De verloren brieven van  Willem Sandberg

Sandbergs Nachtwacht

Tijdens zijn onderduiktijd in de Tweede Wereldoorlog heeft Willem Sandberg, de latere roemruchte directeur van het Amsterdamse Stedelijk Museum, negentien boekjes ontworpen, zijn experimenta typografica. Slechts zeven zijn er, tussen 1944 en 1982, gedrukt. Toch gelden ze als zijn meesterwerk, zijn typografische Nachtwacht. Veertien verloren gewaande brieven werpen nieuw licht op hun ontstaan.v

1.1 gelukkig zijn eindelijk de voorjaarsregens begonnen en wordt het zacht in de lucht.
sedert dagen zit ik weer voor mijn open raam te werken, uitkijkend op het bekende
tuintje en op de daken: vannacht bij maanlicht waren licht en schaduw over
de daken zoo prachtig verdeeld, dat ik er wel meteen een plaksel van had willen
maken – plakken is de eenige manier, die ik bij de hand heb, om de kleuren
ook enigszins weer te geven: heldere gevels, muren in fluwelig zwarte
schaduw en daken, die in deze belichting grijsbruin leken.

Dit is het begin van een ongedateerde brief, misschien uit maart of april 1944. Het is een klein papiertje, door Sandberg beschreven in zijn minutieuze blokschrift, zonder hoofdletters. De aanhef «l.l.» moet wel «lieve lida» betekenen. De ondertekening is: je W. Het briefje zat, piepklein opgevouwen, met nog dertien even klein in elkaar gevouwen brieven verborgen in een minuscuul envelopje.

In de familie wist men dat Sandberg (1897-1984) tijdens zijn onderduiktijd briefjes naar zijn tweede vrouw Lida had weten te smokkelen. Maar hijzelf dacht aan het einde van zijn leven niet anders dan dat ze zoek waren. Dat is begrijpelijk, want ze waren onvindbaar en zijn klaarblijkelijk na de oorlog nooit meer door iemand aangeraakt. Er bevindt zich in Sandbergs nalatenschap een grote grijze map met de letters «verzet» waarin vele naoorlogse documenten zitten over zijn verzetswerk tijdens de Tweede Wereldoorlog. Daarbij is een grote enveloppe met gevangenisbriefjes die Lida in 1943 aan haar zuster heeft gezonden. Tussen die brieven verscholen zit dat kleine envelopje met de veertien piepklein gevouwen briefjes. Misschien was het veiliger geweest als Lida ze indertijd had vernietigd.

Die briefjes geven een gedetailleerd beeld van wat Sandberg deed en voelde tijdens die vreemde periode van ruim een jaar, tussen mei 1943 en juni 1944, toen hij in Gennep op een kamertje van 2,65 bij 3,05 meter zat, met alleen een bed, een stoel en een tafeltje, een soort kloostercel. Met uitzicht op een groentetuin, een perenboom, twee schuurtjes, een schutting en de daken van wat oude huizen in de verte.

Sandberg heeft het over plaksels. Omdat hij geen verf tot zijn beschikking heeft vist hij allerlei papiertjes uit prullenmanden: servetjes, pakpapier, enveloppevoeringen. Hij snijdt er vormen uit met een bot scheermesje of een ander niet al te scherp instrument, zodat het vezelrijke papier een kartelige rand krijgt. Het resultaat lijkt op scheuren, maar het is eerder een soort uitprikken zoals kleuters doen. Met die uitgeprikte papiertjes plakt hij op een vel papier het uitzicht vanuit zijn raam in elkaar, maar ook gebruikt hij ze bij de eerste ontwerpen van een serie boekjes, zijn experimenta typografica. Die bestaan uit citaten van allerlei schrijvers, waar hij op een vrije manier vorm aan geeft. Niet alleen door ze te illustreren, maar door er grafisch een confrontatie mee aan te gaan. In zijn brieven vraagt hij zijn vrouw hem een stapel citaten te sturen die hij jarenlang had verzameld, en allerlei ander materiaal, vooral oude Vogues vanwege de foto’s.

In Gennep herinnert niemand zich er iets van, maar het huis staat er nog, midden in het centrum, Zandstraat 20-22, een huis met twee erkers. Het kamertje op de tweede verdieping achter is nauwelijks veranderd. Sandberg had het onder een schuilnaam gehuurd bij de heer en mevrouw Lueben. Beneden in het pand was een winkelruimte waar ze ooit een «Elektrische Wasch-, Bleek- en Strijkinrichting met natuurbleek» hadden gehad. In 1943 huisde daar de plaatselijke afdeling van de Hitler Jugend en werden er Duits-vriendelijke bijeenkomsten gehouden. Zoals meer verzetsmensen zocht Sandberg graag zo’n plek vol foute Duitsers op, omdat men daar nooit een illegale onderduiker zou verwachten. Ontmoetingen met andere verzetsmensen had Sandberg het liefst in hotel Berg en Dal in Beek, bij Nijmegen, omdat het daar vol zat met SS’ers en andere Duitsers.

Soms weet je niet helemaal zeker of het een spel was of ernst, het kunstenaarsverzet tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het veranderde in de loop van de tijd van karakter. Op 27 maart 1943 vindt, na zeer grondige voorbereiding en twee mislukte pogingen, de aanslag plaats op het Bevolkingsregister in Amsterdam aan de Plantage Kerklaan, naast Artis. Een groepje als politieagenten verklede verzetsmensen onder leiding van de schilder/schrijver Willem Arondéus en beeldhouwer Gerrit Jan van der Veen weet de bewakers te overrompelen, vast te binden en met injecties te verdoven. De overval is volledig geweldloos verlopen. De brand verwoest jammer genoeg niet de hele cartotheek, maar wel een gedeelte, en de rode gloed van de brand is in de hele stad te zien. Sandberg was nauw bij de voorbereiding betrokken, maar hij deed niet mee aan de overval. Er was al eerder besloten dat zijn gezicht te bekend was.

Het is volstrekt toeval dat Sandberg niet thuis is als de Sicherheitsdienst hem in de nacht van 1 april 1943 in zijn huis aan de Maasstraat komt ophalen. Sandberg heeft dan wacht bij de bunker in de duinen bij Santpoort waar de belangrijkste kunstwerken uit het Stedelijk Museum zijn opgeslagen. Zijn vrouw Lida kan hem daar telefonisch waarschuwen en hij zorgt ervoor dat hij ’s ochtends vroeg weg komt op zijn fiets. Eerst logeert hij bij ir. Van Gogh in het Gooi. Dan wordt de directeur van het Stedelijk Museum Röell, die niets met de zaak te maken heeft, gearresteerd en begrijpt Sandberg dat hij verder weg moet gaan. Hij kiest Gennep, waar een voormalige secretaresse van het museum woont, die met een arts is getrouwd. Sandberg huurt een kamer bij een boerengezin, maar daar valt hij te veel op. Eind mei 1943 neemt hij zijn intrek bij de familie Lueben.

Hij heeft een vals persoonsbewijs op naam van Henri van den Bosch, kunstschilder. Van den Bosch is de naam van zijn geliefde grootmoeder. Er zit nog altijd iets onverantwoordelijk speels in zijn pseudoniem. Maar dat speelse verdwijnt in één klap, op 1 juli 1943, als hij in De Telegraaf leest dat het SS- und Polizeigericht te Den Haag vanwege de aanslag op het Bevolkingsregister te Amsterdam twaalf mensen ter dood heeft veroordeeld: «De vonnissen zijn heden met den kogel voltrokken.» Onder de gefusilleerden zijn enkele van de beste vrienden van Sandberg: Willem Arondéus, de hispanoloog Johan Brouwere en de jonge architect Koen Limperg. Naast Sandberg is alleen Gerrit van der Veen nog op vrije voeten. Sandbergs vrouw Lida is ook opgepakt, misschien in de hoop dat ze zo achter Sandbergs verblijfplaats zouden komen, maar zij moet ook boeten omdat haar zoon Sven Augustin uit het Duitse leger is gedeserteerd. Zij wordt na een half jaar tuchthuis vrijgelaten. Sandberg heeft later altijd gezegd dat zijn blauwzwarte haar na het horen van het bericht van de executie van zijn kameraden in één nacht of in elk geval in korte tijd spierwit is geworden. Letterlijk klopt dat niet, op foto’s is te zien dat zijn haar al lang grijs werd.

Uit de brieven blijkt dat Sandberg in de vroege zomer van 1943 eerst nog op de fiets het land in trekt om landschappen te tekenen, iets wat hem eigenlijk niet zo ligt. Maar hij krijgt er toch aardigheid in en weet de bladeren zelfs goed te treffen. Wellicht gaat hij na het bericht over de doodvonnissen van zijn kameraden niet meer zo graag naar buiten. Hij blijft in zijn kamertje en concentreert zich op het tekenen van heel precieze zelfportretten, wat nog niet zo gemakkelijk is in zo’n kleine ruimte en met een vervormende spiegel. Daarna gaat hij het uitzicht tekenen, eerst precies, dan steeds meer in grove lijnen en vlakken. Ten slotte gaat hij wat hij uit zijn raam ziet abstraheren en plakt de composities met wat papiertjes in elkaar. Hij beleeft in korte tijd dezelfde ontwikkeling die de schilder Mondriaan één oorlog eerder heeft doorgemaakt, naar de volledige abstractie. Maar Sandberg doet tegelijkertijd iets anders. In Gennep heeft hij eindelijk tijd om een aantal typografische experimenten uit te voeren, tijd die hij door zijn drukke leven eerder nooit heeft gehad.

Bij een tekst die zijn situatie in december 1943 beschrijft plakt hij drie mannetjes die als in een stripverhaal zijn ervaringen weergeven: eerst is hij hoog in de wolken, dan moet hij onderduiken, ten slotte leeft hij onder water. Sandberg zet die mannetjes tegen uitgescheurde vormen die wolken en het wateroppervlak aanduiden. Hierna zal hij nooit meer knippen, maar snijdt, prikt en scheurt hij. Hij wil die scherpe, uitgeknipte contouren niet meer. Door het scheuren worden de contouren levendig, het toeval kan een rol spelen.

Sandbergs eenvoudige ontwerpen vinden nu hun eigen vorm: strak en menselijk tegelijk. Daarmee gaat hij de teksten te lijf die hij heeft uitgekozen, citaten vooral van Bergson, Nietzsche en Ortega y Gasset. Hun pessimistische teksten confronteert hij met vrolijke, kleurrijke vormen en typografische grapjes. Ten slotte, aan het einde van dit eerste boekje, gaat hij ook letters uitscheuren in verschillende kleuren: het woord «finis». Die uitgescheurde letters zullen later zijn handelsmerk worden.

Aan Frans Duwaer, de bescheiden drukker van de valse persoonsbewijzen, geeft hij zijn eerste ontwerp, maar deze kan die kleurige werken met de bestaande technieken in oorlogstijd niet drukken. Daarom maakt Sandberg een nieuw, sterk vereenvoudigd ontwerp, waarin hij alleen gebruikmaakt van letters en andere grafische tekens die in de drukkerij van Duwaer voorradig zijn. Het boekje wordt door Duwaer gedrukt en verkocht ten bate van het verzet. Sandberg gaat door met ontwerpen. Van de meeste boekjes bezit het Stedelijk Museum een rijk geïllustreerde en een versimpelde versie. Aan het eind van de oorlog liggen drie boekjes drukklaar in de drukkerij van Duwaer. Duwaer zelf wordt, samen met zijn verzetsvriend Gerrit van der Veen, in juni 1944 gefusilleerd.

Sandberg moet in juni 1944 uit Gennep vluchten. Waar hij verder ook is, hij blijft tot in april 1945 doorwerken aan zijn experimenta typografica. Hij maakt boekjes over gezondheid, psychologie, kunst, typografie, over dans en over de dood. In deze boekjes ontwikkelt hij de stijl van ontwerpen die hij later kan toepassen op honderden catalogi en affiches. Die maakt hij na de oorlog, als directeur van het Stedelijk Museum die de deuren open zet voor eigentijdse kunst, kindertekeningen, de Cobragroep. Tot zijn allerlaatste opdracht in 1980 blijft hij deze tegelijk warme en strakke stijl trouw: voor de letters w a t e r l o o op de muren van metrostation Waterlooplein heeft hij de sjablonen uitgeprikt.

In de onderduik, bang en rustig tegelijk, vindt Sandberg zichzelf als ontwerper op een manier die hij ook als museumdirecteur kan toepassen. Ook daar is hij voorstander van witte muren, strakke lijnen, functionalisme en modernisme. Maar door het museum open te stellen voor jonge kunstenaars en die in de gelegenheid te stellen daar volkomen onverwachte dingen te doen, zorgt hij ervoor dat de al te strakke kanten van zijn beleid worden doorbroken en zijn museum steeds blijft verrassen. Zijn modernisme verstart daardoor nooit, niet in zijn museumbeleid en niet in zijn drukwerk.

Bovenstaand artikel is een voorpublicatie uit de biografie door Max Arian van de jonge Sandberg (1897-1945), te verschijnen bij uitgeverij De Prom.

In het programma De zoektocht gaat Lennart Booij op zoek naar de experimenta typografica van Sandberg en de plek in Gennep waar ze zijn gemaakt. avro, Nederland 1, zondag 11 juni omstreeks 23.00 uur. Herhaling: maandag 12 juni omstreeks 14.45 uur