Samen zwijgen

Een goede verhouding met jezelf en je eigen lichaam is vereist om intimiteit te ervaren. Maar in deze tijd van perfectiedrang raken mensen van zichzelf vervreemd, analyseert de Vlaamse klinisch psycholoog Paul Verhaeghe in zijn heldere boek Intimiteit.

Een maand geleden zag ik een vroegere geliefde weer, we gingen wat eten in een café. Ik was vergeten hoe lang en diep hij mensen, mij, in de ogen keek. Ik was ook vergeten dat ik hem, in zijn ogen, zomaar had verlaten. Tijdens het eten herinnerde hij me eraan hoe vaak ik na de seks had moeten huilen.

‘Ik kan me niet meer voor de geest halen waarom’, zei ik verontschuldigend.

‘Je zei altijd dat het kwam omdat het zo intiem was.’

Ik knikte, al wist ik dat het complexer was. Dat wist ik tien jaar geleden ook al. Het ging niet alleen om het gevoel dicht bij hém te zijn. Het ging juist ook heel erg over mijzelf.

Je zou kunnen zeggen dat ik de afgelopen jaren intensief bezig ben geweest mijn sex-cry te verklaren; zowel privé als professioneel zijn seksualiteit en intimiteit belangrijke onderwerpen voor me. Deze begrippen zijn niet inwisselbaar: vaak zoeken mensen wel intimiteit via seks, en ervaren ze die ook soms zo, maar seks kan evengoed omslaan in agressie, of op zichzelf staan. Soms voelen mensen zich na de seks nog minder verbonden dan ervoor, omdat het alleen ging om snelle lustbevrediging. Of verdrietig, omdat samensmelting met een ander nooit lang duurt. Maar het gevoel van de sex-cry is complexer: het heeft te maken met vervreemding van jezelf.

Dat laatste leerde ik uit het nieuwste en inzichtelijke boek Intimiteit van Paul Verhaeghe. Niet dat de Vlaamse psycholoog over dit specifieke fenomeen schrijft, maar zijn theorie is dusdanig breed – om intimiteit te ervaren met een ander is eerst een goede verhouding met jezelf en het eigen lichaam vereist – dat het toepasbaar is op vele situaties.

Betekent intimiteit dat je jezelf wel of niet laat zien? © Christopher Anderson / Magnum / HH

Verhaeghe betoogt dat de tegenstelling tussen geest en lichaam een verzinsel is. De werkelijke verdeeldheid is de verhouding van ‘mij’ tot ‘mijzelf’. Je moet leven met ‘de ander die jezelf bent’, die ander is dat deel van jezelf dat in wisselwerking met de buitenwereld wordt gevormd: geïnternaliseerde verwachtingen van naasten, en de samenleving in het algemeen. Idealiter verkeren de twee ‘zelfpolen’ in een min of meer stabiel evenwicht, maar in het huidige digitale tijdperk is deze verhouding bij veel mensen verstoord, volgens Verhaeghe. Mensen gaan gebukt onder perfectiedrang, raken van zichzelf vervreemd, en kunnen daardoor geen intieme betrekkingen met anderen aangaan. Het is lastig verbinding maken als je jezelf niet goed genoeg vindt.

Het ongemak komt voort uit de alomtegenwoordigheid van beeldschermen ‘die spiegelen hoe we eruit moeten zien, hoe we mogen genieten, hoe we kunnen omgaan met pijn’. Onbewuste spanningen bouwen zich op in het lichaam, die zich niet kunnen ontladen omdat de geest ze niet kan benoemen. Gevolg: we raken vervreemd van onszelf. Ontspan je vervolgens onverhoeds, bijvoorbeeld door een orgasme, dan laat je die beschuldigende, boze, teleurgestelde ander die je zelf (ook) bent even los, waardoor je hem/haar misschien wel des te meer ziet.

Zo bezien komt de sex-cry voort uit een loslaten van (onbewuste) spanningen en stress, terugkomen bij jezelf en confrontatie in één.

De waardevolle aanvulling van Intimiteit op eerder verschenen boeken over seksualiteit en intimiteit is dat Verhaeghe overtuigend analyseert hoe de omgeving de verhouding met het zelf beïnvloedt: maatschappelijke verwachtingen kunnen lichamen ziek maken. Hij koppelt het (on)vermogen tot intimiteit aan wat hij benoemt als ‘kapitalistische vervreemding’. Die beeldschermen op zich zijn namelijk niet zo schadelijk, maar de soort ideeën over hoe te leven die hierop worden verspreid wél.

Het gaat om een digitaal bombardement van de boodschap ‘het is nooit goed genoeg’

Dat mensen continu worden geconfronteerd met ideeën en beelden hoe ze moeten leven, is niet nieuw. Het verschil echter met eerdere religieuze en politiek ideologische beelden is dat het volgens Verhaeghe nu gaat om een digitaal en commercieel bombardement van de boodschap ‘het is nooit goed genoeg’. Je moet perfect zijn, in ieder geval meer en beter dan een ander. Dat maakt mensen niet alleen concurrenten van elkaar op het werk, maar ook in de privésfeer, met vrienden en geliefdes én van zichzelf. Deze concurrentiestaat zorgt voor een fundamenteel wantrouwen en resulteert in lichamelijke stress. Vandaar al die psychische ziektes, vandaar het gebrek aan intimiteit.

Daar komt bij dat gezondheid steeds meer een zaak van individuele verantwoordelijkheid is geworden, samenhangend met de verkeerde of juiste keuzes maken. Met andere woorden: het is je eigen schuld als je ziek wordt, een burn-out krijgt, depressief bent.

Waarom de een wel ziek wordt en de ander niet, beschouwt Verhaeghe als een samenspel van het biologische, het psychologische en het sociale. Dat veel mensen een tekort aan intimiteit ervaren, is volgens hem dan ook een maatschappelijk probleem dat niet individueel opgelost kan worden. Het is niet je eigen schuld als je intimiteit mist in je leven.

Toch ziet Verhaeghe een uitweg voor het probleem in zelfzorg, waarbij zorg voor het zelf zich uiteindelijk vertaalt in zorg voor een ander en de omgeving. Iemand kan zichzelf onder handen nemen ‘top-down’, door bijvoorbeeld in therapie te gaan en de aldus vergaarde kennis in te zetten om gedrag te veranderen, en ‘bottum-up’, door lichamelijke inzichten op te doen via spirituele zelfhulpmethodes als meditatie, mindfulness en yoga.

Verhaeghe pleit voor een combinatie van die twee, waarbij het zaak is ontspanning niet in heilig moeten te doen ontaarden: ‘ik moet drie keer per week naar yoga’, ‘ik moet alles loslaten’. Het idee is dat wie aan zelfzorg doet meer gerust raakt over zichzelf, makkelijker connecties kan aangaan.

Om meer intimiteit te ervaren moeten we leren om ons opnieuw te verbinden met anderen, ‘om autonoom te zijn in verbondenheid’, concludeert Verhaeghe. Zijn hoop is gericht op ‘het nieuwe’: nieuwe vormen van ouderschap en gezinsleven, nieuwe werk- en woonvormen.

Toch blijft het beeld dat Verhaeghe van intimiteit schetst vrij ouderwets. Concrete intimiteit wordt in dit boek vaak gekoppeld aan ‘een koppel’. Wanneer Verhaeghe ’s nachts voor een hotelkamer twee paar schoenen ziet staan, denkt hij aan het paar achter de deur, aan de intimiteit die daarbij hoort, of het gebrek eraan. ‘Een pas gevormd koppel komt tijd te kort om te praten. Een koppel dat jarenlang samen is, kan genieten van stilte; de intimiteit is er.’

Kan intimiteit niet ook ervaren worden in andere vormen? Met de maandelijkse boekenclub? Met vrienden? Met een vreemde op een dansvloer; een (huis)dier? Is intimiteit hetzelfde zonder jaren samen te zijn of seksueel contact te maken?

Behalve in de traditionele vorm – met jezelf, of binnen de duurzame liefdesrelatie van een koppel – wordt niet duidelijk wat intimiteit ook kan zijn. Het is weliswaar verfrissend dat Verhaeghe redeneert vanuit de kennis die bij een beroepspraktijk hoort, en niet vanuit degene die het lastig vindt om intimiteit te ervaren, maar het levert ook een wat afstandelijk, en weinig intiem boek op.

Een tijd waarin intimiteitsfestivals en intimiteitsactivisten bestaan, waarin de film Touch Me Not over de zoektocht naar intimiteit de omstreden winnaar werd op het filmfestival van Berlijn – intimiteit zou worden verward met exhibitionisme en het verheerlijken van kwetsbaarheid – maakt hongerig naar een brede invalshoek. Wanneer mag je iets intimiteit noemen? Welke uitsluitingsmechanismen in de concurrentiesamenleving staan intimiteit nog meer in de weg? Wat maakt de intimiteit van een zwijgend stel zo aanvaardbaar, en intieme verbinding in een seksclub of tantrakamp exhibitionistisch of ongemakkelijk? Betekent intimiteit dat je jezelf wel of niet laat zien?

Na het etentje reed mijn ex me naar huis. In zijn grote bus luisterden we in stilte naar een nummer dat hij had aangezet. Het had makkelijk zo’n ongemakkelijk moment kunnen worden. ‘Had ik maar…’ of ‘had ik niet beter…?’ Dat gebeurde niet. Het was gewoon goed. Een gebrek aan intimiteit heeft te maken met een complex samenspel van veel factoren, zoals Verhaeghe laat zien. Waarom het er soms wel is óók. Intimiteit verschijnt niet lineair, komt niet alleen maar aan het einde van het verhaal, maar dient zich aan in vele vormen.


Daan Borrel onderzoekt als journalist en schrijver seksualiteit en intimiteit. Over de zoektocht naar het lichaam schreef ze Soms is liefde dit, via de Instagram-serie de Self Love Club exploreert ze het onderwerp zelfbeminning