Saddam, onze man in bagdad

De periodieke ophef rond de Irakese ‘massavernietigingswapens’ begint zoetjesaan ondraaglijk schijnheilig te worden. Zelfs de waarschuwing dat Saddam ditmaal de hele wereld in de afgrond wil sleuren met behulp van het apocalyptische VX-gas kan niet meer overtuigen. Als hun belangen in de Golf op het spel staan, liegen de Amerikanen net iets te vaak. En als de ‘internationale gemeenschap’ het met Irak aan de stok krijgt, gaat dat altijd ten koste van de verkeerden. Dankzij het embargo sterven er dagelijks Irakezen door gebrek aan voedsel en medicijnen, terwijl de dief van Bagdad toch een creatuur is van dezelfde landen die hem nu veroordelen.

Al zijn helse machines zijn ontworpen, geleverd of gefinancierd door lidstaten van de Navo en het voormalige Oostblok. Sommige aankopen dateren van vóór zijn machtsgreep van 1979. Jacques Chirac - destijds premier - hielp hem aan een experimentele kernreactor, die later gedeeltelijk werd verwoest door de Israelische luchtmacht. De Italianen verkochten hem een complete hulpmarine, de Russen een hypermoderne luchtvloot. De Irakese strijdgassen werden ontwikkeld in het petrochemische complex PC2, gebouwd door Amerikaanse, Japanse, Italiaanse, Franse, Britse en Duitse aannemers.
Tijdens de eerste Golfoorlog zetten zowel de Navo als de Oostbloklanden letterlijk hun geld op Saddam. Egypte sluisde voor 3,5 miljard dollar aan Navo-wapens door naar Irak, met als bonus de speciaal voor Saddam ontworpen draagraket Condor-II. Thatcher lichtte de hand met haar eigen exportwetten en liet Britse bedrijven speciale granaten aan Irak verkopen. Joeri Andropov zorgde voor luchtdoelraketten en Ronald Reagan verschafte Saddam kredietgaranties ter waarde van vijf miljard dollar, zogenaamd voor de ontwikkeling van de landbouw. Onder het door de Amerikanen betaalde wapenprogramma vielen de aanschaf van Chinese rakettechnologie en van het ‘superkanon’ dat de Canadees Gerald Bull onder belangstellend toezien van drie westerse inlichtingendiensten in zijn Brusselse achtertuin in elkaar knutselde. Nog in januari 1990 sprak Bush zijn veto uit over een exportverbod tegen Irak. Pas toen Saddam het pretpark van de internationale olie-industrie onder de voet liep, greep de 'internationale gemeenschap’ in.
Maar ook de luchtoorlog van begin 1991 was een halve maatregel. Saddam werd uit Koeweit verdreven, maar zijn presidentiële garde intact gelaten. Hij werd vernederd, maar niet ten val gebracht. Het embargo en het inspectieregime van Unscom zorgen er sindsdien voor dat hij sterk genoeg blijft om Irak bijeen te houden, maar te zwak om de Saoedische oliebronnen te bedreigen. Het meningsverschil in de Veiligheidsraad over de vraag of de Irakese olie-export hervat mag worden - de Russen en Fransen willen eindelijk iets terugzien van al hun voorschotten aan Irak - verandert daar niets aan. Als Saddam ten val komt, kunnen de schuldeisers immers naar hun geld fluiten. Hij blijft 'onze man’ in Bagdad. De Irakezen moeten hun honger zolang maar stillen met Saddam-grappen.