), trekt de moeder acuut haar trots in als de directrice van de school hekserig opmerkt dat dat jammer is. Zij hebben immers zo hun eigen methodes om kinderen te leren lezen en schrijven. ‘Ze heeft het zichzelf geleerd’, verontschuldigt de moeder zich. ‘Het is niet onze schuld.’

Ditlevsens zinnen branden op de bladzijden, ook in vertaling. Het is inderdaad alsof iemand direct tegen je spreekt, op een toon die wonderlijk genoeg zowel simpel als hoogdravend is, even scherp is als zoet. Mij bekroop de sensatie alsof ik het dagboek van Anne Frank las, de volkomen authentieke noodkreten van een benarde levendige kindergeest die snakt naar een groots en vrij bestaan en weet dat ze daarvoor bestemd is. Ditlevsen is echter óók een volwassen schrijfster die haar memoires schrijft en haar dichtersgeest kan laten vieren. Neem het begin van Kindertijd: ‘’s Ochtends was er hoop. Die zat als een vluchtige lichtglimp op mijn moeders zwarte, gladde haar (…).’ Of de openingszin van het tweede hoofdstuk: ‘Op de bodem van mijn kindertijd staat mijn vader te lachen.’

De poëtische eigenaardigheid van haar schrijfstijl doet haar uitstijgen boven het volkse sociaal-realisme van de jaren twintig en dertig, maar toch blijft die sfeer van kamertjeszonden aanwezig. Ditlevsen neemt je mee terug haar jeugd in, en doet tegelijkertijd een stapje opzij. Haar zesjarige ik ziet haar moeder ineenkrimpen tegenover de directrice: ‘Ik kijk naar haar en besef in één keer verscheidene dingen: ze is kleiner dan andere mevrouwen, jonger dan andere moeders en buiten onze straat bestaat een wereld waar ze bang voor is. En als zij en ik er samen bang voor zijn, valt ze me af. Terwijl we voor de heks staan, besef ik ook dat mijn moeders handen naar afwasmiddel ruiken. Ik verafschuw de lucht en als we in doodse stilte de school weer verlaten, loopt mijn hart over van de mengelmoes van woede, verdriet en medelijden, die mijn moeder vanaf dat moment altijd bij mij zal oproepen, de rest van mijn leven.’

Tove Ditlevsen in Kopenhagen, 1967 © Knud Jacobsen / Ritzau Scanpix / ANP

De jonge Tove probeert op alle mogelijke manieren te ontsnappen aan haar arbeidersmeisjeslot. Allereerst is daar haar fundamentele besef ‘niet normaal’ te zijn, en er een dagtaak aan te hebben om wel zo normaal mogelijk over te komen. Als ze eindexamen doet van de middelbare school en haar klasgenoten juichen, juicht zij het allerhardst. ‘Het zit me erg dwars dat zo langzamerhand is gebleken dat ik geen echte gevoelens heb, maar altijd moet doen alsof dat wel zo is door de reacties van anderen na te apen.’

En dan is er die drang zich op papier uit te drukken, die in het tweede deel Jeugd (Ungdom, 1967) haar doet ingaan op de avances van de hoofdredacteur van het literaire tijdschrift waarin ‘iedereen’ debuteert. ‘Ik houd verborgen dat ik lippenstift en rouge gebruik en dat ik het leuk vind voor de spiegel te staan en mijn nek dan haast uit de kom draai om mijn profiel te kunnen zien. Ik houd alles verborgen wat hij als reden kan zien om niet me met te trouwen.’

Let wel, deze Viggo F. is drie keer zo oud als zij, niet om aan te zien en een monkelende alcoholist bovendien. Op de achtergrond rukt het nazisme in Europa op. De hospita van Tove kan niet tegen het geratel van haar typemachine, maar laat wel permanent en voluit een schreeuwende Hitler via haar radio het hele huis vergiftigen. Geestig is dan wel weer dat de aspirant-dichteres vooral bezorgd is dat het uitbreken van een wereldoorlog weleens ongelukkig zou kunnen interveniëren met het uitkomen van haar poëziebundel.

Hoe direct en goor aanlokkelijk de aantrekkingskracht van de roes tot leven wordt gewekt in 'Afhankelijkheid'

Jeugd eindigt met het arriveren per post van een groot pakket. ‘Mijn boek! Ik pak het op en voel een plechtig soort geluk dat op niets lijkt wat ik ooit eerder heb gevoeld. Tove Ditlevsen. Pigesind. (…) Het boek zal er altijd zijn, hoe mijn lot zich ook verder zal ontwikkelen. (…) er is niemand die echt begrijpt wat voor wonder dit voor me is.’ Ik hoef dit niet te zeggen, maar zoals zij die ernstige verrukking verwoordt is gek aangrijpend.

Deze eerste twee delen verschenen allebei in 1967, het derde deel liet vier jaar op zich wachten. Gift heet het oorspronkelijk, een simpel en onschuldig woord voor ons, maar in het geraffineerdere Deens kan het twee dingen tegelijkertijd betekenen: ‘gif’ en ‘getrouwd’. Ik weet dat ik naar de bekende weg vraag als ik de vertaalster vraag waarom de titel Afhankelijkheid werd. Want wat moet je anders? Iets dergelijks antwoordt ze me ook. De Engelse vertaler was haar al voorgegaan met Dependency. Het klopt ook; niet eerder werd denk ik beschreven hoezeer de afhankelijkheid van een echtgenoot en de afhankelijkheid van een drug in elkaars verlengde kunnen liggen. Dus ja, goeie titel voor het slotstuk van een memoir dat alleen rillend genoten kan worden. Ik denk dat ik ook niet eerder zo direct – daar hebben we de kwalificatie weer – en zo goor aanlokkelijk de aantrekkingskracht van de roes tot leven gewekt zag, of het zou in het nummer Heroin van Lou Reed moeten zijn.

Het is niet sensationeel, maar wel bizar en tegelijkertijd volkomen logisch, hoe een schrijfster haar verstand probeert te bewaren en tegelijkertijd verlost wil zijn van die verschrikkelijke plicht tot creëren. De echtgenoten komen en gaan, de een lijkt beter dan de ander, er zijn kinderen om voor te zorgen en tegelijkertijd om nooit meer onder ogen durven te komen. Het verlangen een ‘normaal’ gezin te zijn is even menselijk als onhaalbaar, wat je de ene dag nog in iemand zag kan de volgende dag gewoon helemaal weg zijn, en mannen überhaupt, ach ja. Waarop je ondertussen wel kunt vertrouwen is een chemisch goedje dat in je aderen gespoten wordt, zij het dat dat dus wordt gedaan door je eigen echtgenoot.

Zowel vertaalster Post als specialiste Van Hees laat niet na te benadrukken welke populariteit Ditlevsen al bij leven bereikte, en dat ze nog steeds op middelbare scholen een van de meest gelezen schrijfsters is. Haar debuutroman werd verfilmd, met de jonge Sofie Gråbøl (die wij kennen als rechercheur Sarah Lund) in de hoofdrol. In 2010 werd nog een musical gemaakt van haar leven en werk, de liedjes werden apart uitgegeven. Haar autobiografische roman Ansigterne (1968), over een schrijfster die wordt opgenomen in een inrichting, zal in de vertaling van Post nog dit jaar verschijnen bij Das Mag onder de titel De gezichten. De grimmigheid van haar levensverhaal, en haar zelfverkozen levenseinde (ja, ook dat nog) contrasteren op een idiote manier met de publieke functie die ze in de jaren zestig in Denemarken kreeg. Ze was regelmatig op de radio te horen, maar wat vooral belangrijk was dat ze een soort ‘lieve Lita’- rubriek had in het weekblad Familie Journalen. Edith schrijft dat ze getrouwd is met de ene man, maar verliefd is op de andere. Marianne ontdekt als tiener dat ze niets om jongens geeft. Lieve Tove, wat moet ik?

‘Iedereen was dol op haar, als een soort lieve tante’, zegt Annelies van Hees. Vertaalster Lammie Post stuurt me een link door naar een recente Deense documentaireserie, geheel opgebouwd naar de thema’s die Ditlevsen in haar probleemrubriek behandelde: moederschap, vrouwelijkheid, echtscheiding, misbruik… Frustrerend, want niet ondertiteld. Zo te zien een uniek tijdsdocument, verlevendigd met sprekende beelden van Ditlevsen die immer een opwekkend type vrouw lijkt te vertegenwoordigen. Een vrouw die alles van het leven heeft gezien, en daar zo – al rokend, drinkend – haar eigen gedachten over heeft ontwikkeld.

Waarom dan toch dat einde? En welk einde? Annelies van Hees legt met een licht plechtig gebaar Ditlevsens laatste roman op tafel, Vilhelms vaerelse (1975), te vertalen als Wilhelms kamer. ‘Dat was een kwaadaardige roman’, zegt ze. Ze heeft een krantenknipsel bewaard in haar exemplaar, vouwt het uit. Dikke letters, ze vertaalt ze voor me. ‘Het domme zwijn’. Het is een afrekening met haar laatste, vierde, echtgenoot, die hoofdredacteur was van de Deense Bildzeitung en met wie ze 21 jaar getrouwd was. Door de manier waarop Van Hees erover vertelt – ‘Wij lazen het met veel plezier, het hoorde bij een soort nieuwsgierigheid’ – moet ik denken aan Niets te verliezen en toch bang van Renate Rubinstein. Ook omdat het een boek van verlating is: hij verliet haar en hun zoon.

Erg luguber vond Van Hees achteraf dat Ditlevsen in deze roman haar eigen zelfmoord beschreef. Ze liet zich per taxi vervoeren naar het bos, spreidde een dekentje uit, en slikte een overmatige hoeveelheid pillen.

‘O nee’, zegt vertaalster Post-Oostenbrink. ‘Zo probeerde ze het, maar ze was een stadsmeisje dat bang was voor het bos. En dus lag ze daar aan de rand en werd ze opgemerkt door een voorbijganger.’

Zo ging het dus niet. Maar wel op een andere manier, ook met pillen maar in het huis van een vriendin die een tijdje weg was. Ze werd pas na een paar dagen gevonden. En dat zet de trilogie in een schril licht.

Ik sloeg het laatste deel dicht zoals vast iedereen het dichtslaat. In haar slotregels rept ze van een verlangen dat nooit helemaal sterft, ‘zo lang als ik leef’. Van de New York Review of Books (‘Awful but Joyful’) tot The Guardian (‘A Tortured Life turned into Art’) – iedereen probeert z’n woorden te vinden, uit te leggen wat het is, hoe iets licht en duister tegelijk kan zijn. Een wonder, op z’n minst, om zoveel jaar na dato nog haar stem te horen.