Sammelkonto

‘IK BEN PISSIG en verontwaardigd. De naoorlogse schadeloosstelling van de joden door de overheid is helemáál niet correct verlopen. Ik kan dat aantonen. En hoe haalt het Riod het in het hoofd om te stellen dat er maar één miljard van de joden is geroofd? Zijn ze uitgegaan van de dumpprijzen die opkopers voor joods bezit betaalden?’

Professor Isaac Lipschits, emeritus hoogleraar eigentijdse geschiedenis, is slecht te spreken over het uitgelekte rapport van Riod’s roof- en recuperatiespecialist Gerard Aalders. De commissie-Van Kemenade had het instituut gevraagd om een nota over geroofde joodse tegoeden. Het rapport zou onderdeel uitmaken van de eindrapportage van de commissie (naar verwachting eind december) en is daarom vertrouwelijk. De conclusies van het Riod dat de teruggave van joods eigendom ‘redelijk correct’ is verlopen en dat de joden voor zo'n 85 tot 90 procent zijn gecompenseerd, stuiten op verzet in joodse kringen. Bovendien zou de 1 miljard aan geroofde goederen - rond de 14 miljard naar het huidige prijsniveau - veel te laag zijn ingeschat.
LIPSCHITS HEEFT de laatste tijd enkele belangwekkende documenten opgespoord. Zo vond hij afschriften van Liro-kaarten, opgesteld vlak na de oorlog door de LVVS - de liquiditeurs van de roofbank Lippmann-Rosenthal. Lipschits somt op: ’“Een gouden damespolshorloge voor 10,50; een zilveren herenhorloge voor 1,40; een platina ring voor 7,54; een paar zilveren manchetknopen voor 1,51; twee zilveren theelepeltjes voor 0,24. ” Enzovoorts. Dat zijn fancy bedragen die niet in verhouding staan tot de werkelijke waarde van dit soort goederen. Ook niet omgerekend naar de huidige prijzen.’ Op dergelijke helersprijzen berust volgens hem wel de veel te lage Riod-schatting van een miljard aan geroofd goed.
Ook het compensatiepercentage van 85 tot 90 procent kan volgens Lipschits onmogelijk kloppen. Pas in de jaren zestig besloot de West-Duitse regering mee te werken aan het betalen van schadevergoedingen aan Nederlandse joden. Joden konden hun claims indienen bij het Centraal Afwikkelingsbureau Duitse Schadeuitkeringen (CADSU), dat werd bemand door ambtenaren van het Nederlandse ministerie van Financiën. De claims werden onderverdeeld in verschillende categorieën, onder meer voor meubels, sieraden en effecten.
Voor de bij de Lippmann-Rosenthal-bank ingeleverde 'voorwerpen van waarde’ waren er de zogeheten L-claims (Liro-claims). Het aantal door Duitsland toegewezen L-claims bedroeg nog geen 58 procent van het aantal 'goederen-crediteuren’: het aantal joden waarvan bekend was dat ze goud, zilver, juwelen, schilderijen en andere kostbaarheden bij de roofbank hadden ingeleverd. Bovendien werd per goedgekeurde claim maar tachtig procent van de schade vergoed, omdat de West-Duitse regering ervan uitging dat twintig procent van het geroofde goed was terechtgekomen bij opkopers in Wenen, Oost-Duitsland en Nederland.
Niet alles van de bij Liro ingeleverde goederen werd overigens beschouwd als 'voorwerpen van waarde’. Duizenden goederen als fototoestellen, vulpennen, koffers en leren tassen (de lijst is makkelijk uit te breiden) werden door Liro verkocht aan Nederlandse opkopers (Adoc, Lorjé en anderen) en aan het Liro-personeel zelf, zonder dat daarvoor ooit één cent schadevergoeding werd betaald.
DE NEDERLANDSE JODEN betaalden hun ondergang in feite zelf, zoals al langer bekend is. In 1938, na de Kristallnacht, werd op kosten van de joodse gemeenschap het kamp Westerbork ingericht om joodse vluchtelingen uit Duitsland op te vangen. Toen na de bezetting de deportaties begonnen, fungeerde Westerbork weer als opvangplaats - ditmaal als laatste halte voor de vernietigingskampen. Net als het concentratiekamp Vught werd Westerbork vanaf dat moment betaald uit de tegoeden die de joden op last van de nazi’s hadden moeten onderbrengen bij de Liro. En vanuit het Sammelkonto waarop alle rekeningen waren samengeveegd, werden ook dienstverleners als de Nederlandse Spoorwegen en het vervoersbedrijf van de gemeente Amsterdam betaald, die het vervoer in tram en trein richting Duitsland verzorgden.
De kampen kostten de joden bij elkaar zo'n 26 miljoen. Na de oorlog betaalde de Nederlandse overheid zes miljoen gulden aan de joodse gemeenschap voor de kampen.
Na de oorlog betaalden de joden opnieuw. Dit keer voor de afwikkeling van de schade-uitkeringen en de liquidatie van de roofinstellingen. Na de oorlog verklaarde de regering de Liro-bank en de VVRA (Vermögensverwaltungs- und Renten Anstalt, de instantie die het totale Judenvermögen beheerde) tot 'vijandelijke onderdanen’. Daarmee werd ook het joodse vermogen dat deze instellingen nog bezaten, tot vijandelijk bezit. Zo konden met gerust hart de liquidatiekosten uit het vermogen zelf betaald worden. Dat kostte de beroofde joden iets meer dan een miljoen voor de VVRA en het onwaarschijnlijk hoge bedrag van bijna twaalf miljoen gulden (in deze tijd betekent dat een bedrag van rond de 100 miljoen) voor de Liro-bank, waarvan de liquidatie elf jaar duurde.
Ook de kosten van het uitgebreide CADSU-apparaat werden betaald uit geld dat de beroofde joden behoorde toe te komen. Uit het CADSU-eindverslag (1966): 'Van de aanvang af werd derhalve bepaald, dat de kosten van het CADSU niet ten laste van de Rijksbegroting mochten komen, doch geheel goedgemaakt zouden moeten worden door bijdragen van belanghebbenden zelf.’ Dat betekende dat wie een L-claim gehonoreerd zag, vijftien procent van het bedrag moest afstaan om de administratiekosten te dekken.
De overheid bespaarde tonnen op het personeel van het Centraal Afwikkelingsbureau. Het eindrapport signaleert het voordeel 'dat zonder enige financiële consequentie voor het Rijk enige tientallen ambtenaren aan het werk konden worden gehouden, die anders ten laste van het Rijk op wachtgeld gezet hadden moeten worden’. Het CADSU was zo opgezet dat het de Nederlandse overheid geen cent kostte - het ziet er zelfs naar uit dat ze fors verdiende op de bedragen die aan beroofde joden werden betaald. Aangezien de meeste joodse families gedecimeerd uit de oorlog waren gekomen, werden de West-Duitse schadevergoedingen grotendeels als erfenis uitbetaald aan verre nabestaanden. Zo konden fikse successierechten in rekening worden gebracht. Dat moet een gigantisch hoog bedrag hebben opgeleverd. Het eindverslag van het CADSU meldt dat de West-Duitse regering voor de materiële schadevergoeding een bedrag verstrekt van DM 230.557.071,65.
Het was niet de eerste keer dat het Rijk geld verdiende aan de shoah. In 1943 sloot het ministerie van Financiën een lucratieve belastingdeal met de nazi’s. Tot eind 1942 waren de joden belastingplichtig aan de Nederlandse overheid; belasting die werd betaald door de Liro-bank, die immers het 'beheer’ voerde over de joodse tegoeden. Toen op last van de Duitsers de joodse belastingbetaling werd stopgezet, protesteerde het ministerie van Financiën: nog lang niet alle belastingaanslagen van joden over 1941 en 1942 waren betaald. Op aandrang van het ministerie maakte de Liro-bank in 1943 alsnog acht miljoen gulden over. Na de oorlog is daarvan volgens het LVVS-eindrapport in 1952 tweeënhalf miljoen gulden teruggestort. Rest dus nog een bedrag van 5,5 miljoen gulden. De huidige waarde daarvan moet omgerekend meer dan 70 miljoen zijn.
HET MINISTERIE VAN Financiën bevestigt desgevraagd de deal van acht miljoen, maar geeft verder geen commentaar. Men verwijst naar de commissie onder leiding van oud-voorzitter van de Rekenkamer F. Kordes, die onder meer de belastingbetaling door joden tijdens de oorlog onderzoekt.
Klopt het, mijnheer Kordes, dat Financiën na de oorlog maar 2,5 van de 8 miljoen heeft teruggestort in de LVVS-kas?
'Ik kan natuurlijk niet vooruitlopen op de inhoud en de conclusies van onze eindrapportage. Die komen in december. Maar ik ken de cijfers die u noemt. We zijn ermee bezig.’
Kunt u zeggen of de resterende vijfenhalf miljoen ooit is terugbetaald?
'Dat is niet gebeurd. Maar u moet goed begrijpen dat het hier gaat om wettelijk verschuldigde belasting. Waarom zou dat moeten worden terugbetaald?’
Misschien omdat het tamelijk grof is dat joden moesten betalen voor overheidsdiensten als het stempelen van een J in hun persoonsbewijs, politiebezoek aan huis en de marechausseebewaking van Westerbork en Vught?
'Ik geef toe, dit onderwerp ligt nogal gevoelig. Nogmaals, we zijn het aan het onderzoeken. Maar vergeet niet dat de afdracht van belasting door de Liro-bank aan het ministerie van Financiën gebeurde in overleg met de belastingplichtigen.’ 'IK DENK DAT mijnheer Kordes zich vergist’, zegt professor Lipschits. 'Het overgrote deel van de joden was in 1943 al gedeporteerd en vergast.’ Volgens Lipschits is de belastingbetaling niet alleen onbehoorlijk, maar bovendien onrechtmatig. Na de oprichting van de Joodsche Raad in 1941 moesten diensten die normaal gesproken door de overheid werden georganiseerd en gefinancierd, door de joodse gemeenschap zelf worden betaald. 'De Joodsche Raad hief belasting voor zaken als armenzorg en onderwijs. Ik zie niet in waarom joden dubbel belasting zouden moeten betalen. Ik weet niet of het zin heeft dat geld terug te betalen, maar hopelijk neemt Kordes in zijn eindrapportage op dat de overheid fout heeft gehandeld.’
Veel vertrouwen heeft Lipschits overigens niet in de roedel overheidscommissies die de roof van joods bezit onderzoekt. Lipschits: 'Er zijn vier commissies die zich allemaal bezighouden met een deelaspect van de roof. Het onderzoek is te verbrokkeld. En er is nogal wat archiefmateriaal vernietigd, dus echt inzicht in wat er mis is gegaan, blijft op deze manier uit.’
Kortgeleden vond Isaac Lipschits bij het Algemeen Rijksarchief 224 lijsten met daarop gegevens over een deel van de L-claims. Het betreft een opsomming van de gestolen juwelen, gouden en zilveren voorwerpen. Bij de lijsten horen dossiers, waarvan het CADSU er meer dan tienduizend heeft aangelegd. Elk dossier vertelde het verhaal van indiening tot uitbetaling, afwijzing of intrekking. Op het Rijksarchief zijn er slechts vijf bewaard, als voorbeeld. Op het Agentschap van Financiën zijn mogelijk nog twintig dossiers van moeilijk oplosbare claims aanwezig. De overige zijn vernietigd in 1986, op last van Financiën, met toestemming van de Rijksarchivaris.
'Heel jammer’, meent H. van Schie, de archivaris die zich op het Algemeen Rijksarchief bezighoudt met het in kaart brengen van bruikbare archieven voor de roofcommissies. 'Maar het is niet anders. De normale gang van archieven is dat ze vernietigd worden. Natuurlijk was dat in 1986 niet gebeurd als was voorzien dat ze nog nodig zouden zijn voor onderzoek.’ Het vervelende is, volgens Van Schie, dat nu moeilijk na te gaan is hoeveel geld precies per gehonoreerde claim is uitbetaald.
Wel is bekend welke L-claims zijn doorgezonden naar Duitsland en welke zijn afgewezen. Dat is met een kleurencode aangegeven in een 'telefoonboek’ dat wordt bewaard op het Agentschap van het ministerie van Financiën. Daarin staan 13.616 namen van Liro-rekeninghouders van wie 'voorwerpen van waarde’ zijn verkocht.
Naast de 224 L-lijsten en de LVVS-rekeningafschriften heeft Lipschits recentelijk de hand weten te leggen op de Puttkammerlijst (een lijst van bij de Duitsers ingeleverde sieraden, waarmee joden hoopten uitstel van deportatie te krijgen) en op 89 lijsten met geroofde schilderijen voorzien van een beschrijving met daarop de namen van kopers en schilders (Rembrandt, Breitner, Jacob en Isaac Israëls, Van Ostade, Gerard Dou enzovoort).
HET KABINET HEEFT Riod-directeur Blom gevraagd een plan op te stellen voor een met zes miljoen gulden te subsidiëren onderzoek naar de terugkeer en opvang van oorlogsvervolgden, met name de weinige joden die de shoah hebben overleefd. Hiervoor is een afzonderlijke stichting opgericht: de Stichting Onderzoek Terugkeer en Opvang (Soto).
Lipschits: 'De Soto heeft wel erg nauwe banden met het Riod. De onderzoekers huizen in het Riod-gebouw, Riod-directeur Blom zit in het stichtingsbestuur en speelt in het Soto-onderzoek een leidende rol. Als het Riod nu al in een nota voor de commissie-Van Kemenade zegt dat de Nederlandse overheid de teruggave van joodse eigendommen “redelijk correct” heeft behandeld, dan heb ik niet zoveel vertrouwen in de uitslag van het Soto-onderzoek.’