25 januari 1921 - 28 november 2010

Samuel Theodore Cohen

‘Als het vechten voorbij is, staat de wereld nog overeind’, zei Samuel Cohen over zijn uitvinding de neutronenbom. Van pacifisten kreeg hij hoon, van de paus een vredesmedaille.

OM DE ZOVEEL TIJD brengen de media een - doorgaans klein - bericht waaruit blijkt dat deze of gene commandant tijdens de Koude Oorlog ‘heeft overwogen kernwapens in te zetten’. We weten dat Douglas MacArthur, de Amerikaanse opperbevelhebber in de eerste fase van de Korea-oorlog, met die gedachte speelde toen China zich met het conflict ging bemoeien. President Truman vond dat geen aanvaardbaar spelletje en ontsloeg de vijfsterrengeneraal per kerende veldpost.
We weten ook dat Russische commandanten hardop over de mogelijke inzet van atoomwapens spraken tijdens het Chinees-Russische grensconflict van 1969. En wederom, zij het minder openlijk, tijdens de mislukte Russische 'broederhulp’ aan Afghanistan in de jaren tachtig. Ook al is zulk nieuws verjaard, toch heeft het een sinistere bijklank, alsof de betrokkenen blootstonden aan een bodemloos kwaad waarvan zij door verstandiger, moreel hoogstaander medemensen moesten worden afgehouden. Meestal waren het echter geen morele, maar praktische overwegingen die hen ervan afhielden.
Leken op militair gebied kunnen of willen vaak niet aanvaarden dat het gebruik van nucleaire wapens een serieuze strategische optie kan zijn en niet slechts een allerlaatste redmiddel. De politieke en psychologische drempel voor hun gebruik is zo groot dat zelfs het spreken erover in het openbaar een politiek taboe is. De theorievorming wordt toevertrouwd aan experts die door de buitenwacht worden gewantrouwd omdat zij het ondenkbare denken. Een gezaghebbend boek over de Amerikaanse afschrikkingstheoretici tijdens de Koude Oorlog draagt de veelzeggende titel De tovenaars van Armageddon.
Tot dit versmade gilde behoorde Samuel Cohen, zoon van Oostenrijkse immigranten in New York en bekend als 'uitvinder’ van de neutronenbom. Hij beantwoordde zelfs geheel aan het stereotype van de nucleaire tovenaar: als jongetje zo ziekelijk dat zijn moeder hem op een streng dieet zette en hem ongeveer alles verbood wat bij zijn leeftijd hoorde, als student natuurkunde briljant, in zijn latere leven als militair theoreticus zo krijgshaftig dat hij de verdenking op zich laadde zijn lichamelijke zwakheid te willen compenseren met extra robuuste opvattingen.
Cohen werd in 1943 opgeroepen voor militaire dienst en meteen doorgestuurd naar het Massachusetts Institute of Technology en vandaar naar het Manhattan Project in Los Alamos, waar hij onder leiding van Robert Oppenheimer onder meer de neutronendichtheid van Fat Man, de eerste atoombom, berekende. Na de oorlog trad Cohen in dienst bij de Rand Corporation, de belangrijkste Amerikaanse strategische denktank, waar hij de rest van zijn werkzame leven zou doorbrengen.
Tijdens een bezoek aan enige verwoeste steden in Zuid-Korea in 1951 kwam hij op het idee dat een 'klein’ atomair wapen de strijd eerder zou kunnen beslechten en zodoende het oorlogsleed zou kunnen bekorten. Met behulp van de rekenliniaal die hij op zijn vijftiende van zijn vader cadeau had gekregen, berekende Cohen alle denkbare mogelijkheden. In 1958 had hij de blauwdruk voor zo'n beperkt atoomwapen klaar. Het neutronenwapen is een soort granaat waarmee de gelijknamige subatomaire deeltjes op hoge snelheid worden verspreid zodat ze door gebouwen, tanks en zelfs bunkers dringen en de inzittenden doden terwijl de hun omringende infrastructuur intact blijft. De schok- en hittegolf zijn veel minder dan bij een echte atoombom en het wapen laat ook nauwelijks straling achter in het getroffen gebied, zodat het meteen door bevriende troepen kan worden ingenomen.
De neutronenbom werd door pacifisten afgeschilderd als een perfide bedenksel van het militair-industrieel complex dat de atoomdood alleen maar dichterbij kon brengen. Veel militairen maakten er ook bezwaar tegen omdat het de drempel tussen conventionele en nucleaire oorlogvoering zou verlagen. De Russische premier Nikita Chroesjtsjov, jaloers op het nieuwe Amerikaanse speeltje, beriep zich zelfs op een warrige variant van de marxistische meerwaardetheorie om tegen Cohens spelbederf te protesteren: hij noemde de neutronenbom 'het kapitalistische wapen bij uitstek omdat het een man op zo'n manier doodt dat zijn uniform niet met bloed wordt bevlekt zodat men zich zijn uniform kan toe-eigenen’.
Zelf vond Cohen zijn geesteskind 'verstandig’ en 'moreel’ want, zo zei hij nog kort voor zijn dood in een interview: 'Het is het enige atoomwapen in de geschiedenis dat zinvol is tijdens een oorlog. Als het vechten voorbij is, staat de wereld nog overeind.’ Hij leurde echter tevergeefs met zijn vondst bij vier opeenvolgende presidenten. Pas bij Ronald Reagan kreeg hij gehoor; deze gaf opdracht om zevenhonderd neutronenkoppen op granaten en vliegtuigbommen te monteren. Tegen die tijd hadden Russen, Fransen en Israëliërs al een eigen versie van de neutronenbom ontwikkeld en in hun arsenalen opgenomen en was het strategisch nieuwtje er dus af. Bovendien weigerden veel Europese landen het wapen te stationeren op hun grondgebied. Reagans opvolger George Bush senior liet de voorraad zelfs ontmantelen.
Cohen ontving nog in 1999 de pauselijke vredesmedaille voor zijn uitvinding. Paus Johannes Paulus I was Reagans grote bondgenoot in de strijd tegen het Russische imperialisme geweest en beschouwde zichzelf als een van de rechtmatige overwinnaars van de Koude Oorlog. Het blijft niettemin verwonderlijk dat de Heilige Vader zo ingenomen was met een wapen dat Alfred Nobel in zijn beste jaren zou hebben doen watertanden.