Amerika kiest De politieke verhoudingen

‘s Werelds grootste zwarte gat

De Amerikaanse Senaat laat zien dat het politieke systeem corrupt is. Het algemeen belang speelt zelden de hoofdrol. Wat de Founding Fathers voor ogen hadden, blijkt inmiddels een illusie.

EIND SEPTEMBER gebeurde het weer. De Amerikaanse Senaat zou moeten stemmen over de begroting van defensie waarin de Democraten een amendement hadden gestopt om een einde te maken aan het ‘Don’t ask, don’t tell’-beleid van het Pentagon, dat homo’s en lesbiennes alleen toestond in de krijgsmacht te blijven als ze hun mond hielden over hun seksuele geaardheid. Een meerderheid van de honderd senatoren was er voor. De tijd leek rijp voor een wijziging.
Toch niet. Over begroting en amendement werd nooit gestemd. De wetgevende procedure werd gedwarsboomd door veertig Republikeinen en twee Democraten. Zij gebruikten de inmiddels wereldberoemde obstructietechniek van de 'filibuster’. Die komt erop neer dat een motie om het debat stop te zetten en te stemmen, een zogenoemde motie voor 'cloture’, de steun nodig heeft van minstens zestig senatoren (zie kader). Niet dat er veel gedebatteerd werd, maar de weigering om de motie aan te nemen was het einde van president Obama’s verlichte homobeleid. Precies wat de Republikeinse oppositie wenste.
Een paar weken tevoren had de Senaat een belangrijke energiewet op de lange baan geschoven. Afgelopen voorjaar sneuvelde Obama’s health care-wet nog bijna omdat hij was opgetuigd met tientallen amendementen, de meeste enkel voorgesteld om het proces te frustreren. Zo ging het ook met de minder omstreden geachte regulering van de financiële wereld. Tientallen benoemingen waarmee de Senaat moet instemmen, onderministers, ambassadeurs en rechters, staan in de ijskast omdat één van de honderd senatoren ze in een 'hold’ heeft geplaatst.
Ooit gold het als 'the world’s greatest deliberative body’ maar anno 2010 lijkt de Amerikaanse Senaat eerder op ’s werelds grootste zwarte gat, waarin voorgestelde wetgeving spoorloos verdwijnt. Nu was die reputatie als centrum van verlicht debat altijd al overdreven, maar de manier waarop de Senaat tegenwoordig disfunctioneert is wel erg schrijnend geworden. Een als blok optredende minderheid blokkeert het wetgevende en benoemingsproces en frustreert zo de regering. Wat is er gebeurd met de befaamde instelling waar ooit zwaargewichten als Henry Clay, Lyndon Johnson, George McGovern, Robert Dole en niet te vergeten de meest succesvolle Kennedy-broer, senator Ted Kennedy, historische debatten voerden en baanbrekende wetgeving tot stand brachten?

ALLES IS HISTORISCH aan de Senaat, ook haar problemen. Dat begint al bij de keuze in 1787 voor een Congres met twee kamers. Het Huis van Afgevaardigden, direct gekozen en ook nog eens iedere twee jaar ververst, was in de nieuwe Amerikaanse grondwet het belangrijkste politieke orgaan. De Senaat was het resultaat van een compromis, afgedwongen door de kleinste staten die bang waren in het Huis altijd het onderspit te delven. Ter compensatie kreeg iedere staat twee vertegenwoordigers in de Senaat.
Deze constructie paste mooi bij de scepsis van de Founding Fathers over een republikeinse regering van het volk. De Senaat kon voorgestelde wetgeving van de heethoofden uit het Huis tegenhouden of aanpassen. Daarom kregen senatoren een termijn van zes jaar, zodat ze minder gevoelig waren voor de politieke wind van de dag. Daarom ook werden ze indirect gekozen, door het congres van de staten (pas sinds 1913 worden senatoren direct gekozen).
In 1787 leek dit nog een redelijk compromis, nu heeft het absurde gevolgen. Het betekent dat een staat van 37 miljoen inwoners, zoals Californië, evenveel senatoren heeft als Montana, North Dakota of Alaska, staten met minder dan één miljoen inwoners (zeven staten tellen zo weinig inwoners dat ze slechts één afgevaardigde hebben). Dunbevolkte landbouwstaten met een atypische bevolking hebben zo onevenredig veel invloed. Ze kunnen hun stem duur verkopen, waardoor er relatief veel overheidsgeld verdwijnt naar deze staten, die in retoriek meestal anti-overheid zijn (Sarah Palins Alaska is het beste voorbeeld).

DE AMERIKAANSE politieke verhoudingen zijn in de afgelopen vijftig jaar behoorlijk opgeschud. Amerikanen verhuisden massaal naar groeistaten in het zuiden en het westen. De racistische conservatieve Democraten in het zuiden verloren de strijd om de burgerrechten en verlieten de partij. Het zuiden is nog steeds conservatief maar dat betekent nu solide Republikeins en, steeds meer, evangelisch christelijk. De staten in het noordoosten en middenwesten verloren juist inwoners en economische macht. Net als in de westelijke kuststaten domineren daar nu de Democraten. Alleen in Maine en Vermont lopen nog gematigde Republikeinen rond, de rest is onversneden conservatief.
Vroeger waren partijen gevarieerd en gelaagd. Meestal was een zuidelijke Democraat een stuk conservatiever dan een noordelijke Republikein. Je vond conservatieven en progressieven in beide partijen. Nu zijn partijen ideologisch compacter geworden: Democraten gematigd links, Republikeinen rechts. Liberale Republikeinen zijn een bedreigde soort, zeker nu de Tea Party-activisten de partij verder naar rechts trekken.
Ongeveer tegelijkertijd raakte de sfeer in de Amerikaanse politiek behoorlijk verziekt. Cruciaal was Watergate. Door de oorlog in Vietnam en Cambodja, de afluisterpraktijken, het misbruik van de CIA en uiteindelijk het gedwongen aftreden van Nixon veranderde de sfeer in Washington. Misschien was de verscherping van maatschappelijke tegenstellingen onvermijdelijk na de roerige jaren zestig, maar Nixons val bracht ze in een stroomversnelling. De culture wars en belastingopstanden van de jaren zeventig verdiepten ze, net als de omstreden hearings over conservatieve rechters van het Supreme Court, waarbij de Democraten de obstructierol speelden.
Toen in 1964 de burgerrechtenwet werd opgesteld gebeurde dat in het kantoor van de Republikeinse minderheidsleider, in nauwe samenwerking met de Democratische president Johnson. De zuidelijke racisten in de Democratische Partij werden afgetroefd door een coalitie van progressieve Democraten en weldenkende Republikeinen. Dat zal niet gauw meer gebeuren. Ideologisch compacte partijen hoeven minder vaak compromissen te sluiten met de andere partij. Waarom zou je samenwerken?
De afgelopen twee jaar hadden de Democraten bovendien last van hun onverwacht grote overwinning in 2008. Dat oogde leuk maar ze versloegen voornamelijk gematigde Republikeinen in gematigde staten. De Republikeinen die overbleven waren onversneden conservatief of bang om uit de pas te lopen. Vandaar de opmerkelijke partijdiscipline van de veertig Republikeinen: iedere dissident breekt de gelederen en dat maakt het in de praktijk erg moeilijk om je partij af te vallen. Bovendien bleken president Obama en de Democratische leiders nogal klungelig bij hun pogingen om mogelijke dissidenten, zoals Olympia Snowe van Maine, aan hun kant te krijgen. Zo werd Snowe niet betrokken bij de laatste onderhandelingen over de gezondheidszorgwet, terwijl haar stem onmisbaar was.
Even leek het erop dat de Republikeinen op 2 november zo dik zouden winnen dat een meerderheid mogelijk was. Dankzij de Tea Party kan dat wel eens tegenvallen. De Republikeinse voorverkiezingen hebben de partij niet geholpen. Daar komen alleen de partijgetrouwen hun stem uitbrengen waardoor er vaak kandidaten opduiken die ideologisch puur of politiek onbevlekt zijn, maar onverkiesbaar voor het brede publiek. Vroeger hadden de Democraten daar last van, nu is het een Republikeins fenomeen. Dit jaar overleefden de zittende Republikeinse senatoren van Alaska en Utah de voorverkiezingen niet omdat Sarah Palin ze in de ban deed. In Kentucky verloor de favoriet van de Republikeinse obstructieleider Mitch McConnoll de voorverkiezing van Rand Paul, een extreme anti-overheidslibertijn. In andere staten verloor een ervaren politicus van een nieuwkomer. Het motto van de Tea Party is liever een onervaren ideologische correcte nitwit dan een RINO, een Republican In Name Only.
Een andere reden voor de verslechterde verhoudingen is dat steeds meer afgevaardigden de overstap maken naar de Senaat. Afgevaardigden zijn vaker politieke hooligans. Ze werken dikwijls in de stijl van Newt Gingrich, de ideologische bommengooier bij uitstek: ook in de Amerikaanse politiek is de hufterigheid sterk toegenomen.
Dat is lastig in een orgaan waar unanimous consent een heilige formule is. Het wil zoveel zeggen dat als niemand bezwaar maakt een procedure is afgewerkt en de wet, benoeming of motie is aangenomen. Op zich mooi om zaken te versnellen, dan hoef je niet overal over te stemmen. Maar het omgekeerde werkt ook: één senator kan alles dwarsbomen. De Senaat is een orgaan dat zichzelf reguleert en daarmee heeft ze zichzelf de gevangene gemaakt van de redelijkheid van haar leden.
Veel van de regels dateren uit een andere tijd. Wat toen redelijk was vanwege moeizaam reizen en de onbereikbaarheid van de hoofdstad is nu de vluchtheuvel van een obstructionist. Daar zit het probleem. Als unanimous consent de basis is van welke actie dan ook, dan is dat een recept voor niets doen. De filibuster, de bekendste regel, is een ongelukje met tweehonderd jaar geschiedenis. In 1806 schafte de Senaat een obscure voorziening af die regelde dat de 'previous question’ in stemming gebracht kon worden. Dat was onverstandig, want nu kon je eindeloos doorgaan met debat. Zo rond 1830, een tijd van grote politieke tegenstellingen, begonnen senatoren daar gebruik van te maken. Ze namen het woord en bleven praten tot ze er, soms letterlijk, bij neervielen.
In 1917 blokkeerde de Senaat de financiering van de Amerikaanse oorlogsinspanningen. President Woodrow Wilson was er zo kwaad over dat hij de Senaat dwong een regel aan te nemen waarmee een tweederde meerderheid het debat kon beëindigen door te stemmen over 'cloture’. De regel werd weinig gebruikt omdat de filibuster niet veel voorkwam. Maar in de jaren dertig werd dit wapen van stal gehaald door onder anderen Huey Long, de populist uit Louisiana die recepten voorlas om stemmingen te verhinderen. Het bekendst is de driedaagse marathon die de racistische Democraat uit South Carolina, Strom Thurmond, in 1947 hield om de Amerikaanse segregatie in stand te houden. Geheel volgens het patroon werd Thurmond in 1964 een conservatieve Republikeinse senator van South Carolina.
Al met al waren er tussen 1919 en 1971 maar 49 cloture-stemmingen, minder dan één per jaar. In de jaren zeventig en tachtig liep dat op tot gemiddeld twaalf per jaar. Irritatie daarover verleidde de Senaat ertoe om in 1975 de drempel te verlagen tot zestig stemmen. In de jaren negentig en het begin van de eeuw zagen we zo'n 25 à dertig filibusters per jaar. Maar nadat de Republikeinen in 2006 hun meerderheid waren verloren werd het bijna dagelijks werk: er waren meer dan 110 cloture-stemmingen in 2007 en 2008, dit jaar zijn het er meer. Wetsvoorstellen die het Huis al heeft aangenomen sterven zo in de Senaat.
Een andere, vrijwel niet te verdedigen regel is de 'hold’ die een senator anoniem kan leggen op nominaties voor benoemingen - ze worden simpelweg in de ijskast gezet totdat er unanimiteit is (tot de holder zijn verzet opgeeft). Ooit was het een geste naar senatoren die dagen nodig hadden om in Washington te komen om een wetsvoorstel te lezen of een benoeming te beoordelen, tegenwoordig is het een regel die senatoren toestaat het proces te frustreren zonder daarvan de schuld te krijgen. Het is een chantagemiddel. Zo sprak de Republikein Richard Shelby een 'blanket hold’ uit over alle nog openstaande nominaties van president Obama waarvoor senaatsinstemming nodig was (meer dan honderd, op zich al een teken van disfunctionaliteit) om zich te verzekeren van lucratieve defensiecontracten voor zijn staat Alabama. Uiteindelijk werd hij uitgerookt en moest hij inbinden. Democraten weten er ook mee om te gaan en traineerden veel benoemingen van George Bush, maar het zijn toch echt de Republikeinen die de praktijk extreme vormen geven.
Al jaren proberen enkele senatoren de geheime holds te veranderen, zonder succes. In 2007 kregen ze er een regel door dat een secret hold niet langer mocht duren dan zes dagen. Obstructionisten hadden hun antwoord al klaar: rolling holds, holds die senatoren heen en weer schuiven naar elkaar. Uiteindelijk is het simpelweg zo dat als mensen niet willen meewerken of samenwerken je altijd wel regels kunt vinden die je doel dienen. Het gaat dan ook veel meer om de algehele sfeer.
Daarop hebben ook de nieuwe media invloed, van het 24 uur per dag uitzendende C-SPAN tot de tweets en blogs. Het loont om dwars te liggen, om voor de bühne te spelen.

DE ECHTE ZAKEN worden in de commissies gedaan. De voorzitters hebben grote macht op hun terrein, maar je krijgt zo'n post niet op basis van je kennis of ervaring maar op basis van senioriteit. Dat betekende bijvoorbeeld dat in de jaren negentig de fossiele Republikeinse senator Jesse Helms voorzitter was van de commissie van Buitenlandse Zaken terwijl de best gekwalificeerde man, Dick Lugar van Indiana, werkeloos moest toezien. Lugar was een expert in wapenonderhandelingen, Helms wist enkel dat hij geen enkel Amerikaans wapen wilde opgeven - hij weigerde ook contributie aan de Verenigde Naties te betalen. Jonge ambitieuze senatoren hebben geen zin in dit lange wachten, maar het zal duidelijk zijn dat zittende senatoren geen belang hebben bij verandering.
Iedere senator zit in drie of vier commissies en een groter aantal subcommissies. Het is onvermijdelijk dat wanneer die ’s ochtends bijeenkomen senatoren moeten kiezen. Vandaar dat bij hearings vaak lege stoelen te zien zijn, of vragen worden herhaald. Er wordt zelden een behoorlijke ondervraging opgebouwd. Daarnaast moet de staf gerund worden, er zijn interviews, lobbyisten en kiezers uit de thuisstaat komen op bezoek, er moet geld ingezameld worden voor de volgende verkiezingen en, o ja, er moet af en toe gestemd worden. Dat alles beperkt tot drie dagen per week. Tegenwoordig geldt de regel van een vierdaags weekend, niet omdat de senatoren dan kunnen nadenken over het landsbelang, maar om in hun thuisstaat aan de weg te timmeren. Dat is niet alleen nodig om geld in te zamelen maar vooral ook om te voorkomen dat de beschuldiging beklijft dat ze deel geworden zijn van Washington.
Vroeger namen politici hun gezin mee, nu is Washington een kampeerplaats waar zich nauwelijks sociaal leven afspeelt tussen de politici onderling. Ze hebben geen tijd om andere senatoren te leren kennen en al helemaal niet leden van de andere partij. Waar in het verleden vriendschappen bestonden en wederzijds respect, zoals tussen de liberal Ted Kennedy en de mormoon Orrin Hatch, wat leidde tot gezamenlijke wetsvoorstellen, mijden senatoren elkaar nu. Ze zullen zeker niet whisky drinken en pokeren in een hide-away office zoals vice-president Harry Truman deed met zijn oude senaatsmakkers toen hij in 1945 bericht kreeg dat Franklin Roosevelt was overleden.
De eetzaal in de Senaat is tegenwoordig vooral erg leeg. De politici eten liever in de eetkamer van hun partij, of downtown met donors of lobbyisten. Partijbijeenkomsten hebben het nare effect dat ze snel pep-rallies worden en tegenstellingen vergroten. Senatoren die nu lunchbijeenkomsten voor beide partijen organiseren doen daar besmuikt over. Het bijwonen ervan wordt door scherpslijpers gezien als verraad. En het is makkelijker grof te zijn en obstructie te plegen als je verder geen contact hebt.

DE IDEOLOGISERING van de politiek ondermijnt het systeem van checks and balances. Zo weigerde de kleine Republikeinse meerderheid ten tijde van de regering-Bush om de uitvoerende macht ter verantwoording te roepen. De Senaat stond erbij en keek ernaar.
Een zwakke instelling is sneller het slachtoffer van druk van buiten, stellen congresanalisten. Norman Ornstein, een van de meest gerespecteerde onder hen, stelt ronduit dat de Senaat vol zit met 'ideologen en charlatans’, goede nieuwkomers worden al snel vermalen. Het verklaart waarom Barack Obama niet nog eens vier jaar wilde wachten en waarom Hillary Clinton liever echte macht had als minister van Buitenlandse Zaken.
Zelfs veteranen worden het slachtoffer van de polarisatie. Senator John McCain, de ex-presidentskandidaat die ooit gold als een authentieke maverick met eigen ideeën, moest dit voorjaar de Tea Party naar de mond praten om zelfs maar genomineerd te worden. Sarah Palin, McCains oliedomme keuze voor het vice-presidentschap, moest hem te hulp schieten. Geen vernedering was McCain te erg. Je vraagt je af waarom hij überhaupt senator wilde blijven.
McCains vriend, de Republikeinse senator Lindsay Graham van South Carolina, een van de weinigen die probeert bruggen te slaan, was deze zomer gedwongen een standpunt over immigratie in te nemen dat lijnrecht inging tegen alles wat hij jaren had verkondigd. Een klimaatwetsontwerp dat hij had opgesteld samen met de conservatieve Democraat Joe Lieberman en de progressieve John Kerry ging onderuit omdat de Republikeinse achterban het niet lustte. Charles Grassley, Republikeins senator van Iowa, werkte bijna een jaar lang samen met zijn Democratische collega Max Baucus van Montana aan de wet op de gezondheidszorg. Binnen de kortste keren had de ervaren Grassley een conservatieve radicale uitdager in Iowa en smolt zijn steun als sneeuw voor de zon. Hij nam de retoriek van de radio-opjuiners over en begon te waarschuwen tegen 'pulling the plug on Grandma’, een campagne die de verzekeraars hadden gestart.
Het lobbyen is een enorme industrie geworden en veroorzaakt een geweldige vervuiling. Bij de regulering van de financiële industrie, eerder dit jaar, een in principe niet omstreden onderwerp, bleken top-Republikeinen opeens namens Wall Street te spreken. Enige tientallen miljoenen aan lobbygeld zullen daar niet vreemd aan geweest zijn. Bij de gezondheidszorgwet investeerden verzekeraars honderden miljoenen dollars. Tijdens de regering-Bush hadden de energie- en oliebedrijven vrij spel in Washington.
In 2009, een topjaar voor lobbyisten, had deze bedrijfstak een omzet van 3,5 miljard dollar, 1,3 miljoen voor ieder uur dat het Congres in sessie was volgens het Center for Responsive Politics. Er zijn ongeveer elfduizend officiële lobbyisten, een ondertelling omdat alleen mensen die minstens twintig procent van hun tijd aan lobbyen besteden zich hoeven te registreren. Daarbij is, net als bij ons, het begrip lobbyen nogal elastisch. Aanvankelijk wilde president Obama geen mensen in zijn regering die in de voorgaande twee jaar als lobbyist hadden gewerkt. Hij kwam er snel van terug. Meer dan vijftig leden van zijn regering, inclusief drie ministers, hadden zo de kost verdiend.
De kosten van het sponsoren van politici en van het lobbywerk staan in geen verhouding tot de miljarden dollars die andere wetgeving kan opleveren. Wall Street deed gewoon een goede investering. De verzekeringsbedrijven idem dito. Er is geen ander woord voor: het systeem is totaal corrupt. Niet in de klassieke zin maar in de zin dat het algemeen belang zelden de hoofdrol speelt. De Senaat staat daarin niet alleen maar vanwege hun geringe aantal en hun obstructiemacht is het probleem hier extra groot.

DE REPUBLIKEINEN rechtvaardigen hun obstructie door te stellen dat de Senaat ongeveer zoveel doet als het Amerikaanse volk wenselijk acht. Ambitieuze presidenten moeten niet te hard lopen. In deze visie voorkomt de Senaat dat de ongebreidelde volkswil al te snel gerealiseerd wordt - precies wat de Founding Fathers wilden. Het is een ad-hocargument dat minder zwaar telt zodra er een Republikeinse president zit of zij zelf de meerderheid hebben. Anderzijds kunnen de Democraten ook moeilijk klagen met de kilo’s boter op hún hoofd. Hervormingslust is omgekeerd evenredig aan de tijd die politici in de Senaat hebben doorgebracht: wie ermee leert te werken en ze kan gebruiken, vindt de regels geen groot probleem. Dat geldt voor beide partijen. Bovendien is wel duidelijk dat niet de regels het grootste probleem zijn, maar het soort politici of misschien wel deze tijd. Wie geeft er wat om 'lofty ideas’ deze dagen?
Ideologisch is het voor conservatieven geen probleem als de Senaat de overheid lamlegt, vertraagt, ondermijnt door niets te doen. Anti-overheids-Tea-Party-enthousiasten worden daar even warm van als de 'starve the beast’-strategie van het onthouden van fondsen aan de overheid. Voor alle niet-ideologen is het de vraag of een grote natie, een wereldmacht van 330 miljoen mensen, alle grote problemen kan laten liggen uit weerzin tegen 'Washington’. Misschien moet je je geen zorgen maken; het land loopt al meer dan tweehonderd jaar op deze manier. Of misschien wel. Het is uiteindelijk geen 1776. De overheid heeft een rol te spelen, al is die observatie aan Sarah Palin en haar theekransje niet besteed. De Senaat zou daarbij het voortouw moeten nemen, maar dat lijkt voorlopig onwaarschijnlijk. 'This august body’ heeft zichzelf buitenspel gezet.


De verkiezingen van 2010
Situatie nu: 57 Democraten, 2 Onafhankelijken (die samenwerken met de Democraten), 41 Republikeinen.
Op 2 november zijn 37 van de honderd zetels in het spel, 34 zetels op basis van de normale rotatie van de zesjarige termijnen, drie om open zetels te vullen voor een kortere termijn.
Open Democratische zetels (7): Delaware, Indiana, West Virginia, Connecticut, Illinois, Pennsylvania (open omdat de zittende Democraat in de voorverkiezingen is verslagen), North Dakota
Open Republikeinse zetels (8): Florida, Kansas, Kentucky, Missouri, New Hampshire, Ohio, Alaska, Utah (beide omdat zittende senator in voorverkiezingen is verslagen)
Democratische zetels (12): Arkansas, Californië, Colorado, Hawaï, Maryland, Nevada, New York (de zetel van Clinton, nu op tijdelijke basis vervuld, deze verkiezing geldt tot 2012), New York (de reguliere zetel, tot 2016), Oregon, Vermont, Washington State, Wisconsin
Republikeinse zetels (10): Alabama, Arizona, Georgia, Idaho, Iowa, Louisiana, North Carolina, Oklahoma, South Carolina, South Dakota


Senaatstermen
Unanimous consent – de basisregel van de Senaat dat zaken gedaan worden als niemand zich daartegen uitspreekt. Als niemand bezwaar maakt, dan is iets besloten. Soms staat het in de boeken simpelweg als ‘no objection’ of ‘without objection, so ordered’. Het kan de procedures aanzienlijk versnellen, maar als er wél dwarsliggers zijn, is het een middel om te vertragen.
Filibuster – een methode om stemming te voorkomen door het debat voort te zetten. Grondslag is de regel dat een senator zo lang hij wil en over welk onderwerp dan ook mag doorpraten tot hij het woord weer afgeeft. Kan doorbroken worden met een motie van ‘cloture’ maar die moet dan wel door drievijfde deel van de Senaat gesteund worden. Theoretisch kan een eenvoudige meerderheid de regels van de Senaat veranderen, zij het dat een filibuster de stemming daarover kan tegenhouden. In de praktijk is deze optie (‘the nuclear option’) niet realistisch, althans senatoren zijn het erover eens dat het tot extreme polarisatie zou leiden.
Hold – als een senator bezwaar maakt tegen de voortgang van een wettelijke procedure. Kan anoniem gedaan worden. Het onderwerp komt dan niet eens in behandeling. Doorbreekt de meerderheidsleider dit, dan leidt het vrijwel zeker tot een filibuster.
Incumbent – een zittende senator.
Open seat – een senaatszetel die is opengevallen omdat de zittende senator, de incumbent, zich niet herkiesbaar heeft gesteld.
Pairing votes – als het gaat om een eenvoudige meerderheidsstemming kunnen senatoren die afwezig dreigen te zijn een collega zoeken in het andere kamp om zijn of haar stem te compenseren. Senator A is voor, maar afwezig. Vindt senator B, die tegen is, bereid om ook niet te stemmen. Bij cruciale stemmingen worden invaliden, half dode en ernstig dementerende senatoren binnengereden om mee te stemmen.
Seniority – wie het langst zit krijgt de meeste privileges, zoals het leiden van commissies. Junior senatoren moeten lang wachten voor ze echte macht krijgen.