Profiel: Europa

Samenwerkend Europees Orkest

Het is al vaker geprobeerd, het schaken van Europa. De meest legendarische poging vond plaats in mythische tijden, toen Europa nog een beeldschone, jonge vrouw was. Ze was de enige dochter van Agenor, koning van Sidon, een stad in Phoenicië, het huidige Libanon. Zeus was al tijden verliefd op haar en besloot maar eens wat te ondernemen. Toen op een dag Europa met haar vriendinnetjes op het strand speelde, vermomde de Griekse oppergod zich als een prachtige witte stier. Met zijn krullende hoorns en zachtaardige ogen verleidde hij het meisje. Europa aaide het beest en klom op zijn rug. Dat was het moment waarop Zeus had gewacht. Hij galoppeerde met Europa en al de zee in en zwom naar Kreta. Onderweg, begeleid door Poseidon en al zijn zeeschepselen, werd de mooie Europa gegrepen door angst. Wat moest die stier van haar? Eenmaal op Kreta aangekomen nam Zeus zijn menselijke gedaante weer aan en troonde hij het blozende meisje mee naar een grot. Nu was wel duidelijk wat haar — onvrijwillig — te wachten stond. Het leverde Zeus drie zonen op.

Zouden de Griekse goden de wereld nog aanschouwen vanaf hun Olympos, dan maakten ze zich vast vrolijk. Het lijken wel opgewonden Zeusjes, de hooggeplaatste politici die zich de laatste tijd uitspreken over «de toekomst van Europa»! Maar over welk Europa hebben ze het eigenlijk, de Fischers, Blairs, Schröders en Vedrines? Waarschijnlijk weten zij dat net zo min als hun toehoorders, want Europa is uiteengevallen in vele gedaanten.

Over de jonge deerne die Zeus aanbad gaat het allang niet meer. Het is zelfs niet duidelijk of haar mythische verschijning ook maar iets te maken heeft met de naam van het continent dat tegenwoordig Europa heet. Zelfs Herodotes, de Griekse geschiedschrijver uit de vijfde eeuw voor Christus, wist het niet. Toch leefde hij het dichtst bij de mythische tijden waarin goden nog moeiteloos van gedaante en minnaar wisselden. «Het is geen sterveling gegund de betekenis van Europa te doorgronden», schreef hij.

Van Europa als werelddeel is niet voor iedereen duidelijk waar de grenzen liggen. Dat Atlantische Oceaan en Middellandse Zee een waterscheiding vormen, is duidelijk. En het Oeralgebergte in het oosten, daar kun je ook niet omheen. Maar zak je af vanaf de Oeral, waar ligt dan de grens? Waar wordt Europees Turkije Azië? En hoort de Kaspische Zee nu wel of niet bij het Europese continent?

Het Europa van de regeringsleiders is het Europa van de Unie — een ingewikkeld en log systeem van staten, economieën, instituten en regelingen. Momenteel zijn vijftien nationale staten aangesloten, maar dat worden er veel meer. Vanaf 2005 zullen het er waarschijnlijk twintig zijn, en vanaf 2010 misschien al 25. Uiteindelijk zou de Unie kunnen bestaan uit maar liefst 39 staten (inclusief Moldavië, IJsland en Zwitserland). Het wordt nog een hele toer om met zoveel landen een beleid uit de grond te stampen, want nu al wordt binnen de Unie flink gekibbeld. Van een werkelijk «Europese» opstelling is zelden sprake. Het Europa van de regeringsleiders is eigenlijk niet meer dan een permanent congres van nationale staten.

De leden van de Unie hebben zich de term Europa toegeëigend. Lang viel het gebied van de Unie min of meer samen met de niet-communistische staten van het werelddeel. Inwoners van voormalige Oostblokstaten die (nog) geen deel uitmaken van de EU kunnen daar tot hun ergernis niet omheen. Zeg je «Europa», dan zeg je eigenijk: West-Europa. Maar dat zal veranderen. Want het vage Europa, met zijn ingewikkelde Unie, staat op het punt nóg ongedefinieerder te worden met de toetreding van ex-communistische staten als Polen, Tsjechië, Hongarije en de Baltica.

Onlangs lanceerde de Duitse bondskanselier Gerhardt Schröder een plan dat vele reacties ontlokte. Eigenlijk is dat merkwaardig, want de meeste politieke elementen van het plan zijn oud en afgezaagd. Bovendien heeft het geen enkele betekenis. Dat zit zo. De Europese Unie is maar op één gebied werkelijk effectief, en dat is op het gebied van de economische integratie. Het creëren van een Europese markt met zo min mogelijk obstakels die de geld- en goederenstroom zouden kunnen belemmeren, is van meet af aan een belangrijke doelstelling geweest van de Unie en haar voorganger, de Europese (Economische) Gemeenschap. En dat is gelukt. Tolmuren zijn geslecht, binnengrenzen nagenoeg opgeheven en vanaf volgend jaar wordt ook nog eens in de meeste Uniestaten één munt, de euro, ingevoerd. De voortvarendheid waarmee nationale regeringen in tijden van veeziekte op last van «Europa» hele veestapels over de kling jagen louter om de export van vlees uit de Unie veilig te stellen, spreekt boekdelen.

Welnu, Schröder repte in zijn plan niet van de economie. Hij had het slechts over de politieke inrichting van de Unie. Dan weet je eigenlijk al dat je zijn woorden met een korrel zout moet nemen. Want als hij het al meent, zal zijn plan onhaalbaar zijn. Zijn Europese concurrenten Frankrijk en Groot-Brittannië zullen hem afstraffen. De Europese integratie, gestart in 1947, was vooral bedoeld om nieuwe wereldoorlogen te voorkomen. Dat is gelukt, maar daar staat tegen over dat de machtigste lidstaten in een permanente staat van schemeroorlog verkeren. Niet meer uitgevochten met massavernietigingswapens, maar met paperassen, zinledige voorstellen en peperdure topconferenties.

Schröder zegt dat hij van de EU een hechte federatie wil maken, met op sommige terreinen veel macht voor de nationale regeringen en op andere juist veel macht voor het bestuur van de Unie. Dat bestaat uit de Europese Commissie, de Raad van Ministers en het europarlement. Schröder wil dat de Commissie een krachtige Europese regering wordt die verantwoording schuldig is aan een eveneens sterk Europees Parlement, dat uitgebreid zou moeten worden met een nieuw op te richten senaat, bestaande uit de huidige Raad van Ministers. De senaat zou de nationale belangen van de lidstaten moeten bewaken. Hij is niet de eerste Duitser die dat zegt. Een maand eerder stelde Bondspresident Johannes Rau vrijwel hetzelfde voor, met een pleidooi voor een Europese grondwet en al. En bijna op de kop af een jaar geleden was het minister van Buitenlandse Zaken Joschka Fischer die stevig pleitte voor het oprichten van een federatie van Europese natiestaten als enige manier om te voorkomen dat de Unie onbestuurbaar zou worden met de uitbreiding naar het oosten.

Fischers pleidooi maakte hevige reacties los, vooral in Groot-Brittannië en Frankrijk. De hechte band tussen Frankrijk en Duitsland — aan elkaar gekluisterd uit angst voor elkaars macht — is bekoeld. De Fransen willen de Unie graag domineren, en wantrouwen de Duitsers, van wie ze vermoeden exact hetzelfde na te streven met hun federaliseringsplannen. Mocht Franse dominantie na de Duitse hereniging niet meer mogelijk zijn, dan streeft Parijs toch minstens naar een indamming van de Duitse macht. De Britten willen het liefst zo weinig mogelijk met het Europese gedoe te maken hebben, en houden krampachtig vast aan hun nationale eigenaardigheden. Slechts hun angst volledig geïsoleerd te raken houdt hen bij de Unie betrokken. «De makke van het debat over Europa’s politieke toekomst is dat we, als we niet uitkijken, oeverloos verstrikt raken in institutionele aanpassingen», waarschuwde Tony Blair, die allerminst zin had in toekomstbespiegelingen.

Het is tekenend voor de absolute vaagheid van «Europa» dat zowel Fischer als Blair gelijk kreeg. Op de top in Nice, jongstleden december, brak een enorm kabaal uit toen gepoogd werd de politieke structuur van de Unie zo aan te passen dat die geschikt werd om twaalf nieuwe lidstaten uit Midden- en Oost-Europa op te nemen. De beslissing over de definitieve omvang en samenstelling van de Europese Commissie werd uitgesteld, over de stemmenweging in de Raad van Ministers werd een onbegrijpelijk akkoord bereikt, en de beoogde uitbreiding van de besluitvorming met «gekwalificeerde meerderheid» werd door de grote lidstaten gedwarsboomd. In 2004, zo werd besloten, probeert de EU het nog maar eens, op weer een eurotop. Dat was Blairs gelijk. Maar ook Fischer had het bij het rechte eind. Nice toonde dat de institutionele balans tussen nationaal en Europees belang niet kan werken voor meer dan vijftien lidstaten. Er zullen harde noten gekraakt moeten worden en dat is onmogelijk binnen de huidige politieke constellatie. De Europese regelgeving bestaat uit louter compromis en beslaat zo'n tachtigduizend pagina’s. En als elke staat vasthoudt aan de eis in de eigen taal te vergaderen, dan gaat dat de Unie dagelijks miljoenen euro’s kosten.

In de loop der eeuwen heeft Europa geleerd dat het van levensbelang is te voorkomen dat een van haar staten de rest probeert te overheersen. Maar Napoleon Bonaparte, Bismarck en Hitler hebben Europa nóg iets geleerd: er moet ten koste van alles samengewerkt worden, met name op economisch gebied. Hoe hevig de Europese Unie ook met haar identiteit worstelt, ze heeft die dubbele geschiedenisles ter harte genomen. Het gesteggel over de toekomst van de Unie, over federalisme versus een los verband van nationale staten, is in feite een voortzetting van de machtsstrijd die Europa in de greep had nadat Napoleon was verslagen. Er was toen sprake van een «Europees Concert». Zonder enige inbreng van hun burgers verdeelden de leiders der machtigste staten tijdens internationale conferenties elkaars invloedssferen en tastten ze hun machtsaspiratie af. De machtsbalans was gegarandeerd, maar van enige welwillendheid, laat staan van internationale samenwerking, was geen sprake zodat nieuwe oorlogen niet konden uitblijven. De huidige Europese Unie lijkt op dat Europese Concert. Alleen is het meer een samenwerkend «Europees Orkest» geworden, dat permanent optreedt, maar zo nu en dan struikelt over wie de eerste viool mag spelen en wie dirigeert.

Ook wat betreft democratisch gehalte heeft de Unie iets weg van het Ancien Regime. Van een duidelijke scheiding der machten is geen sprake, aangezien zowel de Europese Commissie als de Raad van Ministers en het parlement wetgevende bevoegdheden hebben. Bovendien zijn de nationale bevolkingen nauwelijks geïnteresseerd in het wedervaren van de Unie, zo tonen de kelderende opkomstcijfers tijdens Europese verkiezingen.

Het Europa waar de nationale regerings leiders aan trekken is allang niet meer de betoverende jonge schoonheid waar Zeus mee wegzwom. Het is veeleer de afzichtelijke kruising tussen een economische reus en een politieke dwerg. Pogingen om dat te veranderen zijn gedoemd te mislukken. En waarom zou men ook? Te vaak vallen nationaal en Europees belang niet samen. Met behoud van haar enorme verscheidenheid aan belangen, tradities en nationaliteiten kan Europa, of de EU, nooit uitgroeien tot een echte wereldmacht. De Franse en Duitse leiders, voortrekkers van het Europese toekomst debat, wéten dat. Als zij roepen dat de ontwikkeling van Europa naar een «einddoel» gestuurd moet, dat de Unie een «federatie» moet worden of juist een «verbond van naties» moet blijven, herhalen ze de Griekse mythe. Ze overweldigen en ontvoeren de schone Europa om haar net als Zeus te kunnen domineren en aan hun eigen, nationale gerief te komen.