Gorters ‹Mei›

Samenkomst van dichter en muze

Gorters ‹Mei› is opnieuw verschenen. De bezorgers gingen uit van de eerste uitgave uit 1889. Honderddertig jaar later bewijst het meesterwerk nog altijd dat hij de grootste is: Gorter, de stralendste naam uit de Nederlandse cultuurgeschiedenis.

Ondanks de hartaanval die hem in Zwitserland had getroffen, besteeg hij, zo neem ik aan, de trein die hem terug naar Nederland zou brengen met een valies vol dromen. Er lag werk dat om daadkracht en verbeelding vroeg. In Duitsland kwam de arbeidersklasse steeds verder in het nauw; eerder dat jaar had hij in Bussum met de radencommunisten vergaderd, maar door woorden liet een uitweg uit de crisis zich niet forceren. Naar de Liedjes zou hij misschien nog eens kijken en tot een nieuwe afronding komen. Vooral moest hij verder met wat zijn levenswerk zou zijn: een groot episch drama over de arbeid. Maar bij het naderen van Brussel Centraal kwam de fatale hartaanval, en op 15 september 1927 gaf hij de geest. Nu is hij 75 jaar «door zijn dood/ gezuiverd van de pijn/ dichter te zijn/ in een verschroeide tijd», zoals Hendrik Marsman naderhand schreef in het gedicht Herman Gorter.

Symbolisme, impressionisme, sensitivisme, spinozisme, socialisme: vijf woorden uit vele waarover men stilte zou willen afroepen als er voortaan wordt gesproken over de exclusieve, lichtgevende poëtische substantie die de naam «Gorter» draagt. Zoals alle grote dichters moet men hem van a tot z lezen en in zijn geheel overdenken, al is het maar om als lezer het punt te bereiken waarop men afrekent met de rubriceringsdrift waarmee literatuurhistorici zijn wonderwerken hebben geschaad. Die schade vertaalt zich vandaag nog in de «mening», uit het woordenboek van pasklare ideeën, dat Gorter de grote dichter van de Verzen uit 1890 is, van wie het jeugdwerk Mei te lang, te vaag en te mythologisch is, en van wie de latere poëzie door naïef socialisme is vertroebeld. Wat een onzin. Een taalgemeenschap kan niets mooiers wensen dan dat in haar midden Gorter opstaat. Alleen daarom al is het prachtig dat uitgeverij Van Oorschot de Mei opnieuw uitgeeft in een serie van nieuwe edities van klassieke werken uit de Nederlandse letteren. Mei is geen jeugdwerk van Gorter, maar een volmaakte invocatie die de ouverture vormt van alles wat nu luistert naar zijn naam.

Wanneer in de Verzen uit 1890 de beroemde regels «De lente komt van ver, ik hoor hem komen» moduleren in «O ik hoor haar komen/ o ik hoor haar komen,/ en ik ben zo bang/ want dit is het sidderend verlang/ dat nu gaat breken», komt Zij eraan die Mei heet in de Mei, dezelfde Zij die kwam in «Zacht kwam ze als jonge sneeuw,/ stille en wiegelend,/ witte zich spiegelend/ in den spiegel der grijze eeuw» waarin het verderop heet: «ze was handgevlam, ze was vuurgelicht,/ ze was brandgekam, ze was uurgelicht,/ ze was brandende diamantsneeuw,/ o ze was toch bewaard». In de «socialistische verzen» uit de derde afdeling van De School der Poëzie is Zij die Mei heet in de Mei de vrouw die de dichter vanuit een nieuwe wereld tegemoet komt, «zoo helder als ik nimmer zag», «zuiver als een glas, alsof ze zoo geboren was». En het bezetenste worshippen van deze witte Zij, leest u gerust The White Goddess, vinden we misschien wel in de vier boeken van Gorters Liedjes, waarin zijn nadering tot de witte veel gedichten als vanzelf een plaats geeft in geschiedenis van de mystieke poëzie: «Opgaan in haar hooge/ Geluk…/ Muziek/ Zonder naam.—»

Geen tweede dichter in onze taal, ook Achterberg niet, heeft in de poëzie zo hartstochtelijk de bron van de poëzie gezocht en benoemd in de verschijningsvormen van een vrouw, de soms als Geliefde aangeduide maar vooral door lichtwoorden belijnde Muze, Zij die Mei heet in de Mei. «Zij» is alles wat Gorter dicht en dichten doet. Het «mysterie van de liefde» noemt hij haar ook wel, of «de geest der muziek der toekomst», al naar het past (en «muziek» is voor Gorter misschien het passendste woord). «Zij» is de enige die in dit universum op gezangen troont.

In Robert Graves’ hyperactieve en dwaaswijze The White Goddess uit 1948, «a historical grammar of poetic myth», had een hoofdstuk gewijd moeten zijn aan Gorters mythische gedicht over de driehoeksrelatie tussen de dichter, Mei en Balder. Ook omdat Balder al een sleutelfiguur was in het even hyperactieve The Golden Bough (1922), James Frazers immense studie over magie, ritueel en religie die op Graves’ werk zo’n invloed had. Volgens Graves bestaat poëzie omwille van de religieuze invocatie van de Muze. En zij ontleent haar waarde (voor dichters én hun gehoor) aan de exaltatie en de verschrikking die de ervaring van Haar aanwezigheid vormen. «The test of a poet’s vision», schrijft Graves, «is the accuracy of his portrayal of The White Goddess.» Waarop een opsomming van haar verschijningsvormen volgt. Daarin lezen we: «As the New Moon or Spring she was a girl.» Daar is ze dus, ons meisje, Gorters kleine Mei, bekend om haar frisse taal en oer-Hollandse natuurevocaties.

Tot het mooiste wat dichters rechtstreeks over de Muze hebben prijsgegeven, reken ik het gesprekje dat Anna Achmatova in een kort gedicht met haar voert. De dichteres wil weten of Zij (inderdaad, die Mei heet in de Mei) dezelfde is die de Hel dicteerde aan Dante. «Ja», luidt het eenvoudige antwoord, en in dit «ja» zijn de exaltatie en de verschrikking die Graves noemt plotseling present. Er strijkt de lezer iets over het gezicht, iets van de duistere gloed en inwitte kou die het raadsel van de poëzie zijn straling geven. U meent misschien dat dat raadsel niet bestaat, of dat het de enige en eigenlijke mythe van de poëzie is — waar na een demasqué niets van rest? Misschien, maar leest of herleest u eerst de Mei voor u zo’n oordeel velt. De dichters zijn de eerste stem niet dichter genaderd dan Gorter.

Hoe ontstaat poëzie? Direct na de pakkende korte openingsstrofe van zijn 4381 regels tellende gedicht schakelt Gorter de Mei in een hogere versnelling, of liever naar een hoger plan: de staat waarin Zij verschijnen kan, het moment waarop mogelijk wordt wat Graves «ware» of «zuivere» poëzie noemt. Altijd is Zij een verschijning uit het niets, en dus is de lezer verrast als na de pittoreske, fluitende jongen langs het grachtje plotseling het antwoord volgt:

Heil, heil, ik voel hier handen en den weeken boog

Van haren arm. Een koepel van blind licht

Mild nevelend omgeeft mijn aangezicht,

Mijn stem brandt in mij als de geele vlam

Van gas in glazen kooi, een eikestam

Breekt uit in twijgen, en jong loover spruit

Naar buiten: Hoort, er gaat een nieuw geluid:

Een jong veldheer staat, in ’t blauw en goud

Roept aan de holle poort een luid heraut.

Deze nieuwe uitgave is voorzien van uitstekende annotaties, analyses en interpretaties (door Enno Endt en Mary Kemperink) maar alle hulp die zij de lezer hier bieden is dat «blind» «blind makend» betekent en met «stem» «dichterschap» wordt bedoeld. Dat laatste lijkt mij onjuist, en de lezer blijft met veel vragen zitten. Van wie zijn die handen en die weke elleboog? Van de Muze, van Mei, van beiden? Waar voelt de dichter die («hier»)? Waar komt die eik vandaan? En die veldheer? Van wat voor holle poort is hier sprake? Wat roept de heraut? Gorter overtuigt, dus de vragen doen ertoe. In de volgende strofe, over hoge versnellingen gesproken, bevindt de lezer zich pardoes op of aan zee en gooit de dichter het roer weer om. Waarmee maar gezegd is dat deze Mei niet zomaar het lichte ding is waar Gorter het graag voor hield.

De Mei is een groot scheppingsgedicht, een creatiemythe van de dichter en zijn Muze (in één van haar verschijningsvormen) en bovenal van hun samenkomst in de taal van de poëzie die wij «Gorter» noemen. Dat is een strikt poëtische taal die zich muzikaal-organisch vormt en ontwikkelt in het spanningsveld tussen de polen van het aardse en puur zintuiglijke, en het zuiver ideële, onstoffelijke en onnoemlijke. De Mei is op een aantal plaatsen precies zo hoogdravend als het hier is geformuleerd, althans in muzikale zin, maar schematiserend is de Mei godzijdank nergens. Wel maakt de gezochte nabijheid van de witte dit lyrische epos tot een even duister als licht gedicht, zoals dat werkt in alle grote poëzie.

Hopelijk zullen komende generaties uit dit gedicht hun kinderen voorlezen. Het Nederlands kan geen groter dienst worden bewezen en kinderpoëzie is het in veel passages óók. Van de Witte Godin hoeft verder niemand last te hebben die zich woorddronken verliest in Gorters vernuftige, zinnelijke en ontroerende taalmuziek over de liefde voor een meisje dat iets onvergankelijkers dan een dichter zoekt. Ik bestrijd Henriëtte Roland Holsts fraaie opvatting dat het «verhaal» van dit labyrintische gedicht «niets anders» is «dan het bloemenveld waarin wij mogen ronddwalen». Gorters gewiekste gebruik van verteltechnieken is ambitieus genoeg: zie het raadselachtige, haast fotografische moment waarop de verteller Mei voor het eerst blijkt te hebben gezien, een moment dat het hele gedicht doet kantelen en verderop wonderlijke echo’s krijgt. Maar met bewondering haal ik de typering uit haar Gorter-monografie aan van de werking van het rijm in de Mei: «Elk woord roept een ander op (…) — en zóó aktief, zóó paraat, zóó snelbewogen is de verbeelding, dat zij uit de gelijkheid van den eindklank dezer woorden onmiddellijk een dier geheimzinnige overeenkomsten der dingen, die beide benoemen, waar het heelal vol van is, — immers alles is in alles, — op het spoor komt.»

Alles: woorden, klanken, gedachtespron gen, beelden — waaronder «Als op een sofa, maar die was er niet,/ Zo dreef ze eerst voort…» — Het is alles in alles een ding om je moeder op je blote knieën voor je moerstaal te danken.

Herman Gorter

Mei. Een gedicht

Bezorgd door Enno Endt en Mary Kemperink (Delta reeks). Uitg. Van Oorschot. 240 blz., € 25