H.J.A. Hofland

Saigon en Bagdad

NEW YORK – Op 30 april was het dertig jaar geleden dat de Amerikanen Saigon ontruimden. De tv heeft de dramatische beelden weer vertoond. De New York Times had bovenaan op de voorpagina over vier kolommen een foto van de overwinnings parade in Ho Tsji Minhstad, zoals Saigon sinds dertig jaar heet. Niet van tanks en raketten maar een paar honderd vrolijke meisjes en jongens met gekleurde ballonnen. Als niet overal in de stad grote portretten van leider Ho Tsji Minh hadden gehangen en er ook nog een militaire pa rade met echte tanks was geweest, had je je kunnen afvragen of de Amerikanen de oorlog eigenlijk toch ge wonnen hadden. Nee, de VS hebben die oorlog verloren.

Nu, meer dan twee jaar na het begin van de volgende interventie die nog niet tot het voorspelde gelukkige einde is gevoerd, vragen historici en commentatoren zich opnieuw af of Irak «een tweede Vietnam» kan worden. Stephen J. Morris, historicus, betoogt dat de Amerikanen in het zicht van de overwinning hun nederlaag hebben geleden. De Sovjet-Unie had, blijkt uit nu beschikbare documenten, haar geduld met «de onbetrouwbare en onwillige» Vietnamese partner verloren. De leiders daar wilden zelf als leiders van de wereld revolutie optreden. Intussen waren ze militair dusdanig verzwakt dat de Amerikaanse overwinning in het verschiet leek te liggen. Door te vertrekken hebben de Amerikanen honderdduizenden geestverwanten in de steek gelaten. Ze hebben hun imago als kampioen van de democratie zelf aangetast en daardoor allerlei opstandige bewegingen in Azië, Afrika en Latijns- Amerika nieuwe moed gegeven, waarvan het resultaat is geweest dat de VS in nieuwe conflicten betrokken raakten. En ten slotte – niet het geringste argument – heeft deze afloop talloze veteranen in verbittering en een overtuiging van vergeefsheid achtergelaten.

Een eenvoudiger visie geeft Thomas H. Lipscomb, oud-voorzitter van een Veteranenvereniging. Hij grijpt terug op John Foster Dulles, minister van Buitenlandse Zaken onder president Eisenhower. Dulles wilde zuidoost-Azië van het communisme redden. In Vietnam is dat in eerste aanleg mislukt, maar kijk eens, schrijft Lipscomb, hoe het nu in India, China, bij de Aziatische tijgers gaat. «Amerika mag dan een tactische interventie in Vietnam hebben verloren, maar de strategische consequenties van die ingreep waren deel van een van de meesterlijkste ondernemingen in de buitenlandse politiek van onze eigentijdse geschiedenis. Het Mid den- Oosten en de VS mogen zich gelukkig prijzen als Irak het volgende Vietnam blijkt te zijn.» Het mag niet leuk zijn voor de soldaten die nu in Irak vechten, maar het is een visie die zijn steun heeft in de publieke opinie.

Nog één mening: van Peter Maass, verslaggever met lange ervaring in Irak. In een uitvoerige reportage in het New York Times Magazine betoogt hij dat Irak niet moet worden vergeleken met Vietnam. Er zijn meer overeenkomsten met El Salvador, de contrarevolutie tussen 1980 en 1992, waarin een rechtse regering, gesteund door de Amerikanen een linkse opstand heeft bevochten en verslagen. Oorlog voeren op zichzelf is al geen frisse bezigheid, maar is theoretisch nog aan regels gebonden. Bij de strijd in El Salvador waren alle reglementen buiten werking gesteld. In twaalf jaar zijn daar op een bevolking van zes miljoen mensen zeventig duizend slachtoffers gevallen. Alles wat bij de Conventie van Genève verboden is, werd door beide partijen in praktijk gebracht. De contrarevolutionairen deden het beter. Zij hebben gewonnen.

In Irak heeft zich sinds president Bush twee jaar geleden «the end of major operations» aankondigde, een opstand ontwikkeld. Dat werd het Amerikaanse opperbevel in het voorjaar van 2004 duidelijk. Het nieuwe Iraakse leger in oprichting deed niet wat ervan werd verwacht. Bij de verovering van Fallujah in november zijn complete eenheden overgelopen of spoorloos verdwenen. Militaire acties van de Amerikanen hebben hun contraproductieve kant: het loopt uit de hand, onschuldige Irakezen worden het slachtoffer of het lijkt erop. Dat maakt dan geen verschil. Het zijn de risico’s van het vak en de plaatselijke getuigen trekken hun conclusies. Die strategie moest worden veranderd.

Intussen is in Irak de eerste vijfduizend man sterke eenheid van contra’s aan het werk. Zo worden ze niet genoemd. Ze zijn van de counterinsurgency. Hun bevelhebber is generaal Adnan Thabit, die onder Saddam Hoessein ook eerst generaal was en daarna in een dodencel terechtkwam. Maass beschrijft zijn ervaringen met de kettingrokende krijgsman en diens soldaten. Keihard optreden is eufemistisch uitgedrukt. Als het zo doorgaat, lezen we het over een paar maanden in een rapport van Amnesty International. Misschien slagen Thabit en zijn vijfduizend erin te bereiken wat 140.000 Amerikanen niet is gelukt. Zal dit Irak tot een soort El Salvador van het Midden-Oosten maken?

Alle ideologische en strategische rechtvaardigingen voor de oorlog terzijde gelaten zou dat voor de Amerikanen een verleidelijke oplossing zijn. Geen hele nederlaag zoals in Vietnam, geen onbetrouwbare democratie zoals die nu min of meer in aanbouw is, maar een gepacificeerd land met een bevriende regering. Hoe die de orde bewaart is dan voor Washington geen zorg meer. De troepen kunnen naar huis en het probleem is uit de media en de publieke opinie verdwenen.

Dat zou van het standpunt van deze Amerikaanse regering bekeken een mooie oplossing zijn. Irak is geen Vietnam. De regio ontwikkelt zich meer tot een wespennest waarin stammen, naties, vertakkingen van de islam, achterlijke dictators van theocratieën en een voorhoede van moderne hervormers in een Laocoön-achtige worsteling zijn verwikkeld. Bush en zijn bondgenoten hebben het probleem van Irak onderschat. Dat is de overeenkomst met Vietnam. Maar het vervolg kan oneindig gecompliceerder zijn. Dat wordt later duidelijk. Het enige wat de publieke opinie nu werkelijk bezorgd maakt is het stijgen van de olieprijs.