Samenhangend raaskallen

ESTER NAOMI PERQUIN
NAMENS DE ANDER
Van Oorschot, 48 blz., € 14,50

Grote broer

Geen vader of moeder om ons uit de bomen te halen
voor eten of slaap, de klimrijkste zomer in jaren.

Ik wilde geen staart, scheurde jurken aan flarden,
raakte met haren in takken verward – jij haalde
een schaar en ik werd een soldaat maar
het zwaard was zo zwaar en het schild
kreeg ik niet van de grond.

Je schreeuwde me hoger – ik klom dus en klom.
Warmte trok in de bomen, tot diep in de nacht
lag jij als een dier op de onderste tak.

Er konden geen leeuwen of moordenaars komen.
Ik hield, voor een meisje, uitstekend de wacht.
Debuutprijzen en andere aanmoedigingen hinken op twee gedachten. Is een bundel sterk en volgroeid, of ziet de jury juist potentieel talent bij een kandidaat? De C. Buddingh’-prijs voor het beste debuut maakt jaarlijks circa vier genomineerden bekend. Dat lijkt afdoende voor een redelijke kwalitatieve schifting. Toch heeft de prijs er sinds ruim tien jaar een neus voor ontwikkeld om juist die dichters die zich prominent ontwikkelen links te laten liggen. De debuten van Jan Baeke, Paul Bogaert en Tsead Bruinja zijn niet genomineerd voor die prijs, evenmin die van Erik Jan Harmens, Ruth Lasters, Peter van Lier, Bart Meuleman, Hagar Peeters en Menno Wigman. Voor je het weet zou je talent eerder condoleren dan feliciteren met een nominatie. Nu wisselt de jury jaarlijks integraal en hangt veel af van de samenstelling van zo’n gezelschap – en de onderlinge sympathie en genegenheid om een ander jurylid zijn of haar zin te laten doordrijven. Zo lijkt een jury een bal die rolt in de richting waar de krachtvelden samenspannen. Daarmee wil ik niet zeggen dat de bundels zelf geheel buiten spel staan, wel dat ze op de tweede plaats komen. Als prijzen de literaire kritiek dreigen te vervangen, zoals Erik Spinoy in een lezing voor het cultureel huis DeBuren in Brussel signaleerde, ontstaat er een vlakkere vorm van receptie. Een criticus leest anders dan een jurylid. Een bundel lezen en bespreken is iets anders dan een jaaroogst doornemen. En een kritiek is een persoonlijk leesverslag, een juryrapport is een compromis.
Ester Naomi Perquin won een aantal aanmoedigingsprijzen, de Eline van Harenprijs van uitgeverij Conserve, de Debuutprijs van het poëzietijdschrift Het liegend konijn en de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs van de Maatschapij der Nederlandse Letterkunde. In haar debuut Servetten halfstok uit 2007 zocht ze een man ‘die van mij leert te houden maar/ onredelijk is en behoorlijk kan slaan,// academisch niveau, die dan onverwachts/ met een kinderwens voor me zal staan’. Dat rijmt, en ook Perquins andere gedichten waren strak en vormvast. Na twee jaar is daar het vervolg op gekomen, Namens de ander, een iets dunnere bundel waarin ze minder ingehouden te werk gaat.
Ester Naomi Perquin schrijft spitsvondige gedichten. Een beetje tongue in cheek zijn ze wel vaak. Ze kennen een hoge mate van afheid die enerzijds goed werkt, anderzijds op momenten onaantrekkelijk is. Soms weet de dichter te goed wat ze doet en slaat ze het balletje zo feilloos raak dat het effect voorspelbaar wordt. Iets meer verrassing zou haar goed doen, iets minder beheersing. Tegelijk zou ik die beheersing wel bij meer dichters willen tegenkomen, en dat houdt me ambivalent jegens haar werk.
Namens de ander opent spannend: de ruimte wordt door de verteller herkend maar het moment is onzeker: ‘Dit zou het begin van de nacht kunnen zijn/ of het eind van de dag.’ Een langzame camera neemt steeds meer waar als een ontwakend oog, en ‘de sprei met de vlek ligt precies waar hij lag’. Er is sprake van een stel dat mogelijk na de liefdesdaad naar beneden gaat en net als de vorige keren in deze ‘gebruikelijke’ hotelkamer dezelfde maaltijd bestelt. Maar na dit aftastende begin eindigt Perquin stroef: ‘We wagen ons gewoontes in,/ hebben ons lief.’ De verteller is alwetend en zo wat weinig proefondervindelijk voor een stem in een gedicht.
Als Perquin een enquête ridiculiseert met de vraag: ‘Welk dier is uw ziekte bij voorkeur niet’ had ze dat laatste woordje ook weg kunnen laten. De dichter werkt bestaande gedachten uit in een gedicht, bijvoorbeeld dat de mens ooit een eenheid was die gehalveerd is tot hij de liefde vindt. ‘u kwam nooit in de verleiding iemand/ duidelijk zichtbaar te aaien’, klinkt naar een toespraak van een mogendheid die zich erover verbaast dat de toegesprokene nooit op tv is geweest. Dat doet even denken aan de angstaanjagend geridiculiseerde wij-vorm in Kooi van Alfred Schaffer of Vis van Arnoud van Adrichem, waar ook een zich alwetend wanende overheid aan het woord lijkt. Perquin maakt vaak gebruik van staande uitdrukkingen. Op een ironiserende manier, dat wel, zoals in de wending ‘een leeftijd/ bereiken die comfortabel mag worden genoemd’. Even is ze opvallend direct:

Jij bent de verkeerde altijd geweest
en je bent het, ontegenzeggelijk, nog steeds.

Van liefde hou ik niet, dat heb ik nooit gedaan.
Ik ben bij je gebleven omdat ik dit zo zeker weet.

En na die vier regels denk ik: ga door, nu komt het, maar herhaalt ze eigenlijk alleen maar met meer woorden dezelfde mededeling. Soms moet je er achter komen wie de sprekende figuur in haar gedichten nu precies voorstelt, en dan doet haar werk even denken aan het debuut De karpersimulator van Erik Menkveld. Op andere momenten is haar formulering wat gezocht en nadrukkelijk literair. Zo zegt de schilder tegen de geschilderde: ‘steeds/ bloos je als een baken door mijn streken heen’. Ester Naomi Perquin geeft de indruk graag gedichten te schrijven. Als een vrouw haar opbelt en vraagt of ze Richard is, weet ze in de stilte die daarop volgt twee pagina’s lang gedachten en overwegingen daarover uit te schrijven. Knap is dat haar gedachtelijnen te volgen en te plaatsen zijn, zelfs als ze raaskalt doet ze dat samenhangend. Maar op andere momenten geeft ze een verklaring voor een definitie, en weet haar taal niet meer te raken, zoals in de wending: ‘Wij worden langzaam wie ons wacht’.
Mogelijk staan er in Perquins tweede bundel iets te veel opdrachtgedichten, waarin ze iemand specifiek wil toespreken. ‘Het gemak waarmee je leefde nam het leven/ voor je in’, schrijft ze in het gedicht Naverteld. Ze laat een plein spreken, soms komt ze even zingend op gang en geeft dan een glimp van de sterke dichter die ze kan worden als ze vrijer wordt in haar techniekbeheersing. Haar bundels zijn twee zorgvuldige en uitgekiende beheerste stappen. Maar ik denk niet dat haar palet beperkt is. Door haar gedichten schemert enthousiasme en nieuwsgierigheid. Hopelijk is dit de prelude voor daverende, grote sprongen.