Samuel Willenberg (16 februari 1923 – 19 februari 2016)

Hij was de laatste overlevende van het vernietigingskamp Treblinka. Hij goot zijn herinneringen in brons, tijdens een leven dat onwaarschijnlijk lang was, gezien zijn afkomst en de extreme omstandigheden.

Samuel (Szmuel) Willenberg heeft 93 jaar geleefd. Dat is een wonder. Hij leefde in een tijd en een plaats die de kans op een onnatuurlijke, vroegtijdige dood maximaliseerden. Zo meldt hij zich in september 1939 bij het leger, als zestienjarige, om te vechten tegen de Duitsers. Die zijn Polen een dag eerder binnengevallen. Nog geen drie weken later valt de Sovjet-Unie het land in de rug aan. Het Rode Leger neemt de jonge Willenberg gevangen, hij is in het gevecht gewond geraakt. Poolse krijgsgevangenen worden gedeporteerd of geëxecuteerd. Niet Willenberg. Hij ontsnapt uit het militaire ziekenhuis.

De tiener vertrekt naar zijn ouders in het Zuid-Poolse Opatow. Zijn vader Perec decoreert er de muren van een synagoge. Zijn moeder is als christen geboren, maar bekeerde zich na haar huwelijk tot het jodendom. In oktober 1942 stellen de Duitsers Willenberg op transport naar het vernietigingskamp Treblinka, in een trein met 6500 anderen.

De trein doet drie dagen over de rit van driehonderd kilometer. De op elkaar gepakte passagiers krijgen eten noch drinken. Zij die levend aankomen, gaan bij aankomst direct door naar de gaskamer, voor een ‘douche’. Op één jongen na, Willenberg. Op advies van een gevangene die hem uit de trein helpt, beweert hij metselaar te zijn, waarna de Duitsers hem uit de groep halen. Hij gaat deel uitmaken van een groepje gevangenen wier taak het is kleren en spullen te sorteren van vergaste gevangenen. Dat doet hij 287 dagen lang. Dan komt hij in opstand, op 2 augustus 1942, samen met de rest van de gevangenen die gedwongen aan de lopende band van de Duitse moordmachine staan.

Het is een hete maandag en zo’n twintig Duitsers en veertig Oekraïense kampbewakers zijn naar de rivier om te zwemmen. Gevangenen hebben de sleutel van het wapendepot gekopieerd. Met geweren en granaten vermoorden ze zo veel mogelijk SS’ers, om zichzelf de kans te geven te ontsnappen. Zo’n tweehonderd gevangenen lukt het om, tussen mitrailleursalvo’s door, over de omheining te klimmen. Willenberg moet klimmen over lijken die in het prikkeldraad hangen.

De Duitsers zetten een klopjacht in, met hulp van troepen uit omliggende dorpen en stadjes. Ongeveer de helft van de ontsnapte gevangenen wordt achterhaald. De Duitsers schieten hen meteen dood. Zo’n dertig tot veertig komen in de maanden daarop om, meestal door verraad van Poolse boeren.

Willenberg ontkomt en weet Warschau te bereiken, waar hij zich aansluit bij het gewapend verzet. In augustus 1944 vecht hij mee met de opstand van Warschau, de grootste operatie van een verzetsleger in de Tweede Wereldoorlog. In straatgevechten vinden zo’n negenduizend Duitsers de dood en zo’n vijftienduizend opstandelingen. Tussen de 160.000 en 220.000 burgers sterven, de meeste in massa-executies, of door de granaten die Duitsers – en hun Oekraïense helpers – in schuilkelders werpen.

Willenberg verlaat de stad met de overgebleven burgerbevolking. Hij ontsnapt uit een gevangenentrein en tot de komst van de Russen houdt hij zich schuil in de bossen rond Blonie. Na de oorlog is hij een van de 67 mensen van wie bekend is dat ze Treblinka hebben overleefd – 0,01 procent van de 870.000 voornamelijk Poolse joden die er zijn binnengevoerd.

De Duitsers zouden hun zin niet krijgen

Hij sluit zich aan bij het communistische Poolse leger. In 1950, als de stalinisten de macht in Polen stevig in handen hebben, emigreert hij naar Israël. Hij zal er nog 66 jaar leven. Hij schrijft er zijn memoires (Opstand in Treblinka) en na zijn pensionering wordt hij kunstenaar.

Zijn bronzen beelden tonen mensen en situaties die hij zich herinnert, altijd uit Treblinka. In 2008 krijgt hij de opdracht een monument te ontwerpen ter herinnering aan de moord op veertigduizend joden uit het getto van Czestochowa, de stad waar hij werd geboren.

Wellicht heeft de kunst hem op de been gehouden in de laatste decennia van zijn leven, want hij is een natuurlijke dood gestorven, als laatste van de Treblinka-overlevers.

Niet alle 67 overlevers was dat lot gegund. Neem de enige Tsjech onder hen, Richard Glazer. Hij leed aan schuldgevoelens over zijn door de nazi’s afgedwongen medeplichtigheid aan de massamoord. Op 77-jarige leeftijd sprong hij uit het raam.

Wie alles heeft overleefd, moet ook nog een manier vinden om te leven met de door de nazi’s opgedrongen afschrikwekkende ervaringen, beelden en herinneringen. Samuel Willenberg verbeeldde en verwoordde ze, in talloze bronzen beelden, in interviews en lezingen.

Vijf jaar geleden vertelde hij over zijn beelden. Zoals dat van een man, een gevangene, die een kinderwagen duwt. Er zit geen kind in. Wat er wel in zit, is niet direct duidelijk. Willenberg: ‘Voor de oorlog was er geen plastic, dus iedereen had glazen flessen om bijvoorbeeld medicijnen in mee te nemen. Na een paar maanden beseften de Duitsers dat je glas wel kunt begraven, maar dat het duizenden jaren goed blijft. Foute boel, want ze wilden niet dat iemand ooit duizenden flessen in de grond zou vinden. Hun misdaad moest geheim blijven. En dus stelden ze het zogenoemde Flaschensortierungkommando aan dat de flessen moest sorteren. Deze gevangenen werden uitgerust met kinderwagens van vermoorde baby’s om met de flessen te slepen.’

Maakte Willenberg deze beelden om beter met de herinneringen te kunnen omgaan? Nee, zei hij, hij maakte ze ‘ter documentatie’. De Duitsers zouden hun zin niet krijgen: zo veel mogelijk mensen moesten weten van hun misdaden. Zijn werk is niet therapeutisch: ‘Als ik klaar ben met een beeld voel ik geen opluchting. Of verlichting. Er is geen verlichting! Nooit worden de herinneringen gemakkelijker te dragen.’


Beeld: Tel Aviv, 2010 (ODED BALILTY / AP / HH)