Ger Groot

Sarah

Het slot van Baudelaires gedicht Sarah is door Serge Reggiani op de cd Les loups onsterfelijk gemaakt. Baudelaire schreef het in zijn jeugd als een ode aan de joodse prostituee met wie hij een affaire had gehad. Ontluisterd is ze in haar morele en fysieke verval, en juist daardoor wordt de in één adem uitgesproken liefdesverklaring bijna keeldichtknijpend mooi.

Reggiani leest de slotstrofen met de aarzeling van een biecht die van woord tot woord ongemerkt groeit in oprechtheid, kracht en trots. Steeds langzamer komen de woorden en daalt de stem: «Cette bohème-la est mon bien, ma richesse/ Ma perle, mon bijou, ma reine, ma duchesse.» Na zo’n einde lijkt alles gezegd en heeft de stem die het zei het grootste gelijk en gewicht. Het is een techniek die Charles Groenhuijsen vanuit Amerika tot in de puntjes beheerst.

Voor Baudelaire was dat misschien een tikje te gemakkelijk. In werkelijkheid gaat zijn gedicht nog twee verzen door, terwijl Reggiani het lied al inzet waartoe het de opmaat vormt: «La femme qui est dans mon lit/ n’a plus vingt ans depuis longtemps.» De tekst en muziek zijn van Georges Moustaki en dat is, hoe boheems-baudelaireaans ook, hoorbaar een klasse minder.

Maar ook in Baudelaires zojuist verschenen bundeltje Verbeelde gedichten (Atlas) eindigt Sarah reggianesk. In de vertaling van Geert van Istendael en Koen Stassijns: «Die bohémienne is mijn alles, mijn gewin/ Mijn parel, mijn juweel, mijn kroon, mijn hertogin.» Of beter gezegd: de stripversie van het gedicht doet dat, met een kennelijke knipoog naar de zanger en acteur, wiens naam in een toelichtend tekstje nog even valt.

Dat klinkt omineus en bevestigt de ergste vermoedens: wie haalt het in godsnaam in zijn hoofd na romans als De avonden of Prousts Recherche nu ook verzen in een stripversie te gieten? Voor epische dichtwerken zou zoiets misschien denkbaar zijn, maar lyriek lijkt zich daaraan onherroepelijk te onttrekken. Het resultaat kan niet anders zijn dan vandalistisch, tot aan het verminken van de oorspronkelijke verzen toe.

Maar wie bladert in de in eerste instantie in Frankrijk verschenen Verbeelde gedichten ziet zijn onbehagen al snel wegsmelten. De vijftien verzen en één prozagedicht die erin worden verstript, verliezen er alleen hun gecanoniseerde plechtstatigheid door, en dat is bij Baudelaire ontegenzeglijk een gewin. De tekst die op de plaatjes in ballonnen en banderolles tot onleesbaarheid wordt verknipt, is vóór elke strip in zijn oorspronkelijke geheel te lezen. Daarná pas volgt de verbeelding, die steeds weer verrassend is. Alleen de commentaren die als een minibiografie de hoofdstukjes begeleiden, herstellen nodeloos het laatromantische odium van de poète maudit.

Aan veel van de strips is naast de tekenaar ook een scenarioschrijver te pas gekomen en dat pakt meestal gelukkig uit. Bij het gedicht, dat een beeld of een moment omschrijft maar nauwelijks vertelt, wordt in de strips een, soms ironisch, tegenverhaal gevoegd. De albatros uit Baudelaires wellicht beroemdste gedicht is niet alleen meer de vogel die door matrozen belachelijk gemaakt wordt, als een metafoor van het verdoemde dichterschap. Hij wordt, getekend, ook de vlieger van het kleine jongetje dat op het strand gepest wordt, tot hij mee-omhoog vliegt — en weer valt.

De blinden uit het gelijknamige gedicht worden de miraculeuze overlevers van een auto-ongeluk dat hun belagers doodt, en de reuzin in de schaduw van wier borsten de dichter dacht te kunnen rusten, wordt de droom van de kermis-kassier bij de attractie van een show met reuzen-freaks. Tegen die beelden schuurt het gedicht aan en wordt er nieuw van, eerder vermeerderd dan verminderd in zijn poëzie.

En Baudelaire? De tekenaars hebben weerstand geboden aan de dubieuze hang hem zelf tot hoofdpersoon te maken, zoals Reve dat in de getekende Avonden wél werd. De «ik» van Sarah is geen bohémien en zelfs geen minnaar. Hij is het kleine zoontje van de uitgeleefde vrouw, die na haar arbeid thuiskomt met een driekoningentaart. Zij is «zijn hertogin» en ook de tekenaar volgt haar metamorfose. Plots zijn haar ogen minder zwaar en is haar lichaam zijn vermoeidheid kwijt. In spijkerbroek en rode, veel te wijde trui is zij wel lang zo sexy niet, maar wordt de lezer bijna ongemerkt op haar verliefd.