22 februari 1922 -3 juni 2011

Sammy Ofer

Sammy Ofer, de rijkste man van Israël, had machtige vrienden. Zijn geschiedenis staat model voor het land.

ALS JE WILT begrijpen hoe Israël werkt, moet je begrijpen hoe de familie Ofer werkt. Hoe kon het bedrijfje van Sammy Ofer in een paar decennia zo hard groeien? Hoe werd hij de rijkste man van Israël? Hoe zit het met de connecties tussen Ofer en belangrijke politici en zakenlieden? Documentairemaker Mickey Rosenthal vraagt het zich af en begint in 2004 aan het onderzoek voor zijn film The Shakshuka System. Hij graaft in documenten, interviewt politici, zoekt feiten op over banden en belangen van de Ofer-groep. De vraag: is het niet opvallend dat al die afgezwaaide politici na hun vertrek uit de regering onmiddellijk ingehuurd worden door dezelfde bedrijven aan wie ze de Israëlische kroonjuwelen hebben verkocht? Niet veel mensen willen met Rosenthal praten.
Uiteraard probeert Rosenthal in contact te komen met Sammy Ofer zelf. Hij legt zijn pogingen vast, op de manier waarop Michael Moore in Roger and Me achter de CEO van General Motors aan zit. Maar terwijl Moore tenslotte rond de tafel zit met Roger Smith krijgt Rosenthal Sammy Ofer nooit te spreken. Ofer spreekt nooit met de pers, is notoir publiciteitsschuw, woont het liefst in Monaco, bestuurt vanuit het belastingparadijs zijn wereldwijde imperium. En een nog veelzeggender verschil met General Motors: de Ofer-groep doet alles om Rosenthal het werken onmogelijk te maken.
De televisiezender die de film zou vertonen haakt het eerste af, na druk van de familie Ofer. Andere zenders willen hun vingers er niet aan branden. De Ofer-groep dreigt Rosenthal met een rechtszaak. Uiteindelijk koopt de Ofer-groep domweg de televisiezender waar Rosenthal parttime voor werkt. Aan het eind van de film is hij werkloos geworden. De boodschap is duidelijk: de connecties tussen een paar grote familiebedrijven en de Israëlische politiek hoeven niet blootgelegd te worden. Jammer, want ze vertellen voor een deel het verhaal van de razendsnelle opbouw van een land na 1948.
Sammy Ofers echte naam is Shmuel Hershkowitz, typisch Oost-Europees. Hij wordt in 1922 geboren in Roemenië. Zijn vader Josef raakt bevangen door het zionistische ideaal, in 1924 neemt hij zijn gezin mee naar het beloofde land. Ze belanden in Haifa, een noordelijke havenstad. Josef begint in 1930 een bedrijfje in scheepsaccessoires, Sammy werkt in de haven.
In de oorlog wordt Sammy opgeroepen door de Britse marine en dient hij aan boord van een mijnenveger. Na de oorlog gaat hij werken in het bedrijf van zijn vader, tot in 1948 de onafhankelijkheidsoorlog uitbreekt. Ofer zit bij de Israëlische marine, als officier. Maar zijn echte carrière, en die van zijn bedrijf, begint als hij in 1956 samen met zijn broer Yehuda een boot koopt. Hij noemt hem de Eyal, naar zijn zoon, typerend voor de sterke familiebanden waarop het bedrijf tot dan toe is gebaseerd. Vanaf dat moment begint het snel te groeien: er komen boten bij, logistiek en reikwijdte worden uitgebreid, er volgt een fusie met het nationale scheepsbedrijf Zim en in de jaren tachtig worden nog veel grotere tankers gekocht en een poot opgericht voor cruiseschepen. En misschien nog belangrijker zijn alle takken die er langzaam onder de holding groeien: banken, chemie, semiconductors, olieraffinaderij.
Shmuel uit Roemenië is een magnaat geworden, met afgelopen jaar een door Forbes geschat persoonlijk vermogen van vijf miljard euro. Hoe? Door betrouwbaar, slim en ondernemend te zijn, zegt de familie zelf. Door gebruik te maken van vrienden, zeggen critici. Zeker is dat Ofer vrienden heeft in hoge regionen - op zijn begrafenis verschenen naast de complete Israëlische zakenwereld onder anderen oud-premier Olmert, de burgemeester van Tel Aviv, de huidige vice-premier en de top van de marine. Zeker is ook dat één raffinaderij via een te lage waardering werd verkregen, dat er tax breaks zijn verleend en dat de exploitatie van de Dode Zee-mijnen de staat (eigenaar) bijzonder weinig oplevert. Maar de Ofer-groep ontkent alles.
Net als de laatste affaire, waar Sammy Ofer kort voor zijn dood mee werd geconfronteerd: de Ofer-groep zou een tanker verkocht hebben aan Iran, schepen hebben aangelegd in Iraanse havens en dus de sancties hebben geschonden. Aldus het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken. Zijn imago en het gedoe over zijn banden met politici zat Sammy Ofer al dwars, maar de suggestie dat hij sancties tegen Iran, de Angstgegner van Israël, zou hebben geschonden, moet echt pijn hebben gedaan. Boven alles was Ofer een zionist, net als zijn vader. Hij zag dat ‘niet als een ideaal, maar als een oproep tot actie’, zei zijn zoon bij de begrafenis. Hij woonde misschien niet permanent in Israël, maar wilde graag erkenning. En dus doneerde hij ruim aan de marine, aan ziekenhuizen, aan sociale instellingen. Een modelzionist werd hij zelfs genoemd.
De Ofer-groep ontkent iets verkeerd te hebben gedaan. En al snel komen (anonieme) verklaringen dat het 'in het belang van de staat Israël’ was, die tanker aan Iran. En vervolgens verklaart de ex-baas van de Mossad publiekelijk dat het allemaal overtrokken is, die aanklacht tegen de Ofer-groep. Met als gevolg dat de vermoedens over banden met het militaire en politieke establishment alleen maar sterker worden. Ofer zelf is op dat moment al ernstig ziek, hij overlijdt in Tel Aviv op 89-jarige leeftijd.
En Rosenthal? Zijn film komt in 2008, na anderhalf jaar leuren, toch uit. Juist de rechtszaak van de Ofer-groep tegen de film zorgt voor publiciteit. De film trekt tienduizenden bezoekers en zorgt voor veel discussie. Die openheid en reactie zeggen ook veel over Israël.