DE KUNSTMARKT EN DE CRISIS

Sappelen voor kunst

Deze week sloot Art Basel Miami Beach, de belangrijkste beurs voor hedendaagse kunst in de Verenigde Staten. De crisis werd daar pijnlijk zichtbaar. Is de Nederlandse galeriewereld voorbereid?

IN MIAMI BEACH werd natuurlijk niet over exacte omzetcijfers gesproken. Galeriehouders laten zich, zoals het goede ondernemers betaamt, niet in de kaart kijken, en zij tonen zich optimistisch. De Miami Herald deed echter een steekproef waaruit bleek dat meer dan de helft van de deelnemers de omzet sterk had zien dalen; een kwart van de galeristen liet weten meer dan dertig procent minder omzet te hebben geboekt.
Art Basel Miami Beach telde twee Nederlandse deelnemers, Annet Gelink Gallery en Ellen de Bruijne Projects, beide uit Amsterdam. Gelink en De Bruijne behoren tot de weinige galerieën in Nederland die het internationaal goed doen. Door hun aanwezigheid op beurzen als de Frieze Art Fair in Londen en Art Basel treden zij langzamerhand toe tot de wereldwijde eredivisie van galeriehouders. Ze hadden hun plaats al lang voor de crisis geboekt. Ze konden niet meer terug.
Ilga Minjon, medewerker van Ellen de Bruijne Projects: ‘We hebben overwogen om niet te gaan, vanwege de hoge kosten. Ellen de Bruijne vertegenwoordigt conceptuele, moeilijke kunstenaars. De kunst die zij maken is normaal al lastig om te verkopen, de economische crisis maakt het helemaal moeilijk.’ Gelink heeft wel een paar werken verkocht: ‘De opbrengsten zijn niet vergelijkbaar met eerdere jaren, maar het viel me alleszins mee.’ Toch is de situatie zorgelijk. Annet Gelink: ‘Beursdeelname is duur en daar zal dus op bezuinigd moeten worden. De beurzen zullen hieronder lijden. Ik verwacht dat er ook veel galerieën zullen wegvallen. Het zijn heftige tijden.’
Tot de rest van de Nederlandse galeriewereld lijken de gevolgen van de kredietcrisis maar langzaam door te dringen. Een indicatie daarvoor was het symposium van de Nederlandse Galerie Associatie (NGA) over de actuele ontwikkelingen op de markt voor hedendaagse kunst, dat eind vorige maand in Amsterdam werd gehouden. Nederland telt 580 galerieën van uiteenlopend kaliber. Uit het Onderzoek aanbieders van hedendaagse kunst (EIM, 2007) blijkt dat zij gezamenlijk een omzet van 130 miljoen euro behalen, maar de helft van de galerieën realiseert een omzet van minder dan 75.000 euro. Het leeuwendeel gaat naar de kleine top van het Nederlandse galeriewezen; hun aantal is op twee handen te tellen.
De 250 aanwezigen op het symposium werden getrakteerd op een lesje marketing. Dat was kennelijk nodig, getuige de driftig pennende galeriehouders in de zaal. Dat beeld versterkte nog maar eens het vooroordeel van galeriehouders als hobbyisten, die ’t voor de kunst doen en niet door enig zakelijk inzicht worden gehinderd. ‘Ik moet u wat bekennen. Ik ben 38 jaar. Ik heb slechts zes keer in mijn leven een galerie bezocht’, aldus Robert Boot, marketeer bij de ING en spreker op het symposium. ‘Twee keer heb ik een werk aangeschaft, beide keren op dezelfde manier: ik zag in de etalage van de galerie bij mij om de hoek iets wat ik wilde hebben en dat heb ik gekocht. Meteen. Daarna was de muur vol. Enerzijds ben ik dus een goede koper, twee op de zes keer een aankoop, maar het is ook zo dat ik in tien jaar tijd een paar honderd keer niet naar binnen ben gegaan.’ Annet Gelink vindt het verhaal herkenbaar: ‘Laatst sprak ik iemand die zei: “Ik ga liever niet bij een galerie naar binnen, omdat ik ontzettend bang ben voor de vraag: wat vindt u ervan?”’

De galeriesector kampt met hardnekkige problemen. Er zijn, om te beginnen, weinig echte verzamelaars in Nederland. Dan is er het elitaire imago, de hoge drempel. De ervaring van Boot – op het eerste gezicht een ideale vertegenwoordiger van de doelgroep – is exemplarisch, en komt ook nadrukkelijk naar voren in het marktonderzoek Vraagonderzoek naar hedendaagse beeldende kunst (Motivaction, 2007), uitgevoerd in opdracht van de NGA. De kunsteconoom Olav Velthuis was er op het symposium somber over: ‘Het is zoals docenten vroeger aan het begin van de studie in de collegezaal zeiden: kijk maar eens goed links van je en rechts van je. Die zitten er over een paar maanden niet meer.’
Tijdens het symposium kritiseerde Gitta Luiten, directeur van de Mondriaan Stichting, echter ook de geringe mate van professionaliteit in de branche. De Mondriaan Stichting geeft galerieën bij deelname aan internationale beurzen een bijdrage van vijftig procent in de kosten van hun standplaats, maar ze zegt op het gebied van internationale samenwerking betere ervaringen te hebben met buitenlandse galerieën. Daar was Gelink het nadrukkelijk niet mee eens: ‘Ik vind dat een zeer Nederlandse opmerking. Het aantal Nederlandse galerieën dat op buitenlandse beurzen staat, groeit en zij doen het erg goed. Wij vergelijken onszelf altijd weer met Engeland en Amerika. Misschien zitten we voor Nederlandse begrippen in het huidige kunstklimaat op dit moment wel aan het plafond.’
Luiten gaf ook te kennen dat men in het buitenland niet zo gecharmeerd is van het Nederlandse subsidiestelsel. Subsidies zouden een bedreiging zijn voor de betrokkenheid van de kunstmarkt. Omdat de kunstenaars niet economisch afhankelijk zijn van de galeriehouder is hun rol veel minder actief, en dus minder relevant. Bovendien zou het subsidiesysteem middelmatige kunst opleveren. Gelink reageert verbolgen: ‘Altijd weer die kritiek op de zogenaamd overgesubsidieerde kunst! Als een Nederlands bedrijf de internationale markt op gaat, krijgt het ook een financiële tegemoetkoming van de overheid. De Mondriaan Stichting en het Fonds Beeldende Kunst zouden samen de verantwoordelijkheid op zich moeten nemen om op te treden tegen deze beeldvorming.’

Toch snijden de opmerkingen van Luiten en Boot hout. De galeriesector loopt wel degelijk achter. In de theater- en de museumwereld wordt al jarenlang publieksonderzoek gedaan om doelgroepen beter te bedienen en nieuwe aan te boren en de publieksparticipatie te vergroten. Wat dat betreft staat de professionalisering van de galeriesector nog in de kinderschoenen. Pas in 2007 werd voor het eerst marktonderzoek uitgevoerd. Daaruit blijkt dat er een groot publiek te winnen is: een kwart van de Nederlanders is geïnteresseerd in kunst, maar slechts vier procent koopt wel eens een kunstwerk. Individuele galerieën houden zich niet bezig met het aantrekken van nieuwe doelgroepen, omdat dat een langetermijninvestering is en er op korte termijn geld moet worden verdiend. De geringe inkomsten van galerieën in Nederland staan geen (grote) staf toe. Dat betekent dat er geen afdeling marketing en communicatie is, en dat de werkzaamheden met een minimale bezetting moeten worden uitgevoerd.
Gianni Hilgemann van galerie 2x2projects in Amsterdam is bijna drie jaar bezig met zijn galerie. Hij heeft zowaar een bedrijfsplan en een assistent. Salaris kan hij zichzelf nog niet geven. Gianni Hilgemann: ‘Ik heb een begroting voor de komende drie jaar, maar het is erg lastig in deze sector. In de kunst kun je geen reële verwachtingen scheppen. Het probleem blijft dat we geen broodjeszaak zijn. We kunnen niet zorgen dat er meer mensen broodjes komen kopen, omdat wij nu eenmaal leven van incidentele aankopen.’

Er is nog een factor die de galeriehouders parten speelt: een diepgeworteld wantrouwen tegen ‘de commercie’. Liever hoogwaardige kunst laten zien en sappelen aan de zijlijn dan een knieval maken voor de commercie. Traditioneel is in Nederland altijd een onderscheid gemaakt tussen avant-gardistische galerieën, zij die échte kunst lieten zien (de idealisten), en de commerciëlen. ‘Dat onderscheid is er nog steeds’, zegt Annemie Boissevain van Galerie de Witte Voet in Amsterdam. Haar galerie houdt al 35 jaar het hoofd net boven water. ‘Financieel gesproken had ik na een jaar al de deur moeten sluiten. Als je vraagt of ik er mijn geld mee kan verdienen, zeg ik: nee. Toch wil ik doen wat ik belangrijk vind. Vrije keramiek is nu niet bepaald een gemakkelijke kunstvorm, maar ik moet er niet aan denken om mijn galerie te vullen met kunst die dan maar gemakkelijk verkoopt.’ Boissevain zegt het in deze tijden lastig te vinden mensen de galerie in te krijgen. ‘Ik laat kunst zien en voor kunst moet je moeite doen. Als mensen niet binnenkomen, kan ik daar niets aan doen. Als ze wel binnenkomen, zijn ze van harte welkom.’
Lijnrecht tegenover Boissevain staat Eric Morren, directeur van Galerie Utrecht, een galerie voor figuratieve kunst. Naast de twee vestigingen die hij in Utrecht heeft, opende hij onlangs een galerie in Amsterdam. Een lesje marketing heeft hij niet nodig. ‘Je moet gewoon goed werk hebben’, zegt hij. ‘Je moet een kunstenaar als merk promoten. Net zoals Galerie Utrecht een merk is. Wij hebben ons zo in de markt gepositioneerd.’ Nu behoort Galerie Utrecht misschien tot de minder kwetsbare soort. Figuratieve kunst en traditioneel ambachtelijk werk hebben altijd gemakkelijker een publiek gevonden dan de conceptuele, ‘ingewikkelde’ kunst die Annet Gelink toont. Haar klanten zijn vooral grote (buitenlandse) verzamelaars en musea.
Gelink blijft hoopvol over de ontwikkeling van het Nederlandse galeriebestel: ‘Er gaan steeds meer Nederlandse galerieën naar internationale beurzen. Ook zijn er veel talentvolle kunstenaars in Nederland. Kijk maar naar de kunstenaars van de Rijksacademie die een indrukwekkende internationale carrière opbouwen. Het gegeven dat er een symposium georganiseerd wordt, zegt al iets over de professionalisering van de beroepsgroep. Maar we hebben nog een lange weg te gaan.’