Samenwerken binnen de geesteswetenschappen

Voor een breder perspectief gaan onderzoekers uit verschillende disciplines steeds vaker met elkaar in dialoog. Een spannende ontwikkeling.

Het is een clichébeeld dat aan de geesteswetenschappen kleeft: een verzameling eenpitters die, gezeten achter hun eigen bureau bedolven met papieren, ingewikkelde kwesties proberen te ontrafelen, ieder opgesloten binnen de grenzen van zijn vakgebied. Hoe achterhaald dit is, blijkt eens te meer uit het onderzoek van De Groene. ‘In de afgelopen 25 jaar is de interactie tussen wetenschappers op een verbijsterende schaal gegroeid en het einde is nog niet in zicht’, schrijft Peter Romijn, directeur onderzoek van het Niod. Wetenschappers van verschillende disciplines brengen elkaar op ideeën, inspireren elkaar, werken samen. De trend die naar voren komt uit onze enquête is onmiskenbaar: de verschillende geesteswetenschappen slaan de handen ineen.

Vanuit alle vakgebieden worden voorbeelden aangereikt die Romijns stelling bevestigen. ‘Interdisciplinaire samenwerking en, mede als gevolg daarvan, doorbreking van obsoleet geworden en verstarde kaders en grenzen’, luidt het antwoord van Jaap Goedegebuure, emeritus-hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde, op de vraag ‘wat is de meest veelbelovende ontwikkeling in uw vakgebied?’. Zijn vak, de literatuurgeschiedschrijving, krijgt impulsen vanuit de cultuur- en mentaliteitsgeschiedenis, schrijft hij. Omgekeerd betrekken historici literaire teksten in toenemende mate bij hun bronmateriaal.

Henri Krop, die aan de Erasmus Universiteit onderzoek doet naar de geschiedenis van de filosofie, herinnert zich zijn eigen studie wijsbegeerte waarbij hij college kreeg in keurig opgeknipte thema’s: metafysica, kennisleer en logica, gedoceerd door hoogleraren die hun studie van de wijsbegeerte combineerden met historisch onderzoek. ‘Deze situatie bestaat bij mijn weten in Nederland nergens meer’, aldus Krop. In plaats daarvan zoekt zijn vakgebied aansluiting bij andere historische disciplines, met name de wetenschapsgeschiedenis. Bovendien hebben de filosofen een vergaande interesse ontwikkeld voor receptiegeschiedenis, meldt Krop. Zo wordt in Utrecht niet alleen Descartes, maar ook de geschiedenis van het cartesianisme bestudeerd, terwijl in Rotterdam het spinozisme een belangrijk onderzoeksthema is.

Ook religiewetenschappers weten de weg te vinden naar nieuwe samenwerking. Sinds de onderzoekers niet meer impliciet geacht worden te geloven in een bepaalde leer, zijn de ramen open gegaan, betoogt de Amsterdamse filosoof Wouter Hanegraaff. Zijn discipline richt zich nu op de enorme verscheidenheid van religie in Europa, en loopt van de geschiedenis van de alchemie, via psychologie en filosofie tot aan de rol van religie in de kunst – een waarlijk breed terrein.

‘Zet Finoegrisch, Portugees en Hongaars in een nieuwe context en er komen weer studenten op af’

Sommige onderzoekers leven bij de gratie van de interdisciplinariteit. Maaike Meijer, hoogleraar studies van gender en diversiteit in Maastricht, noemt haar discipline ‘een interdiscipline’. Anneke Smelik, hoogleraar visuele cultuur in Nijmegen, vult aan: ‘Ik heb in mijn loopbaan nieuwe terreinen van interdisciplinair onderzoek binnen de geesteswetenschappen gecombineerd: vrouwenstudies (nu genderstudies); film-, tv-, media-studies; en algemene cultuurwetenschappen (in het Engels cultural studies). Discipline is interdiscipline geworden: de huidige samenleving vraagt om een benadering die over de grenzen van disciplines heen kijkt.’ Smelik noemt interdisciplinariteit een manier om nieuwe generaties te bereiken. ‘We leven in een beeldcultuur en een mediamaatschappij. Dat maakt film-, tv-, media-studies en algemene cultuurwetenschappen onontbeerlijk voor goede duiding van kunst en cultuur.’ gt;

Wat wil je ook? Het primaat van (gedrukte) tekst spreekt niet langer voor zich. De combinatie van tekst met beeld rukt op. Maatschappelijke aspecten worden belangrijker, betoogt Brigitte Adriaensen, die Spaanse literatuur in Nijmegen doceert: ‘De relevantie van literatuurwetenschap an sich, zonder dialoog met andere disciplines zoals cultural studies, filosofie of taalkunde, zal moeilijker te verantwoorden zijn in een maatschappij waar het gedrukte boek aan belang zal moeten inleveren.’

Een spannende ontwikkeling, meent de Utrechtse faculteitshoogleraar (en dichter) Wiljan van den Akker. ‘Samenwerking met onderzoekers van andere, nieuwe media en sociale wetenschappers levert nieuwe vraagstellingen op: wat verstaan jongere generaties onder literatuur? Hoe draagt literatuur bij aan onze identiteit? Hoe ziet ons culturele geheugen eruit en wat zijn bepalende factoren?’ Van den Akker is ronduit positief over de veerkracht – en daarmee de toekomst – van de geesteswetenschappen. Ze ontginnen nieuw gebied, schrijft hij, en dat is een les voor kwakkelende of bedreigde disciplines: ‘Zet Finoegrisch, Portugees en Hongaars in een nieuwe context en er komen weer studenten op af.’

In de kunstgeschiedenis speelt een vergelijkbare trend, meldt Sandra Kisters. Zij doceert moderne en hedendaagse kunst in Utrecht. ‘De beeldende kunst wordt in deze tijd van globalisatie in een steeds breder kader bestudeerd. Kunst ontstaat niet in een vacuüm, gemaakt door een geïsoleerd genie in een eenzaam atelier, maar wordt beïnvloed door de tijd en plaats waar zij wordt gemaakt. Bovendien zijn we door kunstenaars als Ai Weiwei, die actief gebruik maken van het internet, steeds sneller op de hoogte van wat kunstenaars aan de andere kant van de wereld doen.’ Die trend is belangrijk, maar we moeten niet doorslaan, waarschuwt ze. De kunstgeschiedenis moet de eigen kennis goed op peil houden. Ze moet immers mensen opleiden die het culturele erfgoed van Nederland kunnen beheren en ontsluiten. Maar het vak moet ook meegaan met zijn tijd, en bijvoorbeeld nieuwe media toelaten en bestuderen.

Samenwerking met aanpalende alfadisciplines kan al op ieder niveau verbetering brengen, meent de Leidse hoogleraar Turkse talen Erik-Jan Zürcher. In zijn vakgebied is de overgang van solitair naar gezamenlijk onderzoek baanbrekender geweest dan de opkomst van de IT, is zijn stelling. En het ziet ernaar uit dat de onderzoeker in de toekomst nog meer gezelschap krijgt: ict maakt het mogelijk om via crowdsourcing het grote publiek bij onderzoek in te schakelen. ‘De digitale revolutie is in hoge mate een interactieve revolutie’, schrijft Peter Romijn. ‘Dit stelt ons geesteswetenschappers in staat het ontwikkelen en delen van kennis samen te laten vallen, in permanente dialoog met ieder die door de “wil tot weten” is gegrepen: studenten, vakgenoten, geïnteresseerde burgers.’ Het kan niet anders of zo’n permanente dialoog leidt tot een bredere blik.