Robert Cedric Sherriff, beeld uit een serie kaarten van Britse auteurs, 1937 © World History Archive / ANP

Dankzij corona gingen duizenden mensen in de zomer van 2020 ineens een roman uit 1931 lezen, over een doodgewoon Engels gezin dat op vakantie gaat naar zee en daar niets opzienbarends meemaakt.

The Guardian had bekende schrijvers gevraagd om, in tijden van mondkapjes en lockdowns, een opbeurende boekentip te geven. Kazuo Ishiguro koos The Fortnight in September van R.C. Sherriff, in het Nederlands vertaald als Twee weken weg. In een tijd dat niemand op reis kon, sloeg dit boek over een vakantie enorm aan.

Omdat er niets dramatisch gebeurt, is het verleidelijk om te denken dat deze fijne, luchtige roman literair gezien niet zo heel veel voorstelt. Maar dat lijkt me een misvatting. Onder andere erg mooi is hoe Sherriff het gezinsleven beschrijft. Hoe de vader, moeder en drie kinderen soms bijna als één organisme bewegen, denken en voelen. Maar hoe ze op andere momenten uiteenvallen in vijf aparte individuen. In de loop van de roman kom je erachter dat ze heel veel niet van elkaar weten, ook al leven ze op elkaars lip.

Wat het boek ook erg goed maakt, is de zintuiglijke manier waarop Sherriff schrijft: als je deze roman leest heb je het idee dat je de wind door je haren voelt waaien, dat je het zout op je huid kunt proeven en dat je, ook al zit je alleen maar binnen op een stoel, gezonder en sterker wordt door het inademen van de verfrissende zeelucht.

Ik zou nog veel meer over The Fortnight in September kunnen schrijven, maar dit stuk moet eigenlijk over een andere roman van Sherriff gaan. Na het succes van Twee weken weg is nu ook Een tweede leven verschenen, de door Inge Kok gemaakte vertaling van Greengates.

Sherriff schreef deze roman acht jaar na The Fortnight in September. Die lange tussenpauze was heel bewust. Hij had expres een tijdje gewacht met het schrijven van een nieuw boek. The Fortnight in September werd namelijk ook in 1931 al enthousiast ontvangen en hij wilde ervoor waken dat hij ‘zou proberen om munt te slaan uit het succes van mijn eerste roman door een volgende in elkaar te draaien’.

In zijn autobiografie No Leading Lady (1968) schrijft Sherriff erg vermakelijk en interessant over zijn carrière en het schrijfproces. Aanvankelijk schreef hij geen romans, maar toneelstukken. Journey’s End, gebaseerd op zijn eigen ervaringen in de Eerste Wereldoorlog, was zijn grootste hit. De toneelstukken die hij daarna schreef, sloegen veel minder aan en zijn pogingen om een roman te schrijven, liepen keer op keer op niets uit. Tót hij aan The Fortnight in September begon. Hij schreef het zonder enige literaire pretentie en hij schreef het alleen maar voor zichzelf, zonder de bedoeling om het uit te geven. Maar goed, toen het af was, stuurde hij het toch naar iemand op en diegene was toevallig een uitgever en die reageerde dolenthousiast.

Sherriff haalde hier voor zichzelf de les uit dat hij alleen iets goeds kon maken als hij niet al te zeer zijn best deed. Hij had dit keer niet geprobeerd om ingewikkelde, doorwrochte zinnen te formuleren en hij had geen zware thematiek gekozen. In plaats daarvan had hij het simpel gehouden, qua stijl, onderwerp en personages. En dat leverde een steengoed literair boek op.

Je zou kunnen zeggen dat met de publicatie van Een tweede leven, zo snel na Twee weken weg (die Nederlandse titels zijn verdraaid lastig uit elkaar te houden trouwens) iets gebeurt wat Sherriff nou juist niet wilde. Hij was bang dat de recensenten zouden zeggen dat die nieuwe roman ‘geen Twee weken weg was, en ze zouden ongetwijfeld gelijk hebben’. En dus wachtte hij acht jaar, tot de recensenten Twee weken weg vergeten waren.

Maar wij in Nederland hebben die pauze van acht jaar niet gehad. We zijn nog allemaal vol van Twee weken weg. Net als dat boek gaat Een tweede leven over de verlossing van het kantoorleven. Het eerste boek ging over vakantie, dit tweede over het pensioen. De roman doet in het begin sterk denken aan De dood van Maarten Koning, het slotdeel van Het Bureau van J.J. Voskuil: hoofdpersoon meneer Baldwin neemt op zijn laatste werkdag afscheid van zijn collega’s. Hij zit voor het laatst in de trein met mensen die hij decennialang iedere ochtend en avond op het station heeft zien staan. Thuis neemt hij zich voor om allerlei klusjes te gaan doen, hij loopt zijn vrouw in de weg en begint zich af te vragen wat hij in godsnaam met zijn tijd aan moet.

Het voelt als een opluchting als mevrouw Baldwin haar man voorstelt om een wandeling te gaan maken

Goed en voorstelbaar beschrijft Sherriff hoe zowel meneer als mevrouw Baldwin op zoek moet naar een nieuw evenwicht en een nieuwe dagindeling. Enorm verrassend of enerverend is het allemaal niet. Eén scène uitgezonderd: meneer Baldwin ergert niet alleen zijn vrouw maar ook de oude dienstbode met zijn aanwezigheid en als hij die laatste vraagt of hij haar bezem mag gebruiken, vaart ze ongelooflijk tegen hem uit, tot ontreddering van meneer Baldwin.

Deze vurige, bloedchagrijnige dienstbode is interessanter dan de wat kleurloze meneer en mevrouw Baldwin. Het is een beetje alsof je over de saaiste mensen in de straat van je ouders leest.

De associatie met J.J. Voskuil blijft tijdens het lezen. Net als Maarten en Nicolien zijn ze kinderloos, maken ze erg veel ruzie en hebben ze geen of amper vrienden.

Een tweede leven biedt een compleet andere leeservaring dan Twee weken weg. Het aantrekkelijke van het vakantieboek was dat het opbeurend was, terwijl met name de eerste honderd pagina’s van Een tweede leven tamelijk deprimerend zijn. Meneer en mevrouw Baldwin zitten de hele dag binnen in hun verstofte en verstikkende huis.

Het voelt dan ook als een opluchting als mevrouw Baldwin haar man voorstelt om een wandeling te gaan maken. Ja, ga in godsnaam lekker de natuur in en de benen strekken, dacht ik.

Deze wandeling verandert alles. Ze komen langs het terrein waar een nieuwbouwwijk zal verrijzen. Meneer Baldwin krijgt eindelijk de geest en schudt zijn somberte, angst en bedeesdheid van zich af. Ze besluiten om hun oude huis te verkopen en in deze nieuwbouwwijk te gaan wonen.

Een tweede leven valt in drie delen uiteen. Je hebt twee keer bijna het gevoel dat je aan een nieuw verhaal begint. Deel één gaat over de leegte na het pensioen, deel twee (het meest de moeite waard) over de aanschaf van het nieuwe huis en deel drie gaat eigenlijk weer over iets heel anders, namelijk het oprichten van een buurtclub in de nieuwe wijk.

Toen ik van tevoren het achterplat las, en de afbeelding op de voorkant zag, dacht ik dat Een tweede leven zou gaan over een ouder stel dat van de stad naar het platteland verhuist en daar wordt geconfronteerd met alle nieuwe uitdagingen die bij dit andere leven komen kijken. Een beetje de Britse, ouderwetse variant van Buitenleven van Nina Polak. Maar aangezien de Baldwins in een nieuwbouwwijk gaan wonen, gaat dit boek daar helemaal niet over. Het eigenlijke onderwerp is de zoektocht van meneer Baldwin naar een nieuwe invulling van zijn leven. De Nederlandse titel is dan ook veel accurater dan de originele.

Over Robert Cedric Sherriff (1896-1975) is opmerkelijk weinig bekend. Hij is nooit getrouwd geweest en was blijkbaar erg gehecht aan zijn moeder, met wie hij samenleefde in een groot huis. Wat hem goed en interessant maakt als schrijver, is dat hij afwisselend met spot en mededogen naar zijn personages kijkt. Soms – en dan is hij op zijn interessantst – weet je niet helemaal zeker met welke van de twee je te maken hebt. Net als in Twee weken weg geniet hij er merkbaar van om zijn personages licht belachelijk te maken, terwijl je tegelijk voelt dat hij om ze geeft en het beste met ze voorheeft.

Als meneer Baldwin, helemaal in het begin van het boek, in de krant leest over een gepensioneerde die zelfmoord heeft gepleegd, weet je onmiddellijk dat dit niet moet worden beschouwd als een dreigend voorteken. Natuurlijk gaat meneer Baldwin geen zelfmoord plegen. Daar is Sherriff een veel te lieve schrijver voor.

De roman eindigt met een vreemd ‘eind goed, al goed’-hoofdstuk, waarin wordt verteld hoe het uiteindelijk allemaal is afgelopen met de Baldwins. Toergenjev deed dit ook vaak in zijn romans. Die deed het nog veel banaler door gewoon te schrijven: ‘En het slot? vraagt misschien een onbevredigde lezer. Wat is er verder gebeurd met…’ Toergenjev kwam daar wel mee weg. En, ach, Sherriff eigenlijk ook.